Vertegenwoordiging en de Bibolini-exceptie

Aangemaakt: 11 mei 2020

Vertegenwoordiging en de Bibolini-exceptie

Het Nederlandse vennootschapsrecht kent de hoofdregel dat het bestuur de vennootschap onbeperkt en onvoorwaardelijk vertegenwoordigt. De regels van vertegenwoordiging gaan over externe verhoudingen: de verhoudingen tussen de vennootschap en derden. De hoofdregel dat het bestuur de vennootschap onbeperkt en onvoorwaardelijk vertegenwoordigt, brengt mee dat interne bevoegdheidsregels in beginsel geen werking hebben tegenover derden. Schending van een interne bevoegdheidsregel voorkomt in beginsel niet dat de vennootschap gebonden wordt aan een overeenkomst met een derde. De Bibolini-exceptie vormt een uitzondering op deze hoofdregel.

Het Hof Amsterdam deed op 17 december 2019 (ECLI:NL:GHAMS:2019:4491) uitspraak in een zaak waarin het de Bibolini-exceptie toepaste. Het ging om een vordering tot nakoming van een overeenkomst die was ondertekend door een bestuurder die daarbij een persoonlijk belang had dat tegenstrijdig was aan het belang van de vennootschap. De bestuurder handelde daarmee in strijd met de intern geldende tegenstrijdig belangregeling.

Hierna worden ter achtergrond enkele opmerkingen gewijd aan het onderscheid tussen interne bevoegdheidsregels en externe vertegenwoordigingsregels. Daarna wordt de Bibolini-exceptie besproken. Tegen deze achtergrond wordt de uitspraak van het Hof Amsterdam van 17 december 2019 toegelicht.

Interne bevoegdheidsregels en externe vertegenwoordigingsregels

Artikel 2:130/240 lid 3 BW bepaalt dat de bevoegdheid tot vertegenwoordiging die aan het bestuur of aan een bestuurder toekomt onbeperkt en onvoorwaardelijk is, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit. Beperkingen op de vertegenwoordigingsbevoegdheid die niet voortvloeien uit de wet hebben in beginsel enkel de kracht van een interne bevoegdheidsregel. Het is van belang om het onderscheid tussen interne bevoegdheidsregels en externe vertegenwoordigingsregels scherp voor ogen te houden. Bijvoorbeeld: statutaire vertegenwoordigingsregels zonder wettelijke grondslag werken niet tegenover derden en hebben dus enkel het effect van een interne bevoegdheidsregel. Als het bestuur van een vennootschap in strijd met een dergelijke bevoegdheidsregel namens de vennootschap een overeenkomst aangaat met een derde, dan wordt de vennootschap dus gewoon gebonden. Dit betekent niet dat het bestuur zich niets hoeft aan te trekken van interne bevoegdheidsregels. Als een bestuurder een interne bevoegdheidsregel schendt, dan kan de vennootschap een vordering uit hoofde van wanprestatie instellen en de bestuurder aansprakelijk stellen. Hoewel interne bevoegdheidsregels in beginsel dus geen effect hebben op de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur, kunnen deze het gedrag van het bestuur wel degelijk op een effectieve manier beïnvloeden.

De Bibolini-exceptie

De Hoge Raad heeft met het Bibolini-arrest uit 1982 een uitzondering gecreëerd op het uitganspunt dat interne bevoegdheidsregels geen werking hebben tegenover derden. De Hoge Raad bepaalde in dat arrest dat degene die met een vennootschap handelt, zich in strijd met de redelijkheid en billijkheid kan gedragen door de vennootschap aan de met haar gesloten overeenkomst te houden, indien hij wist dat een interne bevoegdheidsregel werd overtreden en hijzelf betrokken was bij het totstandkomingsbesluit van die bevoegdheidsregel (HR 17 december 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4503). Een beroep op de Bibolini-exceptie slaagt slechts in uitzonderlijke situaties. De enkele omstandigheid dat de wederpartij wetenschap heeft van een interne bevoegdheidsregel, brengt nog niet mee dat deze aan die wederpartij kan worden tegengeworpen.

