Publicatie
08-03-2022

Twee jaar WAMCA, een kwantitatieve analyse

U kunt deze publicatie ook hier downloaden: Twee Jaar WAMCA

Sinds 1 januari 2020 is het in Nederland mogelijk om via de wet afwikkeling massaschade, de "WAMCA", in collectieve acties schade te verhalen. Na twee jaar WAMCA is het tijd om de balans op te maken. Wat heeft de invoering van de WAMCA ons tot op heden gebracht? Hoeveel collectieve vorderingen zijn er onder de WAMCA ingediend en om wat voor soort vorderingen gaat het? Zijn het vooral Nederlandse ondernemingen die zich moeten verweren tegen de ingestelde vorderingen of ook buitenlandse ondernemingen? Hoeveel vorderingen zijn extern gefinancierd en tegen welke vergoeding? Hoeveel vorderingen zijn er tot op heden toe- of afgewezen? Wat kunnen we nog van de WAMCA verwachten voor de komende jaren, als we kijken naar de cijfers die we nu beschikbaar hebben? Deze en andere vragen worden in dit artikel beantwoord aan de hand van een kwantitatieve analyse. Periodiek zal deze kwantitatieve analyse worden geüpdatet, waarbij in de toekomst trends inzichtelijk zullen worden gemaakt.

Door Joeri Klein (Deminor) en Koen Rutten (Wijn & Stael Advocaten)

1. Inleiding

Met de inwerkingtreding van de WAMCA op 1 januari 2020 kent Nederland één regime voor het instellen van collectieve schadevergoedingsvorderingen. Belangenorganisaties, verenigingen of stichtingen kunnen op grond van de WAMCA opkomen voor de in de statuten opgenomen belangen van bepaalde groepen (rechts)personen of een algemeen belang. In gevallen van massaschade kan worden geprocedeerd voor schadevergoeding, maar ook nog steeds enkel voor een verklaring voor recht.

De WAMCA lijkt op verschillende punten sterk op de Amerikaanse class action. Zo wordt er net als in Amerika een lead plaintiff aangesteld (de exclusieve belangenbehartiger) indien er verschillende belangenorganisaties met elkaar concurrerende vorderingen instellen en is er ook sprake van een ontvankelijkheidstoets die overeenkomsten heeft met de Amerikaanse motion to dismiss. Net zoals de Amerikaanse class actions maakt de WAMCA gebruik van een “opt-out” systeem waarbij gedupeerden zich middels een verklaring aan de procedure kunnen onttrekken.

Mede daarom bestond (en bestaat) er onder sommigen de angst dat de invoering van de WAMCA tot “Amerikaanse toestanden” kan leiden. Hiermee wordt, terecht dan wel onterecht, gedoeld op een “claimcultuur” waarbij claimanten, hierbij eventueel aangespoord door externe procesfinanciers, lichtvaardig en al te gemakkelijk kunnen procederen met enorme schadevergoedingen als inzet voor kwesties waarvoor zij zonder de WAMCA nimmer zelf hadden geprocedeerd. Dit zou dan ten koste gaan van de (concurrentie-)positie van de aangesproken partijen ten opzichte van hun concurrenten die gevestigd zijn in jurisdicties met een minder gunstig (collectief) procesrecht voor gedupeerden. Een ander geluid was (en is) dat met de inwerkingtreding van de WAMCA het rechterlijke apparaat overbelast zou raken.

De WAMCA stelt echter strikte eisen aan belangenorganisaties die op grond van deze wet een collectieve actie instellen. De belangenorganisatie moet bijvoorbeeld voldoende representatief zijn waar het aankomt op de belangen die zij pretendeert te vertegenwoordigen. Daarnaast gelden er eisen die zien op de governance van de belangenorganisatie, publiciteitsvereisten en dient de belangenorganisatie te beschikken over afdoende ervaring, deskundigheid en expertise ten aanzien van de belangen die worden behartigd en de financiering van de belangenorganisatie. Deze strikte eisen zijn enerzijds gericht op de waarborging van de belangen van de door de belangenbehartiger vertegenwoordigde gedupeerden, maar anderzijds ook om de aangesproken partij te beschermen tegen ongefundeerde of lichtvaardig ingestelde massaclaims.

