
Bij gebiedsontwikkeling maken gemeenten kosten voor het bouw- en woonrijp maken van een gebied: denk aan de aanleg van wegen, riolering, groenvoorzieningen en het verrichten van onderzoek. Wie betaalt die rekening? De wetgever heeft in de Omgevingswet een stelsel van verplicht kostenverhaal opgenomen dat ervoor zorgt dat de kosten van gebiedsontwikkeling worden gedragen door degenen die van die ontwikkeling profiteren. Voor zowel overheden als ontwikkelaars is het waardevol om te begrijpen hoe dit publiekrechtelijk kostenverhaal werkt, wanneer het wordt ingezet en welke juridische valkuilen op de loer liggen.
Deze blog maakt deel uit van onze blogserie over gebiedsontwikkeling. De afgelopen twee blogs stonden in het teken van de rol van natuur in gebiedsontwikkeling. De komende drie blogs gaan over de financiële kant van gebiedsontwikkeling. Daarin behandelen wij het publiekrechtelijk kostenverhaal (deze blog), de financiële bijdragen (blog 10) en het privaatrechtelijk kostenverhaal (blog 11).
Grondbeleid en kostenverhaal
Bij actief grondbeleid verwerft de gemeente zelf de gronden en verkoopt zij bouwkavels in bouwrijpe staat. Kostenverhaal is dan niet nodig, omdat de kosten worden betaald uit de grondopbrengsten. Bij faciliterend grondbeleid laat de gemeente het initiatief over aan particuliere eigenaren en is kostenverhaal wel nodig. Dit gebeurt via anterieure overeenkomsten of kostenverhaalregels. In de praktijk kiezen veel gemeenten voor situationeel grondbeleid: een combinatie van actief en faciliterend grondbeleid, afhankelijk van de specifieke locatie. De keuze voor de grondbeleidsstrategie bepaalt in hoge mate of en in welke vorm kostenverhaal aan de orde is.
Privaatrechtelijk of publiekrechtelijk?
De voorkeur van de wetgever gaat uit naar privaatrechtelijk kostenverhaal via een overeenkomst tussen overheid en initiatiefnemer (een anterieure overeenkomst).[1] Het publiekrechtelijk spoor komt in beeld wanneer er geen anterieure overeenkomst tot stand komt, bijvoorbeeld omdat een grondeigenaar niet wil meewerken of omdat er meerdere eigenaren zijn met wie geen overeenstemming kan worden bereikt. Het publiekrechtelijk kostenverhaal geldt dan als vangnet.[2] Mede hierdoor heeft de publiekrechtelijke regeling van het kostenverhaal een schaduwwerking op de onderhandelingen in het privaatrechtelijke spoor.
Twee methoden van kostenverhaal
De Omgevingswet kent twee methoden voor publiekrechtelijk kostenverhaal: kostenverhaal met of zonder tijdvak. Bij integrale gebiedsontwikkeling geldt kostenverhaal met tijdvak.[3] Daarbij wordt in het omgevingsplan per kostenverhaalsgebied een volledige raming van zowel de kosten als de opbrengsten opgenomen.[4] Als de kosten hoger uitvallen dan de opbrengsten, kan niet meer worden verhaald dan het bedrag van die opbrengsten. Dit heet de macro-aftopping.[5] Kostenverhaal met tijdvak kan worden toegepast bij het wijzigen van het omgevingsplan, het projectbesluit en de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.[6]
Bij organische gebiedsontwikkeling voorziet artikel 13.15 Ow in kostenverhaal zonder tijdvak. Kostenverhaal zonder tijdvak kan uitsluitend via het omgevingsplan worden toegepast. De gemeente kan in een dergelijk geval volstaan met het opnemen van het maximum van de globaal te verhalen kosten per gebied, in plaats van een gedetailleerde kostenraming.[7] Een raming van de opbrengsten kan geheel achterwege blijven.[8] Daarnaast geldt in plaats van de macro-aftopping dat per activiteit niet meer wordt verhaald dan de waardevermeerdering van de betreffende locatie.[9]
De twee methoden van kostenverhaal verschillen ook in de soorten kosten die de gemeente kan verhalen. Dat verschil is met name zichtbaar bij de plankosten. Dit zijn de kosten die de gemeente maakt voor bijvoorbeeld het opstellen van het omgevingsplan en het toezicht op de uitvoering daarvan. De Omgevingsregeling maximeert de hoogte van de verhaalbare plankosten. Bij kostenverhaal zonder tijdvak zijn die plankosten beperkter, omdat de gemeente alleen de kosten van een globaal plan mag verhalen.[10] De kosten van een uitgewerkt, gedetailleerd plan komen alleen bij kostenverhaal met tijdvak voor verhaal in aanmerking.[11]
Kostenverhaalsplicht en bouwverbod
Als sprake is van een kostenverhaalplichtige activiteit, is de gemeente verplicht tot kostenverhaal.[12] De kostenverhaalsplicht volgt uit artikel 13.11 lid 1 van de Omgevingswet en is geformuleerd als de plicht voor het bestuursorgaan om "de kosten die het maakt" te verhalen. Deze formulering moet niet te strikt worden gelezen: het kostenverhaal betreft niet alleen de directe kosten van de overheid, maar in beginsel ook die van exploitanten.
De bouwactiviteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, zijn nader uitgewerkt in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. Het gaat onder meer om de bouw van gebouwen met een woonfunctie, de bouw van hoofdgebouwen met andere functies, de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met woonfuncties, en de verbouwing van gebouwen tot woonfuncties (mits ten minste tien woonfuncties) of tot kantoor-, winkel- of horecafuncties (mits ten minste 1.500 m² cumulatieve bruto-vloeroppervlakte).
Bij gebiedsontwikkeling gaat het vrijwel altijd om woningbouw of gemengde programma's die onder deze aanwijzing vallen. Van belang is dat het op grond van artikel 13.12 van de Omgevingswet verboden is een aangewezen activiteit te verrichten voordat de verschuldigde kosten zijn betaald. Dit bouwverbod waarborgt dat de overheid haar kosten daadwerkelijk kan verhalen voordat de ontwikkeling een feit is.
Verhaalbare kosten
De verhaalbare kosten zijn de kosten die zijn opgenomen in de kostensoortenlijsten in onderdeel A en onderdeel B van Bijlage IV bij het Omgevingsbesluit. Onderdeel A bevat de kostensoorten die bij zowel kostenverhaal met als zonder tijdvak verhaalbaar zijn, en betreft de kosten voor het openbare gebied (niet-uitgeefbare gronden). Denk aan kosten voor onderzoek, grondverwerving voor openbaar gebied, sloop, bodemsanering, aanleg van openbare werken en infrastructuur, nadeelcompensatie en rente.
Onderdeel B omvat de aanvullende kostensoorten die alleen bij kostenverhaal met tijdvak verhaalbaar zijn en betreffen de kosten op uitgeefbare gronden, zoals de inbrengwaarde van de grond, kosten voor het vrijmaken van rechten, sloop en bodemsanering op de bouwkavels.


