
Wie een franchiseovereenkomst aangaat, denkt meestal niet direct na over de beëindiging daarvan. Maar wat als een franchisegever de samenwerking wil beëindigen, terwijl de franchisenemer nog investeringen wil terugverdienen? En wat als een franchisenemer juist wil stoppen, maar de franchiseovereenkomst daar niet duidelijk in voorziet? De beëindiging van een franchiseovereenkomst leidt in de praktijk regelmatig tot discussie. Daarbij gaat het niet alleen over de vraag óf kan worden opgezegd, maar ook over de opzegtermijn en een eventuele schadevergoeding. In deze blog bespreken wij wanneer een franchiseovereenkomst kan worden opgezegd en welke rol de redelijkheid en billijkheid daarbij spelen.
Er kunnen verschillende redenen zijn waarom een partij de franchiseovereenkomst tussentijds wil beëindigen. Denk aan tekortkomingen van een partij, het overlijden van de franchisenemer of het faillissement van een van de partijen. In een franchiseovereenkomst is daarom vaak een ontbindingsmogelijkheid opgenomen voor deze situaties. Toch kunnen ook persoonlijke overwegingen van de franchisenemer of koerswijzigingen van de franchisegever een reden opleveren om voortijdig met de samenwerking te willen stoppen. In die gevallen is het de vraag of en onder welke voorwaarden de overeenkomst tussentijds kan worden opgezegd.
Bij franchise ligt beëindiging van de samenwerking vaak gevoelig. De franchisenemer heeft meestal geïnvesteerd in een locatie, inrichting, personeel en lokale klantenkring. De franchisegever heeft op zijn beurt belang bij een goed functionerende formule uniforme exploitatie en voldoende ruimte om de keten te sturen. Die wederzijdse belangen maken dat opzegging van een franchiseovereenkomst zorgvuldig moet worden beoordeeld.
Hoe wordt een opzegging in de praktijk beoordeeld?
De opzegging van een franchiseovereenkomst is niet geregeld in de wet. De regels over opzegging van een franchiseovereenkomst worden daarom bepaald door de afspraken in de franchiseovereenkomst en door het juridisch kader dat geldt voor de opzegging van duurovereenkomsten. In dit juridisch kader hebben de redelijkheid en billijkheid een centrale rol. Zij kunnen extra verplichtingen opleggen aan de opzeggende partij of zelfs haar opzeggingsrecht beperken. Dit wordt ook wel de aanvullende werking respectievelijk de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid genoemd.
Aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid
De redelijkheid en billijkheid kunnen in uitzonderlijke gevallen meebrengen dat de opzeggende partij méér moet doen dan strikt genomen volgt uit de franchiseovereenkomst (ECLI:NL:HR:2018:141). Denk aan het hanteren van een (langere) opzegtermijn, het geven van een zwaarwegende reden of het betalen van een vergoeding. Voor een dergelijke aanvulling is alleen plaats als de franchiseovereenkomst een leemte bevat die moet worden opgevuld. Heeft de franchiseovereenkomst zelf al uitdrukkelijk een opzegtermijn bepaald, bijvoorbeeld één jaar, dan kan die termijn niet zonder meer via de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid worden verlengd (ECLI:NL:HR:2025:763).
Dat voor opzegging een voldoende zwaarwegende grond vereist is, komt slechts bij uitzondering voor. In de praktijk draait de discussie vaker om de opzegtermijn en de schadevergoeding. Een (te) korte opzegtermijn kan daarbij aanleiding geven tot een verdergaande schadevergoedingsplicht. De opzegtermijn en de schadevergoeding zijn in die zin communicerende vaten: hoe korter de opzegtermijn, hoe eerder een aanvullende vergoeding aan de orde kan zijn.
Een eventuele schadevergoeding is niet automatisch gelijk aan de winst die de franchisenemer of franchisegever zou hebben gemaakt als de overeenkomst was voortgezet. De vergoeding wordt bepaald door de redelijkheid en billijkheid (ECLI:NL:HR:2025:763). Daarbij kunnen onder meer de volgende omstandigheden een rol spelen:
- in hoeverre de franchisenemer voor zijn omzet afhankelijk is van de franchiseformule;
- welke investeringen nog niet zijn terugverdiend;
- of de franchisenemer voldoende tijd heeft gehad om zijn onderneming aan te passen;
- of de franchisegever voldoende tijd heeft gehad om op het vertrek van de franchisenemer te anticiperen;
- welke kosten nodig zijn om de bedrijfsvoering om te schakelen;
- hoe lang de franchiserelatie heeft geduurd.
De opgezegde partij wordt dus niet gecompenseerd voor alle nadelige gevolgen van de opzegging. Verbreking van de franchiserelatie behoort tot op zekere hoogte tot het ondernemersrisico. De schadevergoedingsplicht dient er vooral toe de opgezegde partij financieel in staat te stellen haar bedrijfsvoering aan de gevolgen van de opzegging aan te passen. Met name de kosten die dáármee gepaard gaan, komen voor vergoeding in aanmerking. Daarnaast kan worden gedacht aan de onderhandelings- of administratiekosten en investeringen die op verzoek of instructie van de opzeggende partij zijn gedaan en nog niet zijn terugverdiend.


