Inleiding
Wanneer een partij voor schadevergoeding wordt aangesproken, kan zij (bijvoorbeeld) haar verzekeraar in vrijwaring oproepen om latere, afzonderlijke procedures te voorkomen. Een vrijwaringsprocedure loopt parallel met de hoofdzaak, maar is processueel zelfstandig. Die zelfstandigheid kan leiden tot processuele ingewikkeldheden. Een belangrijk punt is de beroepstermijn en de noodzaak tot het instellen van hoger beroep in de vrijwaringszaak.
In het geval dat de vordering tot vrijwaring is afgewezen, zal bij een gedaagde partij geen noodzaak bestaan tot het instellen van hoger beroep in de vrijwaringszaak wanneer de vordering tot schadevergoeding in de hoofdzaak ook is afgewezen. Daarbij heeft hij immers geen belang, omdat hij geen schade hoeft te vergoeden en het dus niet relevant is of de verzekeraar daarvoor dekking had geboden. Het gevaar bestaat echter dat de eiser wél in hoger beroep gaat tegen de afwijzing van zijn vordering tot schadevergoeding. Het is mogelijk dat in hoger beroep anders wordt geoordeeld over de vordering in de hoofdzaak en wel een schadevergoeding wordt toegewezen. In dat geval zal de gedaagde die schade alsnog willen kunnen neerleggen bij zijn verzekeraar, als gevolg waarvan hij vanaf het moment dat de eiser hoger beroep heeft ingesteld, alsnog belang heeft om op te komen tegen de afwijzing van de vordering tot vrijwaring.
Om te voorkomen dat een gedaagde altijd zekerheidshalve hoger beroep moet instellen in de vrijwaringszaak, biedt de wet (art. 339 lid 5 Rv) hem een langere beroepstermijn dan de gebruikelijke termijn van drie maanden. De wet bepaalt dat, indien een vordering tot vrijwaring geheel of gedeeltelijk is afgewezen op grond van de afwijzing van de vordering in de hoofdzaak, hoger beroep daartegen openstaat tot het moment dat in de hoofdzaak in hoger beroep de memorie van antwoord wordt genomen.
Deze bijzondere termijn stond recent centraal in een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 8 juli 2025. In die uitspraak verduidelijkt het hof dat de lange beroepstermijn ook geldt, wanneer de vordering tot vrijwaring op zelfstandige gronden is afgewezen.
Feiten
De casus is als volgt. Een administratiekantoor dat de volledige administratie van een opdrachtgever verzorgt, ontvangt twee e-mails die afkomstig lijken te zijn van zijn opdrachtgever. In de e-mails wordt het administratiekantoor verzocht om aanzienlijke bedragen over te maken. Aan dat verzoek voldoet het administratiekantoor. Later blijkt echter dat de mailbox van de opdrachtgever was gehackt, en dat sprake is van zogenaamde ‘CEO-fraude’. Het geld blijkt te zijn overgemaakt naar buitenlandse internetcriminelen.
De opdrachtgever stelt het administratiekantoor aansprakelijk en vordert schadevergoeding. Het administratiekantoor wijst aansprakelijkheid af en voert verweer. Daarnaast roept het administratiekantoor onder meer zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar in vrijwaring op. De vrijwaring wordt toegestaan, als gevolg waarvan er naast de hoofdzaak (tussen de opdrachtgever en het administratiekantoor) ook een vrijwaringsprocedure (tussen het administratiekantoor en de verzekeraar) wordt gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt in de hoofdzaak dat het administratiekantoor niet aansprakelijk is jegens de opdrachtgever. De vordering tot schadevergoeding wordt daarom afgewezen.