Na twee jaar WAMCA, is het tijd om de balans op te maken. Heeft de WAMCA tot een enorme hoeveelheid collectieve vorderingen geleid in Nederland? Hoeveel vorderingen zijn er onder de WAMCA ingediend en om wat voor soort vorderingen gaat het? Wie zijn de verwerende partijen? Zijn dit vooral Nederlandse ondernemingen of ook buitenlandse ondernemingen? Hoeveel van deze vorderingen zijn gefinancierd door procesfinanciers en tegen welke vergoeding? Hoeveel ingestelde vorderingen zijn er ondertussen onder de WAMCA toe- of afgewezen? Wat kunnen we verder nog van de WAMCA verwachten voor de komende jaren, als we kijken naar de cijfers die thans tot onze beschikking staan?

Deze vragen en andere worden hierna beantwoord aan de hand van een kwantitatieve analyse. Hierbij is gebruik gemaakt van de informatie uit het ”Centraal register voor collectieve vorderingen” zoals dat bijgewerkt was tot 31 december 2021 .[1] In section 3, further clarification is given on how the figures can be interpreted. In paragraaf 3 wordt nadere duiding gegeven aan hoe de cijfers geïnterpreteerd kunnen worden.

Op verzoek kan de volledige kwantitatieve analyse, die de basis vormt voor dit artikel en ook nog aanvullende data en informatie bevat, worden toegestuurd.

2.Kwantitatieve analyse

2.1 Aantal ingediende vorderingen
In de periode 1 januari 2020 – 31 december 2021 zijn er in totaal 54 collectieve vorderingen onder de WAMCA ingediend en ingeschreven in het Centraal register voor collectieve vorderingen. Van deze 54 collectieve vorderingen werden er 18 in 2020 ingediend en 36 in 2021. We zien dus verdubbeling van het aantal vorderingen in het tweede jaar na de inwerkingtreding van de WAMCA.

DEM1_220308_112058.png#asset:9134

Bij het totale aantal van 54 collectieve vorderingen dient echter wel een aantal relativerende kanttekeningen te worden gemaakt.

Van de 54 ingediende collectieve vorderingen, zijn 2 collectieve vorderingen hoger beroepprocedures van eerder afgewezen vorderingen. Bij 11 ingediende vorderingen gaat het om met elkaar concurrerende vorderingen van verschillende belangenorganisaties en waarbij nog geen exclusieve belangenbehartiger is aangesteld. Zo geldt voor de WAMCA- procedures tegen Daimler, Renault en TikTok dat er telkens drie verschillende belangenorganisaties met elkaar concurrerende vorderingen hebben ingesteld. Voor de procedure tegen Airbnb gaat het om twee verschillende belangenorganisaties die met elkaar concurrerende vorderingen hebben ingediend.

Kortom, van de in totaal 54 ingediende collectieve vorderingen gaat het in feite om 45 op zichzelf staande kwesties, 2 van de ingediende collectieve vorderingen zijn immers hoger beroepsprocedures en van de 11 ingediende met elkaar concurrerende vorderingen zullen er slechts 4 procedures overblijven als een exclusieve belangenbehartiger is aangewezen.

2.2 Aantal gestarte collectieve procedures waarin een eindvonnis is gewezen
In slechts een beperkt aantal, namelijk 9, van de gestarte collectieve procedures heeft de rechtbank in eerste aanleg al een eindvonnis gewezen. In 8 gevallen gaat het om een afwijzend oordeel en in slechts 1 geval gaat het om een toewijzend oordeel. Een afwijzend oordeel kan een niet-ontvankelijk verklaring, afwijzing van de vordering of een gemengd oordeel inhouden.

