
Bij het mogelijk maken van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is een activiteit regelmatig in strijd met de (beoordelings-)regels uit het omgevingsplan. In dat geval kan ervoor worden gekozen om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (“BOPA”) aan te vragen.
In deel I van onze 3-delige webinarreeks over de omgevingsvergunning voor een BOPA bespraken wij onder meer de toepassing, procedure en beoordeling van de BOPA. Ook stonden wij uitgebreid stil bij het criterium ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (“ETFAL”) en kwam de nieuwste rechtspraak over dit criterium aan bod. Wij zetten een aantal vragen uit de webinar met antwoord op een rij.
1. Van welke regels kan worden afgeweken?
Met een omgevingsvergunning voor een BOPA kan worden afgeweken van de regels in het omgevingsplan voor zover die regels zijn gesteld met het oog op ETFAL. Dit geldt zowel voor het tijdelijke deel[1] als het nieuwe deel van het omgevingsplan. Een omgevingsplan heeft echter een ruimer bereik dan een omgevingsvergunning voor een BOPA, waardoor het omgevingsplan niet alleen maar regels bevat die zijn gericht op ETFAL. Dit betekent dat het van belang is om een onderscheid te maken van welk ‘soort’ regel uit het omgevingsplan wordt afgeweken. In het kader van deze beoordeling is het van belang om een aantal categorieën regels te onderscheiden:
- regels uit (oude) ruimtelijke plannen
Zijn meestal gericht op ETFAL. Afwijken met een omgevingsvergunning voor een BOPA is mogelijk. - regels uit de bruidsschat
Een groot deel van deze regels zijn gericht op ETFAL. Dit geldt bijvoorbeeld voor milieuregels (zoals regels over geurnormen en de afstand tot een geurgevoelig object). Voor dat deel van de regels geldt dat het mogelijk is om van het omgevingsplan af te wijken met een omgevingsvergunning voor een BOPA voor zover die omgevingsvergunning ook gericht is op ETFAL. - regels uit verordeningen
Als de regels uit (voormalige) verordeningen onderdeel zijn geworden van het omgevingsplan, zijn deze regels meestal gericht op ETFAL en kan dus van de regels worden afgeweken met een omgevingsvergunning voor een BOPA. Voor verordeningsregels die niet worden omgezet naar het omgevingsplan geldt dat deze regels niet zien op de fysieke leefomgeving. Het is niet mogelijk om van deze regels af te wijken met een omgevingsvergunning voor een BOPA
2. Wanneer kan een BOPA worden verleend?
Een omgevingsvergunning voor een BOPA kan slechts worden verleend voor activiteiten die concreet afgebakend zijn en enkel gericht zijn op ETFAL. Een activiteit is concreet afgebakend als het beoogde project zich in mate van concreetheid onderscheidt van de normering neergelegd in een omgevingsplan. De aanvraag moet gericht zijn op een concreet voorgenomen gebruik van een bepaalde locatie en niet op een algemene regeling. Dat meermaals achter elkaar een afwijking wordt vergund met een omgevingsvergunning voor een BOPA, betekent niet dat een BOPA niet meer mag worden verleend en moet worden gekozen voor een omgevingsplanwijziging.[2] Bij ETFAL gaat het om een locatiegerichte benadering, waarbij de schaarse fysieke ruimte op een zo goed mogelijke wijze wordt verdeeld, ingericht en benut. Dit is een open norm; er is geen exacte afbakening van wat onder ETFAL valt. Uit de rechtspraak kan worden afgeleid dat onder ETFAL in ieder geval parkeren, verkeer, water, sociale veiligheid en overlast, geluid, woon- en leefklimaat, brandveiligheid, trillingen, natuur, luchtkwaliteit, bodem, geur, locatiekeuze en de effecten voor toerisme (kunnen) vallen.[3] Het bevoegd gezag komt beleidsruimte toe bij het bepalen van de vraag of sprake is van ETFAL. De bestuursrechter toetst terughoudend. Verder spelen instructieregels, maatwerkregels en voorbeschermingsregels een rol bij de beoordeling van de aanvraag.

