In haar arrest op 16 juni 2026 heeft het gerechtshof Amsterdam alsnog bepaald dat werkers die via het platform Temper werkzaamheden verrichten, niet kwalificeren als zelfstandigen maar in werkelijkheid als uitzendkrachten moeten aangemerkt.
Een uitzendovereenkomst is een vorm van een arbeidsovereenkomst. Het belangrijkste kenmerk van een uitzendovereenkomst is echter dat de werker in dienst is bij het uitzendbureau maar onder leiding en toezicht van een derde (de inlener) werkt, zie ook “de uitzendovereenkomst; een bijzondere arbeidsovereenkomst”.
In de Temper-kwestie speelde het volgende. Temper exploiteert sinds 2016 een digitaal platform dat vraag en aanbod van arbeid bij elkaar brengt in de horeca, retail en logistiek. Werkers melden zich aan via een account, sluiten een gebruikersovereenkomst met Temper en verrichten klussen bij opdrachtgevers op basis van een door Temper ter beschikking gestelde modelovereenkomst van opdracht. Het platform biedt een vervangingsclausule, een onderhandelfunctie voor tarieven en geautomatiseerde facturering via factoringmaatschappij Finqle. Ook de opdrachtgever die het platform wil gebruiken, doorloopt een door Temper gestructureerd proces. De opdrachtgever maakt een account aan op het platform en sluit daartoe een specifieke Gebruikersovereenkomst opdrachtgevers met Temper. De opdrachtgever kan bij het aanbieden van klussen onder meer de datum, start- en eindtijd, de vereiste functie en vaardigheden en eventuele kledingvoorschriften selecteren en het uurtarief invullen, waarbij rekening moet worden gehouden met een door Temper gehanteerd minimum. Temper biedt de keuze tussen een viertal annuleringstermijnen en de opdrachtgever is uiteindelijk een gebruiksvergoeding van € 4,90 per gewerkt uur aan Temper verschuldigd.
FNV en CNV hebben medio 2024 een zaak tegen Temper aangespannen waarin zij hebben betoogd dat het Tempermodel schijnzelfstandigheid faciliteert. Werkers sluiten via het platform ogenschijnlijk overeenkomsten van opdracht met opdrachtgevers, maar volgens de bonden zijn zij feitelijk werkzaam in een driehoeksverhouding waarin Temper een werkgeversrol vervult. In eerste instantie kregen de bonden bij de rechtbank Amsterdam nul op rekest.
In hoger beroep zijn de vakbonden echter alsnog in het gelijk gesteld. In lijn met de Deliveroo‑ en Uber‑arresten van de Hoge Raad benadrukt het hof dat de kwalificatie afhangt van de feitelijke uitvoering van de overeenkomst en niet van de door partijen gekozen benaming, waarna zij stap voor stap de gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest doorloopt. Doorslaggevend in de Temper-kwestie is onder meer dat Temper nauw betrokken is bij de wijze waarop de contractuele regeling van de driehoeksverhouding Temper, de werker en de opdrachtgever tot stand komt, de wijze waarop de beloning wordt bepaald en uitbetaald en de hoogte van deze beloningen. Het platform is daardoor niet louter een bemiddelingssite zoals eBay of Marktplaats. Niet wordt aangetoond dat de werker via Temper andere instructies krijgt dan werkenden in dienst van de inlener; de werkers lopen geen reëel commercieel risico (omdat zij via Finqle hun debiteurenrisico afkopen voor 2,9%). Dat volgens Temper “sommige” werkers “grote investeringen hebben gedaan in het kader van de onderneming van waaruit zij hun werkzaamheden verrichten”, leidt niet tot een ander oordeel, waarbij ook in aanmerking wordt genomen dat de genoemde functietypes en job categories weinig gespecialiseerd werk betreffen, waarvoor geen eigen investeringen nodig zijn. Dat het leeuwendeel van de werkers wel een btw-nummer heeft (91%) of een kvk-inschrijving (53%), leidt uiteindelijk niet tot een ander oordeel.
Dit arrest past in een bredere ontwikkeling waarin de rechter steeds kritischer kijkt naar platformmodellen die zijn gebaseerd op zelfstandigheid. Na Deliveroo (2023) en Uber (2025) bevestigt het hof dat digitale platforms niet zonder meer als neutrale bemiddelaars kunnen worden gezien, maar in veel gevallen als (uitzend)werkgevers opereren.