2.3 Concurrerende vorderingen
Zoals in paragraaf 2.1 is aangegeven, hebben verschillende belangenorganisaties 11 met elkaar concurrerende WAMCA-vorderingen ingediend. Bij de collectieve vorderingen tegen Daimler en Renault gaat het om Stichting Diesel Emissions Justice, Stichting Car Claim en Stichting Emission Claim. Dit zijn drie stichtingen die elk afzonderlijk opkomen voor de belangen van (voormalig) eigenaren van dieselauto’s en vorderingen hebben ingesteld naar aanleiding van beweerdelijk geleden schade door sjoemelsoftware in dieselauto’s.

De collectieve vorderingen tegen TikTok zien, kort gezegd, op de beweerdelijke schade die gebruikers van de TikTok-app hebben geleden wegens schending door TikTok van de Algemene Verordening Gegevensbescherming en andere wet- en regelgeving. Zowel Stichting Onderzoek Marktinformatie, Stichting Take Back Your Privacy en Stichting Massaschade & Consument komen op voor de belangen van de gedupeerde gebruikers van de TikTok-app en zijn een collectieve procedure tegen TikTok gestart. Stichting Massaschade & Consument is ook een collectieve procedure gestart tegen Airbnb en is gevolgd door Stichting Aequitas Belangenbehartiging.

In deze collectieve procedures zal de rechtbank één belangenorganisatie als exclusieve belangenbehartiger aanwijzen. Hierover is echter nog geen beslissing genomen. Het is thans niet mogelijk om vast te stellen welke aspecten de rechtbank zwaar(der) zal laten wegen in de afweging bij de aanwijzing van de exclusieve belangenbehartiger.

2.4 Gedaagde partijen
Als het op de gedaagde partijen aankomt, zien we de volgende aantallen ingediende vorderingen in de volgende categorieën.

DEM2.png#asset:9132
DEM3.png#asset:9131

Van het totaal van de ingediende collectieve vorderingen, zijn er dus 18 ingediend tegen (onder andere) buitenlandse gedaagden. Kortom, een derde van het totaal aantal ingediende vorderingen. In 7 gevallen gaat het om collectieve vorderingen waarbij geen enkele Nederlandse partij is gedaagd, maar de claim is ingesteld tegen één of meerdere buitenlandse gedaagde(n). Het gaat bij die 7 gevallen om Airbnb Ireland UC (2 vorderingen), Apple Distribution International Ltd. (1 vordering), Tiktok Technology Limited en daaraan gelieerde ondernemingen (3 vorderingen) en één andere buitenlandse gedaagde.

Van de 16 vorderingen tegen de Nederlandse Staat, hebben 4 vorderingen betrekking op Covid-maatregelen, 10 vorderingen hebben betrekking op kwesties gerelateerd aan het algemeen belang en mensenrechten en 2 vorderingen zien op andere kwesties.

Van de 8 collectieve vorderingen tegen natuurlijke personen, heeft Stichting Brein 7 van deze procedures opgestart en die procedures hebben betrekking op online inbreuken op intellectuele eigendomsrechten. Stichting Brein komt op voor de belangen van de aangeslotenen wier auteursrechten bescherming behoeven.

Een diepgaandere analyse van de gedaagden in de verschillende procedures laat verder zien dat soms ook natuurlijke personen of relatief kleinere ondernemingen in WAMCA-procedures worden gedagvaard. Doordat middels een in WAMCA-procedure schadevergoeding voor de gehele groep van vertegenwoordigde gedupeerden kan worden gevorderd, zien zij zich geconfronteerd met vorderingen van een aanzienlijk grotere omvang dan onder het oude regime het geval zou zijn geweest. Dit kan problematisch zijn, omdat de liquiditeitspositie van- en de mogelijkheden voor dergelijke natuurlijke personen of kleinere ondernemingen om nieuw kapitaal aan te trekken, zeker in vergelijking met grotere (beursgenoteerde) ondernemingen, meestal beperkter zijn. Daarnaast is het ook de verwachting dat de kosten voor verweer in een WAMCA-procedure gemiddeld genomen hoger zullen liggen dan in vergelijking met een procedure onder het oude regime. De met het verweer gepaard gaan kosten zullen dan ook voor deze natuurlijke personen of kleinere ondernemingen sneller problematisch uitpakken dan voor grotere, kapitaalkrachtigere ondernemingen.