Hof Amsterdam 17 december 2019 (ECLI:NL:GHAMS:2019:4491)

De recente uitspraak van het Hof Amsterdam illustreert het praktische belang van de Bibolini-exceptie. De feiten zijn als volgt. Eiser en gedaagde (beide een BV) zijn in 2014 een zogenoemde ‘commission agreement’ aangegaan. De twee bestuurders die de overeenkomst namens eiser en gedaagde hebben ondertekend zijn aangetrouwde familie van elkaar. De bestuurder van eiser, bestuurder X, is de stiefmoeder van de bestuurder die de overeenkomst namens gedaagde heeft ondertekend, bestuurder Y1. Beide bestuurders waren vertegenwoordigingsbevoegd om de overeenkomst aan te gaan. De medebestuurder en enig aandeelhouder van gedaagde, bestuurder Y2, is woonachtig en werkzaam in Israël. Eiser vordert nakoming van een verplichting uit de overeenkomst op grond waarvan eiser meent dat gedaagde eiser een commissie moet betalen voor het verrichten van bepaalde consultancydiensten.

Gedaagde verweert zich tegen de vordering tot nakoming door te stellen dat eiser in strijd handelt met de redelijkheid en billijkheid door zich te beroepen op de overeenkomst. Gedaagde stelt dat bestuurder Y1 inmiddels is afgetreden en dat bestuurder Y2 niets afwist van het bestaan van de overeenkomst. Gedaagde stelt dat bestuurder X en bestuurder Y1 een vooropgezet plan hadden om geld te ontvreemden van gedaagde.

Het Hof overweegt – onder verwijzing naar het Bibolini-arrest - dat het onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn dat degene die een overeenkomst heeft gesloten met de vennootschap, terwijl hij ermee bekend is dat de bestuurder die de vennootschap daarbij vertegenwoordigde een tegenstrijdig belang had, de vennootschap desondanks aan de overeenkomst houdt. Het Hof oordeelt verder dat eiser doelbewust eraan heeft meegewerkt dat bestuurder Y1 namens gedaagde de overeenkomst ondertekende, terwijl eiser wist dat gedaagde daardoor een betalingsverplichting op zich nam die zij zonder de overeenkomst in het geheel niet zou hebben, zonder dat gedaagde door de overeenkomst aanspraak zou krijgen op enige tegenprestatie van eiser. Het Hof oordeelt ook dat bestuurder Y1 gelet op de familierelatie een persoonlijk belang had dat tegenstrijdig was aan het belang van de vennootschap en dat eiser in samenwerking met bestuurder Y1 beoogde zichzelf zonder rechtsgrond ten koste van gedaagde te bevoordelen door de overeenkomst te ondertekenen. Tot slot oordeelt het Hof dat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat eiser gedaagde aan de overeenkomst houdt. Het Hof vernietigt het vonnis in eerste aanleg en wijst de vordering tot nakoming alsnog af.

Het Hof past in deze casus terecht de Bibolini-exceptie toe. De bestuurders die de overeenkomst namens eiser en gedaagde hadden ondertekend waren daartoe vertegenwoordigingsbevoegd en hadden enkel een interne bevoegdheidsregel, namelijk de tegenstrijdig belangregeling, overtreden. Desalniettemin zou toepassing van de hoofdregel dat interne bevoegdheidsregels geen werking hebben tegenover derden in deze zaak tot een uiterst onredelijke uitkomst hebben geleid. Het arrest herinnert ons eraan dat de Bibolini-exceptie voorziet in een cruciale uitzondering op de hoofdregel dat interne bevoegdheidsregels geen effect hebben op de regels van vertegenwoordigingsbevoegdheid.

Betrokken(en)