Het bestuur van een zorgorganisatie brengt een grote verantwoordelijkheid met zich, niet alleen voor de kwaliteit van zorg, maar ook voor financiële verantwoording. In de meeste gevallen gaat dat goed en lijkt bestuursaansprakelijkheid een theoretisch risico. Maar wat gebeurt er als het misgaat? Bij financiële problemen of een faillissement kan de vraag ontstaan of uitsluitend de zorginstelling aansprakelijk is, of dat ook bestuurders persoonlijk kunnen worden aangesproken. In deze blog wordt uitgelegd hoe bestuursaansprakelijkheid juridisch is vormgegeven, hoe dit specifiek uitwerkt binnen de zorgsector en onder welke omstandigheden aansprakelijkheid aan de orde kan zijn in faillissementssituaties.
Bestuursaansprakelijkheid: het juridische uitgangspunt
Naar het Nederlandse recht is de rechtspersoon - zoals een stichting of besloten vennootschap (B.V.) - zelf verantwoordelijk voor haar schulden en verplichtingen. Bestuurders zijn in beginsel niet persoonlijk met hun privévermogen aansprakelijk. Schuldeisers dienen zich daarom te richten tot de rechtspersoon en niet tot de personen die haar besturen. Op deze hoofdregel bestaan echter uitzonderingen. Dat is het geval wanneer een bestuurder zijn taak niet behoorlijk heeft vervuld en hem daarvan een ernstig verwijt kan worden gemaakt. In dat geval kan sprake zijn van bestuursaansprakelijkheid.
Interne aansprakelijkheid
Bij interne bestuursaansprakelijkheid gaat het om de verhouding tussen de bestuurder en de rechtspersoon zelf. Een bestuurder kan aansprakelijk worden gesteld als hij zijn taken onbehoorlijk heeft vervuld en geen redelijk handelend bestuurder onder dezelfde omstandigheden zo zou hebben gehandeld. Of sprake is van een ernstig verwijt hangt af van alle omstandigheden van het geval. Belangrijk is dat bestuurders gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de algemene gang van zaken. Ook als één bestuurder feitelijk de fout heeft gemaakt, kunnen andere bestuurders aansprakelijk zijn, tenzij zij kunnen aantonen dat hun persoonlijk geen ernstig verwijt treft en dat zij hebben geprobeerd de gevolgen te voorkomen.
Externe aansprakelijkheid
Bij externe aansprakelijkheid wordt een bestuurder aangesproken door een derde, zoals een schuldeiser. Ook hier geldt dat de lat hoog ligt: de bestuurder moet persoonlijk een ernstig verwijt kunnen worden gemaakt. Denk hierbij aan gevallen waarin een bestuurder wist of kon voorzien dat zijn gedrag schade voor schuldeisers zou veroorzaken.
Aansprakelijkheid in faillissement
Wanneer een zorginstelling failliet gaat, zal de curator onderzoek doen naar de oorzaken van het faillissement en het handelen van het bestuur. De curator kan bestuurders persoonlijk aansprakelijk stellen als zij hun taak kennelijk onbehoorlijk hebben vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Het gaat daarbij om aansprakelijkheid tegenover de faillissementsboedel, ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers.
Indien het bestuur niet heeft voldaan aan de administratieplicht of de verplichting tot tijdige publicatie van de jaarrekening of jaarverantwoording, dan staat vast dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Bovendien wordt dan vermoed dat dit onbehoorlijke bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Dat vermoeden kan door de aangesproken bestuurder worden weerlegd.
Sinds de invoering van de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen (Wbtr) geldt deze aansprakelijkheid ook voor bestuurders van verenigingen en stichtingen, waaronder zorginstellingen kunnen vallen. Juist daarom spelen administratie, financiële verantwoording en toezicht bij faillissementen in de zorg een centrale rol.
Bestuursaansprakelijkheid in de zorg
In de zorgsector geldt in beginsel hetzelfde juridische kader voor bestuursaansprakelijkheid. Dit is vooral relevant wanneer een zorginstelling failliet gaat en een curator gronden heeft om bestuurders aan te spreken. Hoe deze verantwoordelijkheid in faillissementssituaties door rechters wordt ingevuld, komt duidelijk naar voren in een recente uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin een curator de bestuurders van een zorginstelling aansprakelijk stelde.
Uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden [1]
Het hof stelt voorop dat verschillende aansprakelijkheidsgrondslagen een eigen toetsingskader kennen. Ten aanzien van één bestuurder werd aansprakelijkheid aangenomen op grond van artikel 2:248 BW. De bestuurder werd aansprakelijk gehouden voor het boedeltekort van de failliete zorginstelling, omdat haar kennelijk onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement was. Voor de andere bestuurder paste het hof artikel 2:9 BW toe. De bestuursperiode van de betreffende bestuurder viel grotendeels buiten de toepasselijke termijn van artikel 2:248 BW, maar hij was wel tekort was geschoten in de nakoming van zijn algemene bestuurstaak. Uit de uitspraak volgt dat aspecten zoals de administratie, publicatieplicht en toezicht op zorgdeclaraties een belangrijke rol spelen. Tegelijkertijd benadrukt het hof dat deze vaststellingen niet automatisch leiden tot volledige aansprakelijkheid. Juist in dit geval stond de mogelijkheid tot matiging centraal. Hoewel het boedeltekort aanzienlijk was, matigde het hof de aansprakelijkheid van de bestuurders van bijna € 1,8 miljoen tot € 200.000. Daarbij speelde onder meer een rol de onzekerheid over de onderbouwing en omvang van de vorderingen van verzekeraars en de wijze waarop de curator het boedeltekort had vastgesteld.
Conclusie
Bestuursaansprakelijkheid in de zorg wordt bepaald door een samenspel van algemene aansprakelijkheidsregels en zorgspecifieke verplichtingen. Het onderscheid tussen verschillende grondslagen, de rol van administratie en declaraties en de mogelijkheid van matiging komen daarin samen. Het aangehaalde arrest laat zien dat deze elementen niet op zichzelf worden beoordeeld, maar gezamenlijk richting geven aan de vraag of en in hoeverre bestuurders persoonlijk aansprakelijk zijn.
[1] Hof Arnhem-Leeuwarden 09-12-2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7891