Het onderhuurverbod: de positie van de verhuurder jegens de curator, deel II

Aangemaakt: 23 november 2018

Het onderhuurverbod: de positie van de verhuurder jegens de curator, deel II

In mei 2017 plaatsen wij eerder een bericht op onze website over een opmerkelijke uitspraak van het Hof Leeuwarden van 14 maart 2017. In deze uitspraak werd de curator persoonlijk aansprakelijk gehouden voor het in gebruik geven van een winkelpand aan een derde, in strijd met de op de gefailleerde rustende verplichting om het gehuurde niet aan een derde in gebruik te geven (het onderhuurverbod). Naar aanleiding van de door de curator tegen dat arrest ingestelde cassatie, heeft de Hoge Raad zich bij zijn arrest van 9 november 2018 uitgesproken over de vraag of het in strijd met een contractueel onderhuurverbod in gebruik geven van het gehuurde aan een derde door de curator is toegestaan.

Aansprakelijkheid curator vanwege schending onderhuurverbod
Het Hof was van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake was van een situatie waarin de curator een ruime mate van vrijheid heeft in de wijze waarop hij zijn taak als beheerder en vereffenaar van de boedel uitvoert als bedoeld in HR 16 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU4204, maar dat hij gebonden is aan regels, in dit geval de regels die volgden uit de huurovereenkomst.

Volgens het Hof was de curator niet bevoegd om zonder instemming van de verhuurder de winkelruimte tijdens de opzeggingsperiode in gebruik te geven aan een derde, ook niet nu de ingebruikgeving was gedaan met het oog op een mogelijke doorstart. De curator had onzorgvuldig gehandeld omdat zij in weerwil van de waarschuwingen van de verhuurder de winkelruimte aan een derde in gebruik had gegeven. Deze actieve en bewuste schending van het onderhuurverbod leidde tot persoonlijke aansprakelijkheid van de curator voor de schade van de verhuurder. De curator moest daarom uit eigen middelen aan de verhuurder de door haar van de derde ontvangen huur terugbetalen.

Algemene regel voor persoonlijke aansprakelijkheid curatoren?
De Hoge Raad heeft in deze zaak geoordeeld dat het enkele niet naleven van voor de curator geldende regels ter zake van voortdurende verplichtingen niet steeds tot persoonlijke aansprakelijkheid van de curator leidt. In dit specifieke geval was de curator volgens de Hoge Raad – in lijn met het oordeel van het Hof – persoonlijk aansprakelijk, omdat gelet op de specifieke omstandigheden van dit geval de curator een persoonlijk verwijt kon worden gemaakt.

Verhuurders kunnen op grond van dit arrest een curator aanspreken als de curator actief een verplichting uit hoofde van (huur)overeenkomsten om iets niet te doen, zoals een verbod tot onderverhuur, schendt. De Hoge Raad geeft in dit arrest echter geen algemene regel op grond waarvan een curator altijd persoonlijk aansprakelijk is als hij een dergelijke verplichting schendt. Er moet wel sprake zijn van persoonlijk verwijtbaar handelen van de curator.

Schade en causaal verband
De Hoge Raad heeft met betrekking tot de door de verhuurder gevorderde schade aangesloten bij het oordeel van het Hof. Omdat de verhuurder zich expliciet had verzet tegen ingebruikgeving van de winkelruimte aan een derde, had de curator de verhuurder kunnen verzoeken om medewerking te verlenen aan verhuur aan de doorstartende partij c.q. om een indeplaatsstelling. In beide gevallen zou de verhuurder in plaats van de curator een vergoeding hebben ontvangen voor het gebruik van het gehuurde door de koper van de activa.

Door de schade te bepalen op grond van een vergelijking van deze laatste situatie waarin de curator juist zou hebben gehandeld, met de feitelijke situatie (waarin de boedelvordering van verhuurder onbetaald is gebleven), heeft het Hof volgens de Hoge Raad terecht geoordeeld dat de schade van de verhuurder in causaal verband staat tot de schending van de tot de curator gerichte regel.

De verhuurder heeft dus ook volgens de Hoge Raad recht op schadevergoeding gelijk aan de door de curator van de derde ontvangen huur.

Conclusie
De Hoge Raad heeft met zijn arrest van 9 november 2018 bevestigd dat de uit de huurovereenkomst voortvloeiende doorlopende verplichting om het gehuurde niet in gebruik te geven aan een derde ook op de curator rust. Indien de curator actief in strijd handelt met het onderhuurverbod, heeft de verhuurder met dit arrest van de Hoge Raad een sterke positie richting de curator.

Het is zinvol om de curator bij een faillissement van de huurder schriftelijk te wijzen op het onderhuurverbod om te proberen te bewerkstelligen dat de verhuurder zelf het gehuurde aan een derde in gebruik kan geven en de huurpenningen zelf kan incasseren.

Handelt de curator in een dergelijk geval in strijd met het onderverhuurverbod, dan is het onder omstandigheden mogelijk om de daardoor geleden schade persoonlijk op de curator te verhalen.


23-11-2018

Laatste updates