2.5 Categorieën procedures waarop de ingediende vorderingen zien
Als we kijken naar de aard van de belangen waarvoor de belangenorganisaties opkomen in de collectieve procedures, valt de volgende onderverdeling te maken:

DEM4.png#asset:9130


2.6 Extern gefinancierde vorderingen, financiers en percentages
Van de 54 ingediende vorderingen, worden er 15 gefinancierd door externe financiers. Niet alleen procesfinanciers als Innsworth, Omni Bridgeway, IVO Capital en Vannin Capital, maar ook Amerikaanse advocatenkantoren zoals Whitfield, Bryson & Mason LLP, Greg Coleman Law PC, Hagens Berman Sobol Shapiro LLP en de Nederlandse Consumentenbond financieren de collectieve procedures. Daarnaast financieren verschillende “special purpose vehikels” een aantal collectieve procedures waarbij het niet mogelijk is om vast te stellen wie de financier achter de SPV is.

De externe financiers vragen als vergoeding in alle gevallen een percentage van het behaalde resultaat, soms vermeerderd met (een deel van) de gemaakte kosten.

De externe financiers hanteren verschillende vergoedingsstructuren. Een aantal financiers hanteert een vast percentage in geval van succes en andere financiers werken met een staffel waarbij het percentage dat wordt toegepast afhankelijk is van het behaalde resultaat.

Het laagste percentage is (onder bepaalde voorwaarden) 10% van het resultaat, het hoogste percentage is 27,5%. In de meeste gevallen gaat het om een bedongen vergoeding van 25% voor de procesfinancier.

Wat tenslotte opvalt, is dat van de 15 extern gefinancierde procedures het in 10 gevallen gaat om verschillende belangenorganisaties die dezelfde vorderingen hebben ingediend tegen Daimler, Renault, TikTok en Airbnb. Kortom, er is een relatief hoge mate van concurrentie op extern gefinancierde procedures. Er kunnen verschillende verklaringen voor dit fenomeen zijn, waarop in par. 3.5 dieper wordt ingegaan.

3.Interpretatie cijfers en vooruitblik

3.1 Verwachte toename van WAMCA-procedures in 2022
Zoals hierboven in par. 2.1 is beschreven, is het aantal WAMCA-procedures in het tweede jaar na inwerkingtreding van deze wet (al) verdubbeld. Indien deze trend zich voortzet en het aantal gestarte procedures opnieuw verdubbelt, dan zullen in het derde jaar na de inwerkingtreding van de WAMCA (2022) 72 procedures worden gestart. Het is echter niet reëel dat deze exponentiele groei zich doorzet. De verwachting is wel dat de komende jaren er meer collectieve procedures zullen worden [op]gestart, zodra de werking van de nieuwe wet meer is uitgekristalliseerd. Wanneer de groei van het aantal WAMCA-procedures afvlakt, staat evenwel niet vast.

Tevens is het aannemelijk dat met het voortschrijden van de tijd nieuwe procedures veelal op grond van de WAMCA worden gestart en niet meer op grond van art. 3:305a BW (oud). Indien de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan de collectieve vordering doorlopen tot na 15 november 2016 of plaats vonden na die datum, is sowieso de nieuwe wet al van toepassing.

