hier te vinden zijn. Er zal nog specifiek beleid geformuleerd worden voor de verschillende sectoren zoals hiervoor genoemd.

4. Hoe zit het met extra kosten die door zorgaanbieders worden gemaakt, met name wat betreft het hoge aantal aan IC-opnames? Zijn deze te declareren bij de zorgverzekeraar en onder welke voorwaarden?

Ten aanzien van COVID-19 kan het zijn dat zorginstellingen (niet zijnde ziekenhuizen) bedden zullen moeten vrijmaken om patiënten uit ziekenhuizen op te vangen. Daarnaast kunnen zorginstellingen extra kosten moeten maken voor bijvoorbeeld het isoleren en verplegen van besmette mensen en de extra inzet van personeel. Al deze en andere vergelijkbare kosten worden vergoed onder de zogenaamde ‘COVID-19 regeling’.

Deze regeling zal vergelijkbaar zijn met de al bestaande beleidsregel BRMO-uitbraak. Dit is een beleidsregel die vergoeding van kosten verzekert die moeten worden gemaakt bij een uitbraak van bijzonder resistente micro-organismen. In de BRMO-beleidsregel worden ook vergoed personeels- en materiële kosten die samenhangen met de eindreiniging van de kamer waar de bij de uitbraak betrokken cliënt verbleef. Het is mogelijk dat dergelijke kosten ook onder de ‘COVID-19 regeling’ zullen worden vergoed. In verband met de ernst van de coronasituatie kunnen zorgaanbieders ook achteraf een beroep op doen. De NZa streeft ernaar om deze regeling uiterlijk 1 juli 2020 te publiceren.

5. Op welke manier kunnen ziekenhuizen, verpleeghuizen en GGZ-instellingen het eigen personeel en de al aanwezige cliënten met een indicatie voor intramuraal verblijf beschermen tegen COVID-19 en toch het extramuraal bieden van zorg continueren?

De maatregelen die zijn genomen vanwege de coronacrisis, maken het lastig om zorgconsulten in ziekenhuizen, verpleeghuizen en GGZ-instellingen te laten plaatsvinden.

De NZa heeft om die reden vanaf 1 maart de regelgeving voor face-to-face consulten tijdelijk verruimd. Ziekenhuizen kunnen een eerste consult met een patiënt in de medisch-specialistische zorg hiermee dus ook op afstand laten plaatsvinden, ook als niet precies aan de voorwaarden in zorgcontracten met verzekeraars is voldaan. De NZa roept verzekeraars uitdrukkelijk op om belemmeringen in contracten op dit punt op te schorten. Dit betekent dat iedere zorgverlener nu digitaal of telefonisch een consult kan laten plaatsvinden en dit consult bij de zorgverzekeraar kan declareren. Deze uitzondering geldt tot het moment dat de landelijke richtlijnen/adviezen van de overheid en het Rijksoverheid voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) niet meer van toepassing zijn. Na beëindiging van de speciale maatregelen van het RIVM geldt een overgangstermijn van een week.

Er zijn zorgverzekeraars die richtlijnen hebben opgesteld over de zorg op afstand ten tijde van de coronacrisis. Zo heeft Zorgverzekeraars Nederland ten aanzien van paramedische zorg aangegeven dat zij WhatsApp en FaceTime niet als veilige applicaties aanmerkt voor het uitvoeren van videoconsulten (zie ook onze Q&A Privacy voor veel gestelde vragen over COVID-19 en Privacy).

">

Publicaties

COVID-19 | Zorg

Op deze pagina treft u een overzicht aan van veelgestelde vragen en antwoorden met betrekking tot de Coronacrisis. Wij zullen deze pagina, als er ontwikkelingen zijn, regelmatig updaten.

Voor vragen en/of meer informatie kunt u contact opnemen met Karen Top.

Laatste update: 26-03-2020


1. Zorgaanbieders staan onder druk en hebben extra zorgverleners nodig. Onder welke voorwaarden mogen zorgaanbieders bijvoorbeeld niet-BIG geregistreerden of gepensioneerde zorgverleners inzetten?

De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) biedt zorgverleners in deze unieke situatie de ruimte om de zorg op afwijkende manieren te organiseren, als dit nodig is om de kwaliteit en de continuïteit van de zorg te waarborgen. De IGJ verwijst in dat verband naar het advies van de KNMG over dit onderwerp. De personeelstekorten in de zorg door de noodzaak om COVID-19 te bestrijden, brengen volgens de KNMG met zich mee dat ‘artsen of geneeskundig-specialisten-niet-praktiserend’ die nog over voldoende recente kennis en vaardigheid beschikken onder bepaalde voorwaarden ingezet kunnen worden. De KNMG stelt daarbij onder meer als voorwaarden dat alleen een niet meer of nog niet- BIG geregistreerd persoon wordt ingezet als het echt noodzakelijk is vanwege een tekort aan zorgpersoneel en dan bij voorkeur een zorgverlener die recente praktijkervaring heeft. Ook moet de niet-geregistreerde persoon zoveel mogelijk worden ingezet voor niet-complexe zorg. Daarnaast mag de ervaring van de arts/geneeskundig specialist-niet-praktiserend niet ouder dan tien jaar zijn en moet zijn vaardigheid nog aanwezig zijn of met eenvoudige training en instructie weer voldoende kunnen worden. Wel raadt de IGJ aan om alle keuzes die worden gemaakt goed te documenteren. In een later stadium van de Coronacrisis kan een goede dossieropbouw van belang zijn voor de zorgaanbieder om aan te tonen dat er goede zorg is geleverd. Dit wil zeggen dat er is gehandeld conform het leveren van zorg ‘zoals professionals die plegen te bieden’.

