
English version below
In deze blogreeks staan wij stil bij verschillende aspecten van collectieve acties in Nederland. In deze blog staat de vraag centraal of (en onder welke voorwaarden) de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft wanneer een buitenlandse partij wordt aangesproken in een collectieve actie.
Buitenlandse gedaagden
Het komt regelmatig voor dat één of meer buitenlandse gedaagden in een collectieve actie worden aangesproken. Het is zelfs mogelijk dat alle gedaagden buitenlands zijn. In deze gevallen is telkens van belang of de Nederlandse rechter bevoegd is om de zaak te behandelen. Met andere woorden: heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht?
Ambtshalve beoordeling van rechtsmacht
De Nederlandse rechter moet ambtshalve beoordelen of hij rechtsmacht heeft, ook als geen van de gedaagden zich beroept op het ontbreken daarvan. In de praktijk zijn de regels over rechtsmacht in de Brussel I bis-Verordening (“Brussel I bis”) en in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (“Rv”) daarbij het belangrijkst. Als vuistregel geldt dat Brussel I bis van toepassing is wanneer de gedaagde is gevestigd in een EU-lidstaat. Als de gedaagde niet in een EU-lidstaat is gevestigd, zullen doorgaans de Rv-bepalingen van toepassing zijn.[1] Wij gaan in deze blog in op een aantal relevante Brussel I bis-bepalingen.
Bijzondere regels voor rechtsmacht in collectieve acties?
Brussel I bis geeft geen bijzondere regels voor collectieve acties. Meerdere rechtbanken gingen bij de beoordeling van hun rechtsmacht op grond van Brussel I bis daarom uit van de hypothetische situatie dat de personen van wie de belangen werden behartigd zelf de betreffende rechtsvorderingen zouden hebben ingesteld (zie bijvoorbeeld de uitspraken in de collectieve acties tegen Stellantis, AbbVie en Apple).
Art. 7 Brussel I bis
Art. 7 Brussel I bis biedt verschillende grondslagen voor rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen vorderingen op grond van onrechtmatige daad en vorderingen die voortvloeien uit een overeenkomst.
Vorderingen op grond van onrechtmatige daad
Ten aanzien van vorderingen op grond van onrechtmatige daad bepaalt artikel 7 lid 2 Brussel I bis dat de rechter van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen rechtsmacht heeft.[2] Uit vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU (“HvJ EU”) volgt dat het hierbij zowel kan gaan om de plaats waar de schade werd veroorzaakt (Handlungsort) als de plaats waar de schade is ingetreden (Erfolgsort).
Over de plaats van het schadebrengende feit ontstaat regelmatig discussie. Een voorbeeld daarvan is de collectieve actie tegen Apple. In deze zaak worden entiteiten van Apple uit Ierland en de Verenigde Staten ervan beschuldigd buitensporige commissies te hebben ingehouden op verkopen via de Nederlandse App Store. Apple betoogde onder meer dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is, omdat het schadebrengende feit zich niet in Nederland zou hebben voorgedaan.[3] De Rechtbank Amsterdam stelde prejudiciële vragen aan het HvJ EU over de uitleg van onder meer artikel 7 lid 2 Brussel I bis. Het HvJ EU gaf aan dat de virtuele ruimte die de Nederlandse App Store vormt en waarbinnen de aankopen plaatsvonden, overeenkomt met het gehele grondgebied van Nederland. Schade die door aankopen in die App Store is geleden, is daarom in Nederland ingetreden. Hieruit volgt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft.
Vorderingen die voortvloeien uit een overeenkomst
Ten aanzien van vorderingen die voortvloeien uit een overeenkomst bepaalt artikel 7 lid 1 Brussel I bis dat de rechter van de plaats waar de betreffende verbintenis is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd rechtsmacht heeft.[4]
Hoewel dit op het eerste gezicht een eenvoudige regeling lijkt, ontstaat in de praktijk vaak discussie over de plaats van uitvoering. Dit was bijvoorbeeld het geval in de collectieve actie tegen Airbnb. In deze zaak bestond de uitvoering van de overeenkomst uit het aanbieden en opereren van een onlineplatform. Airbnb stelde dat deze uitvoering plaatsvond in Ierland, van waaruit het platform werd beheerd. De belangenorganisatie die de vordering instelde meende echter dat de uitvoering van de overeenkomst in Nederland plaatsvond, omdat Nederlandse consumenten het platform gebruikten. De rechtbank oordeelde dat het feit dat consumenten in Nederland gebruikmaakten van het wereldwijd toegankelijke platform, geen voldoende voorspelbare aanknopingsfactor was. Het feit dat het platform vanuit Ierland werd beheerd, achtte de rechtbank wel een geschikte aanknopingsfactor. De rechtbank oordeelde daarom dat Ierland de plaats van uitvoering was en verklaarde zich onbevoegd.
Rechtsmacht gekoppeld aan Nederlandse ankergedaagde
Het komt regelmatig voor dat zowel Nederlandse als buitenlandse gedaagden tegelijkertijd worden aangesproken in een collectieve actie. Artikel 8 lid 1 Brussel I bis bepaalt dat de Nederlandse rechter bevoegd kan zijn jegens alle gedaagden, mits (i) ten minste één gedaagde in Nederland woont of gevestigd is en (ii) tussen de vorderingen jegens de verschillende gedaagden een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om gelijktijdige behandeling en berechting.[5] Als aan deze voorwaarden is voldaan, kan de rechtsmacht ten aanzien van buitenlandse gedaagden gekoppeld worden aan de rechtsmacht met betrekking tot een Nederlandse gedaagde. Die Nederlandse gedaagde wordt in dat geval ook wel ‘ankergedaagde’ genoemd. Uit jurisprudentie volgt (daarnaast) dat het voor buitenlandse gedaagden voldoende voorzienbaar moet zijn dat zij opgeroepen kunnen worden voor de rechtbank die bevoegd is ten aanzien van een Nederlandse gedaagde (Airbus).
De vereiste voorzienbaarheid leidt geregeld tot discussies. Dit was bijvoorbeeld het geval in de collectieve actie die werd ingesteld door Stichting Elco Foundation.[6] In deze zaak worden gedaagden uit Nederland, het Verenigd Koninkrijk, Zwitserland en Japan ervan beschuldigd dat zij (gezamenlijk) op onrechtmatige wijze rentebenchmarks (EURIBOR en LIBOR) hebben gemanipuleerd. Het Hof Amsterdam oordeelde dat het voor de buitenlandse gedaagden redelijkerwijs voorzienbaar moet zijn geweest dat zij voor een vordering met betrekking tot vermeende onregelmatigheden bij de vaststelling van JPY LIBOR voor het gerecht van een andere panelbank zouden kunnen worden gedagvaard. De Advocaat-Generaal concludeerde over de voorzienbaarheid in die zaak dat het oordeel van het Hof Amsterdam juist was, met name omdat hij meent dat de voorzienbaarheid van rechtsmacht wordt verondersteld als is voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van art. 8 sub 1 Brussel I bis. De A-G meent ook dat het niet gaat om de voorzienbaarheid voor de medegedaagden zelf, maar om de abstracte voorzienbaarheid van ‘een gemiddeld oordeelkundig verweerder’, dus een “geobjectiveerd” criterium. Wij houden in de gaten of de Hoge Raad hetzelfde oordeelt over de vraag of “voorzienbaarheid” een apart criterium betreft en of dit een “geobjectiveerde” toets is.



