Publicatie
12-01-2017

Bevoegdheden van de openbaar pandhouder op vorderingen

Een pandhouder heeft het recht van parate executie. Dit betekent dat de pandhouder - zonder tussenkomst van de rechter - het pandrecht kan uitwinnen en zich kan verhalen op de opbrengst op het moment dat zijn schuldenaar in verzuim is met de voldoening van de schuld waarvoor het pand tot waarborg strekt. Is het pandrecht gevestigd op een vordering, dan kan de pandhouder zijn pandrecht executeren door inning van de verpande vordering. Een stil pandhouder heeft deze bevoegdheid vanaf het moment dat hij mededeling van zijn pandrecht heeft gedaan aan de debiteur van de verpande vordering, door welke mededeling hij openbaar pandhouder wordt. Zodra de pandhouder inningsbevoegd is, heeft de pandgever - zonder toestemming van de pandhouder of machtiging van de kantonrechter - niet langer de bevoegdheid de vordering te innen. De panddebiteur kan dan uitsluitend nog bevrijdend betalen aan de pandhouder. Volgens de wet houdt de inningsbevoegd van de pandhouder in dat de pandhouder in en buiten rechte nakoming van de vordering kan eisen en betalingen in ontvangst kan nemen. Op grond van de wet is de openbaar pandhouder ook bevoegd tot opzegging wanneer de verpande vordering niet opeisbaar is, maar door opzegging opeisbaar kan worden gemaakt.

Schuldeisersbevoegdheden van de pandgever
De pandgever, die schuldeiser is van de verpande vordering, blijft gerechtigd tot de vordering. Dat de pandhouder mededeling heeft gedaan van zijn pandrecht en daardoor exclusief inningsbevoegd is geworden, maakt dat niet anders. De overige schuldeisersbevoegdheden - los van de hiervoor genoemde opzegbevoegdheid - blijven dan ook bij de pandgever rusten na openbaarmaking van het pandrecht. In het arrest IAE/Neo-River uit 2014 heeft de Hoge Raad een aantal van die bevoegdheden opgesomd (HR 21 februari 2014, NJ 2015/82 (IAE/Neo-River)). Zo blijft de pandgever bevoegd tot (i) het verlenen van kwijtschelding; (ii) het treffen van een afbetalingsregeling; (iii) het omzetten van de vordering tot nakoming in een tot schadevergoeding; (iv) ontbinding; en (v) beëindiging van de overeenkomst waar de vordering uit voortvloeit.

Reikwijdte inningsbevoegdheid van de openbaar pandhouder
Hoewel de meeste schuldeisersbevoegdheden niet op de pandhouder overgaan na mededeling van het pandrecht geldt dat voor veruit de belangrijkste bevoegdheid - die tot inning - wel. De inningsbevoegdheid van de openbaar pandhouder moet ruim worden opgevat. Zo omvat de inningsbevoegdheid van de pandhouder de bevoegdheid om (zowel conservatoir als executoriaal) beslag te leggen op de vordering. Recentelijk was bij de Hoge Raad de vraag aan de orde of de pandhouder ook bevoegd is om het faillissement van de panddebiteur aan te vragen. De Hoge Raad heeft deze vraag bevestigend beantwoord (HR 9 december 2016, NJ 2017/2 (Megalim/De Veenbloem)). Hij heeft hierbij ook overwogen dat de pandgever het faillissement van de panddebiteur na openbaarmaking van het pandrecht slechts kan aanvragen als hij daartoe toestemming van de pandhouder of machtiging van de kantonrechter heeft verkregen. Voorts is de pandhouder bevoegd om de kosten die hij zelf heeft gemaakt om de verpande vordering te incasseren van de panddebiteur te vorderen. Tot slot omvat de inningsbevoegdheid tevens de bevoegdheid tot uitwinning van de aan de vordering verbonden zekerheidsrechten pand en hypotheek (HR 18 december 2015, NJ 2016/34 (Marell/ABN Amro)). In het verlengde daarvan wordt wel aangenomen dat dit ook geldt voor een aan de vordering verbonden borgtocht die - net als pand en hypotheek - een afhankelijk recht en nevenrecht is. In de praktijk is nog omstreden of de pandhouder ook nog andere rechten die aan de verpande vordering verbonden zijn kan uitwinnen, zoals bijvoorbeeld een eigendomsvoorbehoud. Het is wachten op een arrest van de Hoge Raad waarin wordt geoordeeld dat ook dergelijke rechten door de pandhouder kunnen worden uitgeoefend.

12-1-2017

Expertises

Cassatie