Verder is van belang om op te merken dat de herregistratie in het BIG-register per 18 maart is uitgesteld tot nader order. Dit betekent dat een BIG-registratie (tijdelijk) geldend blijft, ook als niet is voldaan aan de herregistratieplicht.

2. Door de uitbraak van COVID-19 bestaat de mogelijkheid dat de reguliere medische hulpmiddelen niet meer voorhanden zijn door tekorten. In hoeverre mag een zorgverlener op grond van de wet afwijken en andere of niet-goedgekeurde medicijnen gebruiken bij de zorgverlening?

De IGJ merkt op haar website op dat het eindverantwoordelijkheid is van de zorgaanbieder om binnen de beroepsgroep een zorgvuldige en verantwoorde afweging te maken tussen de verschillende risico’s die het gebruik van een alternatief hulpmiddel met zich meebrengt, en de verantwoordelijkheid om zorg te verlenen. Richtlijnen op dit vlak zijn er - vanwege de onbekendheid met deze situatie - nog nauwelijks. Beroepsgroepen zullen dus goed overleg moeten voeren binnen de eigen beroepsgroep bij schaarste aan medische hulpmiddelen om zo een in zekere zin acute ‘professionele standaard’ te realiseren. Medische hulpmiddelen met een CE-markering beschikken over de juiste kwaliteitswaarborgen voor de beoogde toepassing. Bij producten zonder CE-markering of voor een andere toepassing is dit niet beoordeeld. Hier is dus een acute beoordeling van zorgaanbieders nodig. Wederom verdient het aanbeveling om de gemaakte keuzes en motivering daarvan waar mogelijk goed te documenteren.

3. Welke zorginstellingen moeten of mogen gebruik maken van persoonlijke beschermingsmiddelen tegen COVID-19?

Huisartsen en zorgverleners in verpleeghuizen, de thuiszorg en de gehandicaptenzorg hoeven alleen persoonlijke beschermingsmiddelen als mondmaskers te gebruiken als dat echt nodig is, waarbij de noodzaak moet worden bepaald aan de hand van de RIVM-richtlijnen die hier te vinden zijn. Er zal nog specifiek beleid geformuleerd worden voor de verschillende sectoren zoals hiervoor genoemd.

4. Hoe zit het met extra kosten die door zorgaanbieders worden gemaakt, met name wat betreft het hoge aantal aan IC-opnames? Zijn deze te declareren bij de zorgverzekeraar en onder welke voorwaarden?

Ten aanzien van COVID-19 kan het zijn dat zorginstellingen (niet zijnde ziekenhuizen) bedden zullen moeten vrijmaken om patiënten uit ziekenhuizen op te vangen. Daarnaast kunnen zorginstellingen extra kosten moeten maken voor bijvoorbeeld het isoleren en verplegen van besmette mensen en de extra inzet van personeel. Al deze en andere vergelijkbare kosten worden vergoed onder de zogenaamde ‘COVID-19 regeling’.

Deze regeling zal vergelijkbaar zijn met de al bestaande beleidsregel BRMO-uitbraak. Dit is een beleidsregel die vergoeding van kosten verzekert die moeten worden gemaakt bij een uitbraak van bijzonder resistente micro-organismen. In de BRMO-beleidsregel worden ook vergoed personeels- en materiële kosten die samenhangen met de eindreiniging van de kamer waar de bij de uitbraak betrokken cliënt verbleef. Het is mogelijk dat dergelijke kosten ook onder de ‘COVID-19 regeling’ zullen worden vergoed. In verband met de ernst van de coronasituatie kunnen zorgaanbieders ook achteraf een beroep op doen. De NZa streeft ernaar om deze regeling uiterlijk 1 juli 2020 te publiceren.

5. Op welke manier kunnen ziekenhuizen, verpleeghuizen en GGZ-instellingen het eigen personeel en de al aanwezige cliënten met een indicatie voor intramuraal verblijf beschermen tegen COVID-19 en toch het extramuraal bieden van zorg continueren?

De maatregelen die zijn genomen vanwege de coronacrisis, maken het lastig om zorgconsulten in ziekenhuizen, verpleeghuizen en GGZ-instellingen te laten plaatsvinden.

De NZa heeft om die reden vanaf 1 maart de regelgeving voor face-to-face consulten tijdelijk verruimd. Ziekenhuizen kunnen een eerste consult met een patiënt in de medisch-specialistische zorg hiermee dus ook op afstand laten plaatsvinden, ook als niet precies aan de voorwaarden in zorgcontracten met verzekeraars is voldaan. De NZa roept verzekeraars uitdrukkelijk op om belemmeringen in contracten op dit punt op te schorten. Dit betekent dat iedere zorgverlener nu digitaal of telefonisch een consult kan laten plaatsvinden en dit consult bij de zorgverzekeraar kan declareren. Deze uitzondering geldt tot het moment dat de landelijke richtlijnen/adviezen van de overheid en het Rijksoverheid voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) niet meer van toepassing zijn. Na beëindiging van de speciale maatregelen van het RIVM geldt een overgangstermijn van een week.

Er zijn zorgverzekeraars die richtlijnen hebben opgesteld over de zorg op afstand ten tijde van de coronacrisis. Zo heeft Zorgverzekeraars Nederland ten aanzien van paramedische zorg aangegeven dat zij WhatsApp en FaceTime niet als veilige applicaties aanmerkt voor het uitvoeren van videoconsulten (zie ook onze Q&A Privacy voor veel gestelde vragen over COVID-19 en Privacy).