Hoewel collectieve procedures leiden tot een efficiënte en effectieve afwikkeling van massaschade, is het de vraag of procedures op grond van de WAMCA voor de rechterlijke macht beheersbaar zijn (manageability). Hoewel het de verwachting is dat de ingestelde WAMCA-procedures voorde rechterlijke macht beter beheersbaar zullen zijn dan honderden of soms duizenden individuele procedures, is het wel de vraag hoeveel WAMCA-procedures het Nederlands rechtssysteem kan verwerken. Verder is het ongewis wat een verdere toename van het aantal WAMCA-procedures zal doen met de doorlooptijden van deze procedures. Indien de WAMCA een succes voor gedupeerden blijkt te zijn, zal dat naar verwachting tot gevolg hebben dat individuele vorderingen van (veelal) consumenten steeds vaker in collectief verband aan de rechter zullen worden voorgelegd. Dit heeft een grotere belasting van het rechterlijk apparaat tot gevolg. Die belasting lijkt zich vooralsnog te concentreren bij de rechtbank Amsterdam en de rechtbank Den Haag. Het is niet inzichtelijk of deze rechtbanken voldoende zijn uitgerust om een groter aantal collectieve procedures, ook mede gelet op de complexiteit van deze procedures, binnen redelijke termijn te verwerken. De vraag dringt zich dan ook op of de effectiviteit van WAMCA-procedures in de praktijk kan worden gegarandeerd. Het zou spijtig zijn als de WAMCA-procedure aan haar eigen succes ten ondergaat. De politiek zal derhalve voldoende middelen beschikbaar moeten stellen, zodat rechtbanken binnen redelijke termijn kunnen beslissen in WAMCA-procedures.

3.2 Categorieën WAMCA-procedures
Aangezien we geen onderzoek hebben gedaan naar het aantal collectieve procedures dat vóór 2020 aanhangig is gemaakt en in welke categorieën die zijn onder te brengen, ligt de focus in de volgende paragrafen enkel op collectieve procedures die zijn gestart sinds de invoering van de WAMCA.

Dat de meeste procedures die in 2020-2021 op grond van de WAMCA zijn gestart (13 in totaal, zie par. 2.5) betrekking hebben op schending van het “algemeen belang” of mensenrechten, wekt geen verbazing. Deze procedures zijn veelal gestart door belangenorganisaties die reeds voor 2020 bestonden en actief waren. Die organisaties hadden bij de invoering van de WAMCA al de kennis, ervaring en financiële middelen om collectieve procedures te starten. Daarbij speelt ook mee dat deze onderwerpen kunnen rekenen op belangstelling vanuit de maatschappij.

Het grote aantal collectieve procedures (11 in totaal) dat betrekking heeft op de bescherming van consumenten, verrast ook niet. Enerzijds hebben individuele consumenten vaak een relatief kleine vordering waardoor enkel collectief procederen een uitkomst biedt gezien de kosten van een individuele procedure. Anderzijds hebben consumenten ook de behoefte aan de ondersteuning van een professionele belangenorganisatie, nu zij zelf de kennis en ervaring missen waar het aankomt op procederen.

Een gedeelde nummer twee positie wordt ingenomen door vorderingen die zien op (inbreuken op) intellectuele eigendom(srechten) & namaakbestrijding (11 in totaal). Wat opvalt is dat van de 11 ingestelde vorderingen er 10 door één en dezelfde stichting werden ingesteld, namelijk Stichting Brein. Stichting Brein is daarmee de meest actieve belangenorganisatie die WAMCA-procedures heeft ingesteld. Stichting Brein behartigt de belangen van auteurs, uitvoerend kunstenaars, uitgevers, producenten, maar ook van distributeurs van onder andere muziek, films, boeken, en interactieve software.

Op de vierde plaats staan acties op het vlak van arbeidsrecht (8 in totaal). Deze werden voornamelijk door vakbonden ingesteld. Dat vakbonden ook voor 2020 procedures hebben gestart waarin zij opkwamen voor het collectieve belang van werknemers is bekend. Wij hebben niet onderzocht of in 2020-2021 het aantal procedures dat door vakbonden is gestart – dat waren er 6 – is toegenomen ten opzichte van vóór 2020.

