
Bij het mogelijk maken van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is een activiteit regelmatig in strijd met de (beoordelings-)regels uit het omgevingsplan. In dat geval kan ervoor worden gekozen om een omge-vingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (“BOPA”) aan te vragen.
In het laatste deel van onze 3-delige webinarreeks over de omgevingsvergunning voor een BOPA bespraken wij onder meer participatie tijdens het aanvraagtraject, het kostenverhaal en aanvraagvereisten bij de aanvraag van een omgevingsvergunning. Wij zetten een aantal vragen uit de webinar met antwoord op een rij.
1. Op welke wijze kunnen andere bestuursorgaan betrokken zijn bij een BOPA?
De Omgevingswet schrijft voor dat het bevoegd gezag in bepaalde gevallen advies moet vragen voor het een omgevingsvergunning voor een BOPA verleent. Soms is er ook instemming van dat adviesorgaan nodig voor het nemen van een besluit. De volgende varianten van betrokkenheid kunnen worden onderscheiden:
1.1 Niet-bindend advies
Het niet-bindend advies is -zoals de naam als doet vermoeden – een vorm van advisering waarbij het college van B&W niet gebonden is aan het verstrekte advies. Hierbij kan worden gedacht aan een advies van een monumentencommissie. Concreet betekent dit dat het college van B&W van het advies mag afwijken, maar wel zorgvuldig moet motiveren als wordt afgeweken. Het college van B&W is in de wet (maar soms ook omgevingsplan of omgevingsverordening) aangewezen gevallen verplicht om advies te vragen en bepaalt hierbij zelf de (redelijke) termijn waarbinnen het advies moet worden uitgebracht. Verstrijkt de termijn zonder dat de adviseur een advies heeft gegeven? Dan mag het college van B&W zonder advies besluiten op de aanvraag.
1.2 Verzwaard advies
De gemeenteraad kan categorieën BOPA’s aanwijzen waarvoor zij een verplichte adviseur is en waarop het verzwaard adviesrecht van toepassing is. Van een verzwaard advies mag niet worden afgeweken. Bij een negatief advies mag het college van B&W hier niet van afwijken en moet de omgevingsvergunning worden geweigerd.
1.3 Instemming
Sommige bestuursorganen of instanties hebben naast het adviesrecht ook een instemmingsrecht. Het is dus een adviesrecht én instemming. Als instemming is vereist, stuurt het college van B&W, na ontvangst van het advies en verwerken daarvan in het conceptbesluit, het conceptbesluit naar het bestuursorgaan met het instemmingsrecht. Vervolgens moet binnen 4 weken al dan niet met het conceptbesluit worden ingestemd. Bij instemming wordt de termijn van de reguliere voorbereidingsprocedure verlengd met 4 weken. De termijn van de uitgebreide voorbereidingsprocedure wordt niet verlengd. Geen instemming binnen de termijn? Dan mag het college van B&W (nog) geen besluit nemen; de instemming (of de weigering om in te stemmen) moet worden afgewacht, ook als dit betekent dat daardoor de beslistermijn wordt overschreden.
2. Kan het zo zijn dat je meerdere omgevingsvergunningen nodig hebt voor hetzelfde project en, zo ja, hoe wordt omgegaan met beoordelingsregels voor die verschillende activiteiten?
Onder de Omgevingswet kan het zo zijn dat voor één project omgevingsvergunningen voor meerdere activiteiten nodig zijn. Zo kan het zijn dat voor het uitvoeren van een bepaalde bedrijfsactiviteit, zowel een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (“MBA”) als voor een BOPA nodig is, omdat de bedrijfsactiviteit een vergunningplichtige MBA is én in strijd is met het omgevingsplan. De beoordelingsregels voor die twee omgevingsvergunningen gelden onverkort; je moet dus aan álle beoordelingsregels voldoen. Dit geldt ook als de beoordelingsregels in elkaars verlengde liggen of afwijken van elkaar.
3. Wanneer moeten voorschriften aan een omgevingsvergunning verbonden worden?
Aan een omgevingsvergunning moeten de voorschriften worden verboden die nodig zijn gelet op het belang dat wordt gediend met de beoordelingsregels voor die omgevingsvergunning. Voor een omgevingsvergunning voor een BOPA geldt dus dat alleen voorschriften worden verbonden die gericht zijn op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4. Wanneer kan een omgevingsvergunning voor een BOPA worden ingetrokken?
Een omgevingsvergunning voor een BOPA kan worden ingetrokken als voor de verkrijging van de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens zijn opgegeven, als gevolg van een negatieve toetsing onder de Wet Bibob, als de omgevingsvergunning een jaar niet wordt gebruikt of als een weigeringsgrond van toepassing is. Het al dan niet intrekken op deze gronden is geen verplichting, maar een keuze van het college van B&W. Het is dan ook geen intrekking/verjaring van rechtswege. Door verschillende gemeenten wordt hier ook beleid op gevoerd. Voordat een vergunning wordt ingetrokken, zal de vergunninghouder worden gevraagd om zijn zienswijze op de intrekking. Een vergunning mag alleen worden ingetrokken als de vergunningvoorschriften niet gewijzigd kunnen worden (dus de minder vergaande optie).
5. Wat houdt de actualiseringsplicht voor een BOPA in?
Nadat een omgevingsvergunning voor een BOPA is verleend, moet de gemeente nog aan de slag: de omgevingsvergunning moet namelijk binnen 5 jaar in het omgevingsplan worden verwerkt. Zo wordt het omgevingsplan actueel gehouden en wordt (hopelijk) voorkomen dat onduidelijkheid zal ontstaan over welke activiteiten al dan niet zijn toegestaan. Deze actualiseringsplicht geldt alleen voor een voortdurende omgevingsplanactiviteit, die bestaat uit het in stand houden van een bouwwerk of niet in overeenstemming is met een aan een locatie toegedeelde functieaanduiding. Het geldt dus bijvoorbeeld niet voor een tijdelijke omgevingsvergunning, zoals het tijdelijk oprichten van een schuur, of voor een omgevingsvergunning voor het kappen van bomen. De actualiseringsplicht gaat pas gelden ná de overgangsfase, vanaf 1 januari 2032.
Als een omgevingsvergunning voor een voortdurende BOPA niet inpasbaar is in het omgevingsplan (bijvoorbeeld wegens strijd met een instructieregel), moet de vergunning worden ingetrokken. Dit is een harde verplichting en geen keuze van het college van B&W.

