
Wat mag een voormalige franchisenemer nog doen nadat de franchiseovereenkomst is geëindigd? En hoe ver mag een franchisegever gaan om te voorkomen dat de franchisenemer direct concurrerende activiteiten begint na het einde van de franchiseovereenkomst? Die vragen spelen vaak juist op het moment dat de samenwerking al onder druk staat. Een goed geformuleerd postcontractueel non-concurrentiebeding kan dan veel discussie voorkomen, maar alleen als het voldoet aan de wettelijke vereisten. In dit vierde blog gaan we in op dit beding, bespreken we waaraan een non-concurrentiebeding moet voldoen en hoe de rechtspraak zich in de afgelopen jaren heeft ontwikkeld.
Wat is een postcontractueel non-concurrentiebeding?
Het postcontractuele non-concurrentiebeding regelt welke concurrerende activiteiten een franchisenemer na afloop van de franchiseovereenkomst mag ontplooien en welke beperkingen hieraan zijn verbonden. Met de invoering van de Wet franchise op 1 januari 2021 werd wettelijk geregeld aan welke vereisten een dergelijk beding moet voldoen.
De voorwaarden van een postcontractueel non-concurrentiebeding
Van belang is dat voor het vastleggen van een geldig postcontractueel non-concurrentiebeding aan vijf voorwaarden moet zijn voldaan:
- het beding moet schriftelijk zijn vastgelegd;
- het mag de voormalige franchisenemer alleen beperken in het uitvoeren van werkzaamheden die concurreren met goederen of diensten waarop de franchiseovereenkomst betrekking had;
- de maximale duur van het beding bedraagt één jaar na het einde van de franchiseovereenkomst;
- de geografische reikwijdte mag niet groter zijn dan het gebied waarbinnen de franchisenemer voorheen op basis van de franchiseovereenkomst de franchiseformule exploiteerde; en
- het beding is onmisbaar om de bescherming te garanderen van de door de franchisegever overgedragen knowhow.
Wanneer een franchisegever wil voorkomen dat een vroegere franchisenemer na afloop van de franchiseovereenkomst concurrerende activiteiten in hetzelfde gebied kan ontplooien, dan is een zorgvuldig geformuleerd postcontractueel non-concurrentiebeding essentieel. Niet alleen omdat daarin afspraken worden vastgelegd over de manier waarop knowhow wordt beschermd en concurrerende activiteiten beperkt kunnen worden, maar vooral vanwege de sanctie op het onjuist vastleggen van deze bepaling: voldoet het beding niet aan de wettelijke vereisten, dan is het beding nietig. Op dat moment geldt er geen beperking meer voor de voormalige franchisenemer.
De rechtspraak laat inmiddels zien dat een postcontractueel non-concurrentiebeding in de praktijk anders kan uitpakken dan partijen hadden voorzien.
Hoe concreet moet de reikwijdte van het non-concurrentiebeding zijn?
Anytime Fitness
Een interessante uitspraak over de noodzaak om de geografische reikwijdte schriftelijk en ondubbelzinnig in de overeenkomst vast te leggen, werd gegeven in het kort geding waarbij een franchisenemer een fitnessclub exploiteerde onder de naam Anytime Fitness (ECLI:NL:RBLIM:2023:6930). In de franchiseovereenkomst werd verwezen naar een bijlage met een kaart waarin de locatie en het beschermde gebied zouden moeten zijn vermeld. De bijlage bleek echter niet te zijn ingevuld, zodat voor partijen niet duidelijk was op welk gebied het postcontractuele non-concurrentiebeding van toepassing was.
In hoger beroep oordeelt het hof dat van de franchisegever als professionele organisatie mag worden verwacht dat zij ervoor zorg draagt dat de franchiseovereenkomst voldoet aan de wettelijke vereisten die met ingang van 1 januari 2023 gelden. Het feit dat de franchiseovereenkomst voor wat betreft de geografische reikwijdte niet voldoet aan dit vereiste, leidt ertoe dat het beding in de franchiseovereenkomst nietig is. De franchisegever kan de franchisenemer dan ook niet aan het postcontractuele non-concurrentiebeding houden (ECLI:NL:GHSHE:2024:3299).