Wat opvalt is dat in de periode 2020-2021 nog geen collectieve procedures over de schending van milieuwetgeving en letselschade aanhangig zijn gemaakt. Evenmin zijn procedures door aandeelhouders wegens het verspreiden van misleidende informatie gestart (zgn. “securities litigation”). Indien dit soort collectieve procedures ook worden gestart in de nabije toekomst, wat de redelijke verwachting is dat zal gebeuren, zal dat mede leiden tot de verwachte toename van het aantal WAMCA-procedures zoals hiervoor besproken (par. 3.1).

3.3 Weinig eindvonnissen ten opzichte van aantal ingediende vorderingen
Bij slechts 9 van de ingediende collectieve vorderingen, aldus par. 2.2, heeft de rechtbank thans een eindvonnis in eerste aanleg gewezen. Het gaat hier telkens om ‘algemeen belang’ acties. Waarschijnlijk heeft de rechtbank deze vorderingen sneller kunnen behandelen, omdat ingevolge art. 3:305a lid 6 Burgerlijk Wetboek niet aan de ontvankelijkheidsvereisten van art. 3:305a lid 2 sub a - e Burgerlijk Wetboek hoeft te worden getoetst. Dat vereenvoudigt de procedure en voorkomt vertraging.

Tegen de achtergrond van de verwachte toename van het aantal collectieve procedures (zoals hiervoor besproken), dringt de vraag zich op of een collectieve procedure onder de WAMCA effectief is in die zin dat binnen redelijke termijn een eindvonnis kan worden verwacht. In dit kader is ook relevant wat dan zou moeten als gelden als een “redelijke termijn” waarbinnen rechtbanken tot een beslissing zouden moeten komen in een procedure onder de WAMCA. Dat de doorlooptijd van een dergelijke procedure, door de extra processtappen, langer zal zijn dan een normale individuele procedure, zal niet verbazen. Indien een dergelijke procedure echter leidt tot een verdubbeling van de doorlooptijd, wat niet zou mogen wat ons betreft, dan zou dit afbreuk doen aan een effectieve toegang en vertrouwen in de rechtspleging. Dat zou (met name) de politiek moeten voorkomen door voldoende middelen en mankracht aan de rechterlijke macht ter beschikking te stellen om de WAMCA-procedures voortvarend te kunnen behandelen.

3.4 Buitenlandse gedaagden
Dat een derde van alle procedures die in 2020-2021 zijn ingeschreven in het Centraal register voor collectieve vorderingen tegen onder andere buitenlandse gedaagden zijn gestart, is niet bijzonder hoog.

Buitenlandse gedaagden, zoals TikTok, Airbnb en Apple, zijn wereldwijd opererende bedrijven die diensten en/of producten in Nederland aanbieden en welke diensten ook door Nederlandse (natuurlijke en rechts-)personen worden afgenomen. De nauwe band met Nederland is dan snel gegeven, zodat het geen verbazing wekt dat zij in Nederland voor de rechter worden gedaagd.

3.5 Hoge mate van concurrentie op externe gefinancierde procedures
Zoals is vastgesteld in par. 2.6, worden 15 van de 54 collectieve procedures extern gefinancierd en in 10 van die 15 procedures gaat het om verschillende belangenorganisaties die dezelfde of soortgelijke vorderingen tegen Daimler, Renault, TikTok en Airbnb hebben ingediend. Deze vrij hoge mate van concurrentie op extern gefinancierde procedures laat zich mogelijk als volgt verklaren.

