
English version below
In deze blogreeks staan wij stil bij verschillende aspecten van collectieve acties in Nederland. In deze blog starten wij met een belangrijk ontvankelijkheidsvereiste: wanneer is een belangenorganisatie voldoende representatief om een collectieve actie in te mogen stellen?
Ratio representativiteitsvereiste
Een belangrijk kenmerk van collectieve acties is dat een stichting of een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid (hier aangeduid als ‘belangenorganisatie’) een rechtsvordering kan instellen ter bescherming van de belangen van haar achterban.
Als waarborg voor de belangen van die achterban vereist de wet onder meer dat de belangenorganisatie voldoende representatief is, gelet op de achterban en de omvang van de vertegenwoordigde vorderingen. Dit representativiteitsvereiste voorkomt dat iedere willekeurige organisatie kan optreden voor de belangen van een door haar gestelde achterban, zonder daadwerkelijke steun daarvan.
Als niet aan het representativiteitsvereiste wordt voldaan, volgt niet-ontvankelijkheid. Dit betekent eenvoudig gezegd dat de rechter de zaak niet inhoudelijk behandelt.
Invulling representativiteitsvereiste
Wanneer is een belangenorganisatie dan (on)voldoende representatief? De wetgever laat de invulling van het representativiteitsvereiste grotendeels over aan de rechter. Rechtspraak op dit gebied is divers en casuïstisch. Ook in het rapport van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum, genaamd ‘5 jaar WAMCA - Evaluatie Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (2020-2025)’, wordt benoemd dat onduidelijkheden bestaan over de interpretatie van het representativiteitsvereiste. Uit bestaande rechtspraak zijn echter verschillende criteria af te leiden die in dit kader relevant zijn. Dit kunnen zowel kwantitatieve als kwalitatieve criteria zijn. Hieronder geven wij daarvan een aantal belangrijke voorbeelden.
Kwantitatieve criteria representativiteitsvereiste
Kwantitatieve criteria zien op de cijfermatige onderbouwing van de representativiteit. In de memorie van toelichting lichtte de wetgever al toe dat een belangenorganisatie kwantitatief gezien voor een groot genoeg deel van de mogelijke belanghebbenden moet opkomen. Het Hof Amsterdam oordeelde dat een ‘niet te verwaarlozen aantal personen’ dat tot de gestelde achterban behoort, achter de collectieve vordering moet staan (Oracle & Salesforce).
Of aan de kwantitatieve criteria voor representativiteit is voldaan, is afhankelijk van verschillende omstandigheden. Hierbij is bijvoorbeeld relevant hoeveel leden zich bij de belangenorganisatie hebben aangesloten en hoeveel personen te kennen hebben gegeven de collectieve vordering te steunen. Het gaat vaak om relatieve aantallen ten opzichte van de totale groep belanghebbenden. In Airbus oordeelde de Rechtbank bijvoorbeeld dat een percentage van minder dan 0,1 % van de beleggers dat zich aangesloten had onvoldoende was. Ook absolute aantallen kunnen van belang zijn, zoals in de TikTok-zaak, waarin het percentage belanghebbenden dat was aangesloten bij de belangenorganisaties uiteenliep van 8,7% tot ongeveer 1%. De rechtbank overwoog dat deze aantallen ten opzichte van het gestelde aantal TikTok-gebruikers relatief klein waren, maar kwam tot het oordeel dat de absolute aantallen aangesloten belanghebbenden (75.557 voor SOMI, 50.350 voor STBYP en 44.742 voor SMC) voldoende waren om ieder van de stichtingen representatief te achten (TikTok). Daarnaast kan het aantal likes dat een bericht over de collectieve actie op de website van een belangenorganisatie oplevert van belang zijn voor de representativiteit (Oracle & Salesforce).
Het door de rechter verlangde bewijs voor de kwantitatieve onderbouwing van de representativiteit lijkt te verschillen. Een door de belangenorganisatie zelf opgesteld overzicht van de achterban werd voldoende geacht in de zaak Vattenfall. Er zijn echter ook zaken waarin daarvoor een accountantsverklaring nodig was (Google Play Store).