Om een rechtsgeldig postcontractueel non-concurrentiebeding overeen te komen is het dus noodzakelijk dat de geografische reikwijdte van het beding voor beide partijen duidelijk in de franchiseovereenkomst is vastgelegd.
Wanneer is sprake van beschermenswaardige knowhow?
Een belangrijk kenmerk van een franchiseovereenkomst is dat de franchisegever knowhow aan de franchisenemer overdraagt. Wordt er geen knowhow overgedragen, dan kan dit betekenen dat de overeenkomst niet als franchiseovereenkomst wordt aangemerkt. Wanneer er wel knowhow wordt overgedragen, is de vraag of het postcontractuele non-concurrentiebeding noodzakelijk is voor de bescherming van de knowhow binnen de franchiseformule. Als dat niet het geval is, kan de franchisenemer zich op het standpunt stellen dat het postcontractuele non-concurrentiebeding nietig is.
Broodjeskar Houten
In de zaak waarbij een voormalige franchisenemer door de franchisegever werd aangesproken op de schending van het postcontractuele non-concurrentiebeding, stelt de franchisenemer zich (onder meer) op het standpunt dat er door de franchisegever geen knowhow zou zijn overgedragen (ECLI:NL:RBMNE:2023:7737).
Tussen partijen was in 2018 een franchiseovereenkomst gesloten voor de exploitatie van een broodjeskar. De franchiseformule bevond zich op dat moment nog in de opstartfase, waardoor er aanvullende afspraken zijn gemaakt over de betaling van de verschuldigde fees. Nadat de franchisegever de franchiseovereenkomst in 2022 had opgezegd vanwege het uitblijven van betaling van fees door de franchisenemer, zette de voormalige franchisenemer de exploitatie van de broodjeskar voort op dezelfde locatie met exact dezelfde broodjes en menukaart. De rechter toetst of is voldaan aan de definitie van knowhow, waarbij gekeken wordt of de gedeelde kennis en informatie kan worden gekwalificeerd als:
- geheim;
- wezenlijk; en
- geïdentificeerd.
De rechter heeft geoordeeld dat de franchisenemer onvoldoende heeft onderbouwd dat geen geheime, wezenlijke en geïdentificeerde informatie is verstrekt. Omdat de franchisegever het handboek heeft verstrekt en de franchisenemer dezelfde broodjes onder dezelfde nummers en benamingen heeft verkocht, neemt de rechter aan dat sprake is van overgedragen knowhow. De franchisenemer heeft niet concreet naar voren gebracht dat de receptuur en/of ingrediënten algemeen bekend waren of gemakkelijk verkrijgbaar, of dat de knowhow niet als zodanig volledig door franchisegever was beschreven. Met dat oordeel van de rechter had de franchisegever een belangrijke horde genomen. Als de rechter had geoordeeld dat geen knowhow was overgedragen, had dat kunnen betekenen dat de overeenkomst niet als franchiseovereenkomst kon worden gekwalificeerd. Door aan te nemen dat er wél knowhow door de franchisegever was overgedragen, kon de franchisegever een belang hebben bij de bescherming hiervan door middel van het postcontractuele non-concurrentiebeding. Omdat de voormalige franchisenemer op dezelfde plaats en volgens dezelfde recepturen broodjes was blijven verkopen, oordeelde de rechter dat voldoende vaststond dat het postcontractuele non-concurrentiebeding was geschonden. De rechter betrok in het oordeel ten slotte nog dat de franchisegever bij de opzegging van de overeenkomst de franchisenemer expliciet op het postcontractuele non-concurrentiebeding had gewezen. Door desondanks de exploitatie van de broodjeskar vrijwel ongewijzigd voort te zetten, heeft de franchisenemer welbewust of ernstig nalatig gehandeld, waardoor hij voldeed aan het verwijtbaarheidsvereiste uit het betreffende postcontractuele non-concurrentiebeding.
De les uit deze uitspraak is dat het van belang is duidelijk te beschrijven waaruit de geheime knowhow binnen de franchiseformule bestaat. Dit is noodzakelijk voor de kwalificatie van de overeenkomst als franchiseovereenkomst en voor de vraag of het postcontractuele non-concurrentiebeding onmisbaar is om de overgedragen knowhow te beschermen.