In algemene zin zal gelden dat indien meerdere externe financiers, om welke redenen dan ook, verwachten dat de procedure succesvol zal worden afgerond en er een opbrengst zal zijn, dit zal betekenen dat verdere belangenorganisaties ook in staat zullen zijn om externe financiering aan te trekken. Het aanbod voor externe financiering is onder die omstandigheden groot. Indien externe financiers een bepaalde vordering niet kansrijk achten, dan zal het aanbod voor financiering kleiner zijn en daarmee wordt ook de kans kleiner dat meerdere belangenorganisaties een concurrerende collectieve vordering zullen instellen. De financiering ontbreekt daar immers voor.

Ook zal gelden dat bij kwesties waarbij het gaat om een groot aantal gedupeerden, er in het algemeen sneller meerdere belangenorganisaties opstaan om de belangen van deze gedupeerden te behartigen. Deze belangenorganisaties hebben financiering voor een collectieve procedure nodig. Doordat consumenten vaak relatief kleine bedragen aan schade (strooischade) van soms enkele honderden euro’s te vorderen hebben, is de bereidheid onder consumenten veelal minder groot om een gedeelte van de kosten van een procedure te dragen. De kosten van een dergelijke individuele procedure tegen een grote (beursgenoteerde) onderneming wegen eenvoudigweg niet op tegen de mogelijke opbrengst. Daarnaast is het, vanwege het grote aantal gedupeerden, organisatorisch gezien ook lastig deze procedures te laten financieren door de gedupeerden zelf. Dit leidt tot een (te) zware administratieve last voor de (vaak) ‘ad hoc’ opgerichte belangenorganisatie. Daarnaast werkt dit ook het freerider probleem in de hand. Hierbij speelt ook een rol dat de zekerheid van de financiering van de gehele procedure niet is gegeven. Een externe financier kan een oplossing voor deze problemen bieden, waardoor de toegangsdrempel tot het recht wordt verlaagd.

Dat de procedures van de overige belangenorganisaties niet door externe financiers worden gefinancierd, is begrijpelijk, omdat deze procedures veelal zijn gestart door al langer bestaande belangenorganisaties of vakbonden.

3.6 “Amerikaanse toestanden”?
Ondanks dat wij geen gegevens van vóór 2020 hebben waarmee deze kwantitatieve analyse kan worden vergeleken, lijkt uit deze analyse niet te volgen dat sprake is van een “claimcultuur” of “Amerikaanse toestanden” kan worden gesproken en evenmin van een aanzuigende werking van het Nederlandse rechtssysteem. Aangezien het overgrote deel van de WAMCA-procedures uit eigen middelen wordt betaald, blijkt het gevreesde aanjagende effect van externe procesfinanciers thans dus (nog) beperkt. Dat bepaalde procedures ter bescherming van de belangen van consumenten met beperkte schade vóór 2020 niet zouden zijn gestart en onder de WAMCA wel, is de bevestiging dat deze wetswijziging kennelijk noodzakelijk was om consumenten hun rechten te kunnen laten halen. Wij achten het bijvoorbeeld niet aannemelijk dat procedures tegen TikTok onder het oude recht waren gestart of op basis van cessie, lastgeving of volmacht. Dat laatste zou tot een onevenredig zware administratieve last hebben geleid waardoor geen belangenorganisatie bereid zou zijn geweest een dergelijke collectieve actie te starten.

Voor de toekomst verwachten wij dat meer zaken vanwege privacy schendingen worden gestart, maar ook over mensenrechtenschendingen. Dit laatste past ook binnen de ontwikkelingen naar aanleiding van de uitspraak in de door Milieudefensie aangespannen zaak jegens Shell, maar ook door de inwerkingtreding van de wet “Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen”. Hierbij is het ook relevant dat externe financiers meer vertrouwd zullen raken met de WAMCA en eerder bereid zullen zijn om een procedure te financieren. Zodra de mogelijkheden op grond van de WAMCA meer zijn uitgekristalliseerd, zal dat naar verwachting ook een verdere toename van het aantal WAMCA-procedures tot gevolg hebben. Of de rechtbanken daarop berekend zijn, is de vraag.