Franchiseformules zijn voortdurend in ontwikkeling. De franchisegever kan daarom wijzigingen willen doorvoeren in de franchiseformule, zoals de invoering van nieuwe systemen, het aanpassen van de franchisevergoeding of de introductie van een online verkoopkanaal. In bepaalde gevallen kan een franchisegever dergelijke wijzigingen echter niet eenzijdig doorvoeren, maar is voorafgaande instemming van franchisenemers vereist. In dit tweede artikel in de blogreeks Franchising bespreken wij hoe het instemmingsrecht werkt, welke rol de drempelwaarde speelt en welke richting de rechtspraak inmiddels aan het instemmingsrecht geeft.
Hoe werkt het instemmingsrecht?
Wanneer is instemming nodig?
Het instemmingsrecht is wettelijk geregeld en vormt een belangrijk beschermingsmechanisme voor franchisenemers bij wijzigingen die de franchisegever tijdens de looptijd van de franchiseovereenkomst wil doorvoeren. De franchisegever heeft vooraf instemming nodig van de franchisenemer indien hij voornemens is een wijziging in de franchiseformule door te voeren of een afgeleide formule te exploiteren en dat voornemen tot gevolg heeft dat:
- een investering van de franchisenemer wordt verlangd;
- een vergoeding, opslag of andere financiële bijdrage wordt ingevoerd of ten nadele van de franchisenemer wordt gewijzigd;
- van de franchisenemer wordt verlangd andersoortige kosten voor zijn rekening te nemen (bijvoorbeeld promotiekosten); of
- te verwachten is dat de omzet van de franchisenemer daalt.
Een afgeleide formule is kort gezegd een formule die sterk lijkt op de bestaande franchiseformule en waarmee de franchisegever vergelijkbare producten of diensten aanbiedt, bijvoorbeeld via een ander verkoopkanaal of onder een grotendeels gelijke uitstraling.
Concreet betekent dit dat een franchisegever bepaalde wijzigingen niet zonder meer kan doorvoeren. Denk aan de invoering van een nieuw kassasysteem dat kosten voor franchisenemers meebrengt, een verhoging van de franchisevergoeding of het opzetten van een online bezorgdienst die omzet kan wegtrekken bij franchisenemers. In zulke gevallen kan voorafgaande instemming vereist zijn.
Waarom is een drempelwaarde belangrijk?
Het instemmingsrecht van de franchisenemer is niet ongelimiteerd. De wet biedt de mogelijkheid om in de franchiseovereenkomst een drempelwaarde af te spreken. Dit is een bedrag waarboven het instemmingsrecht van toepassing is. Blijft de investering, financiële bijdrage of omzetderving onder deze drempel, dan hoeft de franchisegever geen instemming van de franchisenemer te vragen.
Het vaststellen van de hoogte van drempelwaarden is maatwerk en hangt af van onder meer het type franchise, de betreffende branche, de keten en de omvang van de franchiseondernemingen. Uitgangspunt is wel dat de drempelwaarde niet te hoog mag zijn, waardoor het instemmingsrecht in de praktijk geen betekenis meer heeft. In dat geval zou de franchisegever feitelijk nooit instemming hoeven vragen omdat die hoge drempelwaarde nooit wordt overschreden.
Ontbreekt een drempelwaarde in de franchiseovereenkomst? Dan geldt het instemmingsrecht van de franchisenemer altijd, ongeacht de omvang van de financiële gevolgen. Dat versterkt de positie van de franchisenemer, maar kan voor de franchisegever praktische bezwaren opleveren. Ook bij beperkte financiële gevolgen — bijvoorbeeld een geringe verhoging van de franchisevergoeding of een beperkte verwachte omzetderving — kan instemming dan vereist zijn.
Van wie is instemming vereist?
De franchisegever kan de benodigde instemming met de voorgenomen wijziging van de franchiseformule op twee manieren verkrijgen. Allereerst kan de franchisegever instemming vragen van elke franchisenemer die individueel door het voornemen wordt geraakt. Daarnaast kan de franchisegever zijn plannen uitvoeren als een meerderheid van alle in Nederland gevestigde franchisenemers van de betreffende franchiseformule met het voornemen instemt.
In de praktijk kan een (formele) vereniging van franchisenemers hierbij een rol spelen. Als de aangesloten franchisenemers aan de besluitvorming binnen de vereniging zijn gebonden, kan instemming via dat orgaan voor de franchisegever een efficiënte route zijn. Vertegenwoordigt het orgaan geen meerderheid van alle franchisenemers, dan zal de franchisegever aanvullend individuele instemming van de niet-aangesloten franchisenemers moeten verkrijgen om een meerderheid te bereiken.
Wat leert de Albert Heijn-uitspraak?
Een belangrijke uitspraak over het instemmingsrecht is het geschil tussen Albert Heijn Franchising en de Vereniging van Albert Heijn Franchisenemers over een maaltijdbezorgservice voor senioren (ECLI:NL:RBNHO:2025:43).
Albert Heijn wilde kant-en-klaarmaaltijden thuis laten bezorgen onder de naam 'Maaltijd Thuis', met gebruik van het Albert Heijn-logo en -beeldmerk. De franchisenemers stelden dat dit een afgeleide formule was waarvoor instemming vereist was. Albert Heijn meende dat geen (wezenlijke) omzetderving was te verwachten en dat het instemmingsrecht daarom niet gold.