In de vrijwaringsprocedure wijst de rechter de vordering jegens de verzekeraar eveneens af. Deze afwijzing berust op een inhoudelijke beoordeling. Volgens de rechtbank kwalificeert de betaling aan de internetcriminelen niet als een beroepsfout en valt daarom niet binnen de verzekerde hoedanigheid. De vordering tot vrijwaring wordt dus niet (alleen) afgedaan op de grond dat er in de hoofdzaak is geoordeeld dat het administratiekantoor niet verplicht is tot schadevergoeding, maar op zelfstandige gronden.
Hoger beroep
De opdrachtgever stelt hoger beroep in tegen de afwijzing van zijn vordering op het administratiekantoor. Op zijn beurt stelt het administratiekantoor niet direct hoger beroep in tegen de afwijzing van zijn vordering op de verzekeraar in de vrijwaringszaak.
Een paar dagen vóórdat het administratiekantoor in de hoofdzaak een memorie van antwoord heeft ingediend, heeft het alsnog hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in de vrijwaringszaak. Volgens de verzekeraar is dat niet mogelijk, omdat (i) de reguliere beroepstermijn van drie maanden al is verstreken en (ii) de langere beroepstermijn in vrijwaringszaken (art. 339 lid 5 Rv) niet van toepassing is nu de vrijwaringsvordering door de rechtbank inhoudelijk is beoordeeld en niet enkel is afgewezen als gevolg van de uitkomst in de hoofdzaak. De verzekeraar concludeert dat het hoger beroep van het administratiekantoor in de vrijwaringszaak niet-ontvankelijk is.
Oordeel hof
In deze zaak overweegt het hof het volgende over het betoog van de verzekeraar dat lid 5 van art. 339 Rv niet van toepassing zou zijn:
“De bedoeling van artikel 339 lid 5 Rv is dat de termijn voor het instellen van hoger beroep wordt verlengd in het geval de eiser in vrijwaring geen belang heeft bij instellen van hoger beroep zolang er geen appel wordt ingesteld in de hoofdzaak. Dit is in deze zaak ook aan de orde. Belang bij een ander dictum in de vrijwaringszaak ontstond voor [administratiekantoor] pas toen hoger beroep in de hoofdzaak werd ingesteld en daarmee de mogelijkheid zich voordeed dat de vordering tot het vergoeden van de schade van [opdrachtgever] alsnog zou worden toegewezen en [administratiekantoor] deze schade alsnog zou moeten vergoeden.”
De stelling van de verzekeraar dat het administratiekantoor geen langere beroepstermijn toekwam, omdat de vordering in de vrijwaringszaak op zelfstandige gronden was afgewezen, volgt het hof dus niet. Volgens het hof blijkt dat het administratiekantoor de vordering tot vrijwaring uitsluitend heeft ingesteld voor het geval het in de hoofdzaak wordt veroordeeld tot vergoeding van schade. Om die reden had het administratiekantoor pas belang bij het instellen van hoger beroep tegen de afwijzing van de vrijwaringsvordering, toen duidelijk was dat de opdrachtgever hoger beroep had ingesteld tegen de afwijzing van zijn vordering tot schadevergoeding. Ook in die situatie geldt de bijzondere termijn van art. 339 lid 5 Rv, aldus het hof.
Conclusie
Kortom, voor de toepassing van de bijzondere beroepstermijn voor vrijwaringszaken is niet vereist dat de vrijwaringsvordering is afgewezen ten gevolge van de afwijzing in de hoofdzaak. Het hof benadrukt in deze uitspraak dat de regeling van art. 339 lid 5 Rv ertoe strekt de termijn voor het instellen van hoger beroep te verlengen totdat de gedaagde belang heeft bij het instellen van hoger beroep in de vrijwaringszaak. Dit betekent dat ook wanneer de vrijwaringsvordering op zelfstandige gronden is afgewezen, hoger beroep kan worden ingesteld tot het moment dat in de hoofdzaak een memorie van antwoord wordt genomen.
De volledige uitspraak kunt u hier [ECLI:NL:GHDHA:2025:1431, Gerechtshof Den Haag, 200.339.997/01] raadplegen.