Rechtsvermoeden op basis van een uurtarief een feit

Aangemaakt: 25 juni 2026

Rechtsvermoeden op basis van een uurtarief een feit

Op 16 juni 2026 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het wetsvoorstel tot invoering van een rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief. Vanaf 1 januari 2026 ontstaat daarom bij een uurtarief onder € 38 een rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst.

De invoering van een rechtsvermoeden is oorspronkelijk onderdeel van het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar). Dit voorstel beoogde zowel te verduidelijken wanneer sprake is van een arbeidsovereenkomst als een rechtsvermoeden in te voeren bij lage tarieven. Inmiddels is het verduidelijkingsdeel geschrapt en wordt gewerkt aan een separate Zelfstandigenwet, die op termijn meer duidelijkheid moet geven over de kwalificatie van arbeidsrelaties. Voor meer informatie over de Zelfstandigenwet zie “de Zelfstandigenwet: de belangrijkste elementen toegelicht”.

De kern van het wetsvoorstel is eenvoudig: bij een uurtarief onder € 38 (peildatum 1 januari 2026) ontstaat een rechtsvermoeden van werknemerschap. Er is dan niet automatisch een arbeidsovereenkomst. Een rechtsvermoeden betekent dat een werkende die tegen een lager tarief werkt, zich op het rechtsvermoeden kan beroepen en kan stellen dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. In dat geval verschuift de bewijslast naar de opdrachtgever: deze moet aantonen dat géén sprake is van een arbeidsovereenkomst. Lukt dat niet, dan wordt de arbeidsrelatie juridisch aangemerkt als een arbeidsovereenkomst.  De werkende is dan werknemer en heeft aanspraak op alle bijbehorende rechten, zoals loondoorbetaling bij ziekte, ontslagbescherming, vakantiegeld en dagen, naleving van de cao etc. Aangezien deze rechten met terugwerkende kracht gaan gelden, kan dit voor de opdrachtgever die alsnog werkgever blijkt te zijn, grote consequenties hebben. 

Het kabinet beoogt met de introductie van het rechtsvermoeden de groep werkenden te steunen voor wie het opeisen van hun rechtspositie het meest ingewikkeld kan zijn. Door de bewijslast om te keren, wordt deze drempel verlaagd. De wetgever verwacht daarnaast een belangrijke preventieve werking: opdrachtgevers zullen vooraf kritischer moeten beoordelen of een opdracht daadwerkelijk als zelfstandige arbeid kan worden ingericht.

Verder blijkt uit de memorie van toelichting dat het rechtsvermoeden bewust beperkt is opgezet als civielrechtelijk instrument dat uitsluitend geldt tussen de werkende en werkgevende. Dat betekent dat derden (zoals bijvoorbeeld een pensioenuitvoerder) niet zelfstandig via het rechtsvermoeden een arbeidsovereenkomst (en in het geval van de pensioenuitvoerder, pensioenafdrachten) kunnen afdwingen. Dit laat uiteraard onverlet dat bij een succesvol beroep op het rechtsvermoeden, waardoor vaststaat dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, derden zoals de pensioenuitvoerder of bijvoorbeeld de Belastingdienst ook aan de spreekwoordelijke bel kunnen gaan trekken.

Met het invoeren van het rechtsvermoeden is het eerste deel van het coalitieakkoord een feit. Het is nu nog wachten op deel twee: het invoeren van de Zelfstandigenwet.

Meer gerelateerde updates