De rechtbank oordeelde allereerst dat Maaltijd Thuis kwalificeerde als een afgeleide formule. Daarbij woog mee dat de kant-en-klaarmaaltijden grotendeels dezelfde waren als de maaltijden die in Albert Heijn-supermarkten werden verkocht. De extra service van thuisbezorging maakte volgens de rechtbank niet dat sprake was van een wezenlijk andere formule.
Het cruciale punt was dat partijen geen drempelwaarde hadden afgesproken, waardoor volgens de franchisenemers hun instemming was vereist. Albert Heijn betoogde dat het moest gaan om een "wezenlijke" omzetderving en dat die niet te verwachten was. De rechtbank ging daar niet in mee en overwoog dat het instemmingsrecht geldt als de franchisegever redelijkerwijs kan voorzien dat de afgeleide formule leidt tot een omzetderving bij de franchisenemers, ongeacht de omvang daarvan. Albert Heijn moest daarom instemming verkrijgen van de meerderheid van de franchisenemers. De rechtbank benadrukte dat het beroep op het instemmingsrecht niet onredelijk of onaanvaardbaar was, ook al was het ontbreken van een drempelwaarde deels te wijten aan moeizame onderhandelingen en de opstelling van de franchisenemers.
Wel oordeelde de rechtbank dat de franchisenemers zich niet als goed franchisenemer gedroegen door te weigeren opnieuw te onderhandelen over een drempelwaarde toen Albert Heijn hen daartoe uitnodigde. De rechtbank bepaalde daarom dat de franchisenemers het overleg over een drempelwaarde (voor toekomstige afgeleide formules) moesten voortzetten, los van het overleg over het daarmee niet samenhangende onderwerp.
Lees voor meer informatie over de zorgplicht van de franchisegever en de franchisenemer onze eerste blog in deze reeks.
Wanneer is het instemmingsrecht niet van toepassing?
Een belangrijke begrenzing is dat het instemmingsrecht uitsluitend geldt bij wijzigingen in lopende franchiseovereenkomsten. Wanneer een franchiseovereenkomst eindigt en partijen onderhandelen over een nieuwe franchiseovereenkomst met gewijzigde voorwaarden, is het instemmingsrecht in beginsel niet van toepassing. De franchisenemer heeft dan namelijk de vrijheid om de nieuwe overeenkomst niet te tekenen en dus niet aan de wijziging in de franchiseformule gebonden te zijn.
Dat betekent echter niet dat de franchisegever bij het aanbieden van een nieuwe franchiseovereenkomst volledig vrij is. Ook dan kan de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid een grens stellen aan gewenste wijzigingen door de franchisegever. Voorstelbaar is bijvoorbeeld dat aangepaste voorwaarden, zoals een gewijzigd vergoedingenstelsel, in een concreet geval onaanvaardbaar zijn als de impact daarvan zo groot is dat exploitatie van de franchiseformule onder die voorwaarden voor franchisenemers niet langer rendabel is.
Conclusie
Het instemmingsrecht is voor zowel franchisegevers als franchisenemers een belangrijk aandachtspunt bij wijzigingen in de franchiseformule. Wil een franchisegever bijvoorbeeld een financiële bijdrage verhogen, extra kosten doorbelasten of een vergelijkbare formule starten via een ander verkoopkanaal? Dan moet eerst worden beoordeeld of die wijziging financiële gevolgen kan hebben voor franchisenemers.
In de praktijk zijn vooral drie vragen bepalend:
- Is in de franchiseovereenkomst een drempelwaarde afgesproken?
Zo niet, dan kan instemming al nodig zijn bij beperkte financiële gevolgen.
- Gaat het om een wijziging tijdens een lopende overeenkomst of om aangepaste voorwaarden bij een nieuwe overeenkomst?
Het instemmingsrecht geldt in beginsel alleen bij wijzigingen tijdens de looptijd van de bestaande franchiseovereenkomst.
- Van wie is instemming nodig?
Dat kan de individuele franchisenemer zijn die door de wijziging wordt geraakt, of de meerderheid van de in Nederland gevestigde franchisenemers binnen dezelfde formule.
Voor franchisegevers betekent dit dat zij voorgenomen wijzigingen tijdig juridisch en commercieel moeten toetsen voordat zij die doorvoeren. Voor franchisenemers betekent dit dat zij alert moeten zijn op wijzigingen die kosten, investeringen of omzetverlies kunnen veroorzaken.
Kortom: duidelijke afspraken over drempelwaarden en een zorgvuldige beoordeling van voorgenomen wijzigingen kunnen discussie achteraf voorkomen.
Wijn & Stael beschikt over een gespecialiseerd franchiseteam dat zowel franchisegevers als franchisenemers bijstaat bij de totstandkoming, uitvoering en eventuele beëindiging van franchiserelaties. Heeft u vragen over het instemmingsrecht, het overeenkomen van een drempelwaarde of het beoordelen van een (voorgenomen) wijziging in de franchiserelatie? Neem dan gerust contact met ons op.