
Bij reorganisaties is vaak een rol weggelegd voor de ondernemingsraad. Dit geldt ook wanneer het reorganisatiebesluit op hoger, bijvoorbeeld internationaal, niveau wordt genomen. Heeft de reorganisatie grensoverschrijdende consequenties, dan kan tevens de Europese Ondernemingsraad een rol spelen. In deze blog lichten wij de rol van deze verschillende ondernemingsraden toe.
Adviesrecht bij een reorganisatie
De ondernemingsraad heeft op grond van artikel 25 Wet op de ondernemingsraden adviesrecht bij reorganisatie als sprake is van:
- beëindiging van de werkzaamheden van (een belangrijk onderdeel van) de onderneming,
- belangrijke inkrimping, uitbreiding of andere wijziging van de werkzaamheden,
- belangrijke wijziging in de organisatie van de onderneming,
- het doen van een belangrijke investering ten behoeve van de onderneming,
- het inschakelen en formuleren van een adviesopdracht aan een externe deskundige over een van de hiervoor genoemde onderwerpen.
Indien één van deze situaties zich voordoet, moet de ondernemer de ondernemingsraad tijdig om advies vragen voordat een besluit wordt genomen. Daarbij is de ondernemer verplicht een schriftelijk overzicht te verstrekken van:
- de beweegredenen voor de reorganisatie,
- de gevolgen van de reorganisatie voor het personeel (waaronder welke functies vervallen),
- en de voorgenomen maatregelen ter opvang van deze gevolgen, zoals een sociaal plan.
Besluitvorming op concernniveau: ook dan adviesrecht voor de Nederlandse ondernemingsraad
Ook als een reorganisatiebesluit door het (internationale) moederbedrijf wordt genomen, blijft het adviesrecht van de Nederlandse ondernemingsraad van kracht. De Nederlandse ondernemer dient dan advies te vragen aan de ondernemingsraad over gevolgen voor de Nederlandse onderneming, waarover de Nederlandse ondernemer in de meeste gevallen beslisruimte heeft. Uit de rechtspraak blijkt dat de ondernemer bij de voorbereiding van dat besluit de belangen van de Nederlandse onderneming zelfstandig moet beoordelen en afwegen tegen het concernbelang, en aan de ondernemingsraad inzicht moet geven in die specifieke belangenafweging. Een algemene verwijzing naar de concernstrategie is onvoldoende: de ondernemingsraad moet inzicht krijgen in deze belangenafweging en kunnen beoordelen of het belang van de Nederlandse vennootschap daadwerkelijk is meegewogen. Rechtspraak maakt duidelijk dat de concernstrategie zwaar kan wegen, maar nooit doorslaggevend mag zijn zonder een zelfstandige nationale afweging. De ondernemer dient alternatieven in beeld te brengen en de motivering expliciet toe te lichten richting de ondernemingsraad.

