Publicatie
18-01-2023

Te laat beroep ingediend: alsnog ontvankelijk of niet?

Op 11 januari 2023 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in deze uitspraak geconcludeerd dat het te laat indienen van beroep niet verwijtbaar was. Appellant was niet bekend met het feit dat een beslissing op bezwaar was genomen, maar raakte hier pas van op de hoogte ruim 6 weken nadat het besluit was genomen. Appellant heeft vervolgens pas na ongeveer 4 weken beroep ingesteld bij de rechtbank. Vaste jurisprudentie is dat een belanghebbende, die met het nemen van een besluit niet bekend was en ook redelijkerwijs niet bekend kon zijn, in ieder geval niet verwijtbaar te laat beroep instelt als hij dat doet binnen 2 weken nadat hij te weten is gekomen dat een besluit is genomen. Waarom heeft de Afdeling hier, ondanks de overschrijding van deze 2 weken termijn, dan geoordeeld dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was?

Appellant richtte zijn (buiten de 6-wekentermijn ingediende) beroep tegen een beslissing op bezwaar van het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) waarin een schadevergoeding aan hem was toegekend waarmee hij zich niet kon verenigen. Deze beslissing op bezwaar was op 3 februari 2021 aangetekend naar het adres van appellant verzonden en op 4 februari daar aangeboden. Het poststuk kon echter niet worden bezorgd en is vervolgens door appellant ook niet afgehaald bij het PostNL-punt. Ondertussen had appellant – omdat hij niets meer had gehoord op zijn bezwaar – op 26 januari 2021 IMG in gebreke gesteld voor het uitblijven van een beslissing op bezwaar. Toen appellant op 19 maart 2021 een beslissing op dát verzoek ontving, kwam hij erachter dat er al een besluit op bezwaar was genomen. Deze is vervolgens op 23 maart 2021 nogmaals aan hem toegezonden. Nadat appellant kennis had genomen van de beslissing op bezwaar heeft hij op 19 april 2021 – dus niet binnen de 2-weken termijn, maar wél binnen 6 weken nadat hij daadwerkelijk kennis had genomen van de beslissing op bezwaar – alsnog beroep ingesteld. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk, maar de Afdeling komt tot een ander oordeel.

De Afdeling overweegt allereerst dat de beslissing op bezwaar op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt door IMG. Het was niet aan IMG te wijten dat de beslissing op bezwaar retour is ontvangen. Vervolgens concludeert de Afdeling dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, onder meer omdat appellant IMG in casu in gebreke had gesteld en de Afdeling het aannemelijk acht dat appellant het besluit op bezwaar zou hebben opgehaald als hij een afhaalbericht van PostNL zou hebben ontvangen. Daarbij acht de Afdeling niet alleen van belang dat appellant direct contact opnam met IMG toen hij erachter kwam dat de beslissing op bezwaar al was genomen, maar ook dat IMG zelf heeft aangegeven dat het proces niet goed was verlopen. Uit de uitspraak volgt dat IMG zelfs heeft aangegeven dat het wat haar betreft ook de voorkeur zou verdienen om het beroep van appellant inhoudelijk te behandelen. De Afdeling concludeert op basis van deze omstandigheden dat het niet aan appellant te verwijten valt dat hij niet tijdig beroep heeft ingediend.

Ten slotte oordeelt de Afdeling dat appellant – nadat hij kennisnam van de beslissing op bezwaar – alsnog tijdig beroep heeft ingediend. Op grond van vaste jurisprudentie moet bij een verschoonbare termijnoverschrijding alsnog binnen 2 weken na bekend worden met het betreffende besluit beroep worden ingediend. Appellant had die termijn niet in acht genomen. Desondanks wordt (ook) dit door de Afdeling niet aan hem tegengeworpen, omdat in de beslissing op bezwaar die hij op 23 maart 2021 ontving een beroepstermijn van 6 weken was genoemd én hij zonder rechtsbijstandverlener procedeerde. Daardoor wist hij niet (en hoefde hij ook niet te weten) dat hij eigenlijk binnen 2 weken na 23 maart 2021 beroep had moeten indienen. Dit oordeel betekent een verdere versoepeling van de leer van de Afdeling. Voorheen werd strikter aan deze 2-wekentermijn vastgehouden, maar een kentering leek in de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2022 al zichtbaar (zie rechtsoverweging. 8.3, laatste zin).

De Afdeling lijkt steeds vaker van geval tot geval te beslissen of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding en minder strikt vast te houden aan de bestendige lijn in de jurisprudentie. Wij sluiten daarentegen niet uit dat als een partij wel wordt bijgestaan door een gemachtigde en rechtsbijstand heeft, de uitkomst anders was geweest en anders zal zijn.