Competentiegrens kantonrechter
Bij wet van 19 mei 2011[1] is de competentiegrens waarbinnen de kantonrechter bevoegd is om over zaken te beslissen verruimd. Deze wet is op 1 juli 2011 in werking getreden. In deze bijdrage zal ik kort de wijzigingen bespreken en de gevolgen daarvan voor de verschuldigde griffierechten.
Wijziging competentiegrens
De competentiegrens van de kantonrechter is vastgelegd in artikel 93 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ("RV")
Tot 1 juli 2011 was de kantonrechter bevoegd in:
- zaken betreffende vorderingen met een maximale hoogte van EUR 5.000,-;
- zaken betreffende vorderingen van onbepaalde waarde, indien er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigd dan EUR 5.000,-;
- zaken betreffende een arbeidsovereenkomst, een collectieve arbeidsovereenkomst, algemeen verbindend verklaarde bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten, een vut-overeenkomst of een agentuur-, huur- of huurkoopovereenkomst, ongeacht het beloop of de waarde van de vordering;
- andere zaken ten aanzien waarvan de wet dit bepaalt.
De vorderingen die vallen onder de onderdelen onder a of b worden ook wel aangeduid als ‘waardevorderingen’, omdat de bevoegdheid van de kantonrechter is gekoppeld aan de waarde van de vordering. De vorderingen die vallen onder onderdeel c worden ook wel aangeduid als ‘aardvorderingen’. De bevoegdheid van de kantonrechter is in dit geval niet gekoppeld aan de waarde van de vordering maar aan het soort vordering.
Ten aanzien van de waardevorderingen is met ingang van 1 juli 2011 de competentie van de kantonrechter verruimd tot zaken betreffende vorderingen met een maximale hoogte van EUR 25.000,-. Voor het bepalen van de vraag of een vordering al dan niet hoger is dan EUR 25.000,- telt het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten en de opeisbare rente tot aan de dag van dagvaarden mee. Nevenvorderingen zoals de vordering tot een proceskostenveroordeling, de vordering tot het opleggen van een dwangsom of tot betaling van de wettelijke of contractuele rente vanaf de dag van dagvaarden tot de dag dat de vordering geheel is voldaan, tellen niet mee voor de vraag of de vordering al dan niet hoger is dan EUR 25.000,-.
Ten aanzien van de aardvorderingen wordt de competentiegrens van de kantonrechter vanaf 1 juli verruimd met krediettransacties als bedoeld in de wet op het consumentenkrediet (leningen tot EUR 40.000,=) en met consumentenkoopovereenkomsten.
Wijzigingen hoogte griffierechten
De verruiming van de competentiegrens voor de kantonrechter heeft ook gevolgen voor de hoogte van het verschuldigde griffierecht. Het uitgangspunt dat alleen de eisende/verzoekende partij griffierecht verschuldigd is, wordt met dit wetsvoorstel niet gewijzigd. Wel wordt de hoogte van het griffierecht aangepast.
Voor dagvaardingen die vóór 1 juli 2011 zijn betekend en verzoekschriften die vóór 1 juli 2011 bij de kantonrechter zijn ingediend, blijven de ‘oude’ griffierechten nog van toepassing. Deze griffierechten bedragen:
Voor rechtspersonen:
- EUR 106,= voor zaken met een onbepaalde waarde of een beloop van niet meer dan EUR 500,= in hoofdsom;
- EUR 284,= voor zaken betreffende een vordering met een beloop van meer dan EUR 500,= in hoofdsom;
Voor natuurlijke personen:
- EUR 71,= voor zaken met een onbepaalde waarde of een beloop van niet meer dan EUR 500,= in hoofdsom;
- EUR 142,= voor zaken betreffende een vordering met een beloop van meer dan EUR 500,= in hoofdsom;
Voor dagvaardingen die ná 1 juli 2011 zijn betekend en verzoekschriften die ná 1 juli 2011 bij de kantonrechter zijn ingediend, gelden de volgende griffierechten:
Voor rechtspersonen:
- EUR 106,= voor zaken met een onbepaalde waarde of een beloop van niet meer dan EUR 500,= in hoofdsom;
- EUR 426,= voor zaken betreffende een vordering met een beloop van meer dan EUR 500,= en niet meer dan EUR 12.500,= in hoofdsom;
- EUR 851,= voor zaken betreffende een vordering met een beloop van meer dan EUR 12.500,= in hoofdsom;
Voor natuurlijke personen:
- EUR 71,= voor zaken met een onbepaalde waarde of een beloop van niet meer dan EUR 500,= in hoofdsom;
- EUR 202,= voor zaken betreffende een vordering met een beloop van meer dan EUR 500,= en niet meer dan EUR 12.500,= in hoofdsom;
- EUR 426,= voor zaken betreffende een vordering met een beloop van meer dan EUR 12.500,= in hoofdsom;
[1] Volledig titel: Wet van 19 mei 2011 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Wet op de rechterlijke indeling, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enkele andere wetten naar aanleiding van de evaluatie van de modernisering van de rechterlijke organisatie en in verband met de regeling van het klachtrecht inzake gedragingen van rechterlijke ambtenaren (Evaluatiewet modernisering rechterlijke organisatie), Stb. 2011, nr. 555, Kamerstuk 32021.
Klik hier om terug te keren naar alle nieuwsberichten.