Publicatie
11-01-2018

Opslagverhogingen Euribor-hypotheken ABN AMRO: restitutie vereist

Op 19 december 2017 heeft het Gerechtshof Amsterdam uitspraak gedaan in een procedure tussen ABN AMRO enerzijds en Stichting SDB en Stichting Euribar anderzijds (hierna: de claimstichtingen). Deze uitspraak is onderdeel van een collectieve procedure, aangespannen door de claimstichtingen die bezwaar maakten tegen de (toepassing van) contractuele bedingen op grond waarvan ABN AMRO de opslag bovenop de Euribor-rente heeft gewijzigd (hierna: de wijzigingsbedingen). De Rechtbank Amsterdam had in eerste aanleg uitgemaakt dat de wijzigingsbedingen juridisch gezien niet door de beugel kunnen, als gevolg waarvan ABN AMRO haar klanten de door hen betaalde opslagverhogingen diende terug te betalen. ABN AMRO was het met deze uitkomst niet eens en ging in hoger beroep. Dit echter zonder succes: de appelrechter heeft het vonnis van de Rechtbank Amsterdam, waarin de claimstichtingen in het gelijk zijn gesteld, bekrachtigd.

Achtergrond
In de periode 2005-2009 hebben ABN AMRO en haar rechtsvoorganger Fortis (hierna gezamenlijk: ABN AMRO) aan verschillende particuliere klanten Euribor-hypotheken verstrekt. ABN AMRO bood de Euribor-hypotheken aan met behulp van grotendeels gestandaardiseerde documentatie, waarin de wijzigingsbedingen waren opgenomen. In 2009 en 2012 heeft ABN AMRO op grond van de wijzigingsbedingen eenzijdig de aan particuliere klanten in rekening gebrachte opslag met achtereenvolgens 0,5% en 1% verhoogd en hen hierover per brief geïnformeerd. Deze handelwijze leidde tot klachten van verschillende klanten, die zich aansloten bij de claimstichtingen. De claimstichtingen startten vervolgens een procedure tegen ABN AMRO, waarin zij bezwaar maakten tegen (de toepassing van) de wijzigingsbedingen.

Beoordeling rechtbank en hof
De Rechtbank Amsterdam kwam tegemoet aan de bezwaren van de claimstichtingen. Zij oordeelde samengevat dat de wijzigingsbedingen kwalificeren als oneerlijke bedingen in de zin van de Richtlijn betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn) en dat ABN AMRO geen beroep toekomt op de wettelijke uitzonderingsgronden. De rechtbank heeft ambtshalve de wijzigingsbedingen op grond van artikel 6:233 onder a BW vernietigd. De vernietiging resulteerde erin dat ABN AMRO geen beroep meer kon doen op de wijzigingsbedingen en de klanten recht kregen op terugbetaling van de door hen betaalde opslagverhogingen.

Tegen deze uitkomst werd door ABN AMRO – tevergeefs - hoger beroep ingesteld. In het arrest van 19 december 2017 sluit het Gerechtshof Amsterdam zich aan bij de redenering van de rechtbank. Volgens het hof voldoen de wijzigingsbedingen niet aan de eisen van transparantie die de Richtlijn stelt en daarmee ook niet aan artikel 6:238 BW lid 2, dat een uitvloeisel is van de Richtlijn en waarin is bepaald dat bedingen duidelijk en begrijpelijk moeten zijn opgesteld. In de wijzigingsbedingen en ook in de overige inhoud van de leningdocumentatie is volgens het hof op geen enkele wijze duidelijk gemaakt onder welke omstandigheden en volgens welke mechanismen de opslag door ABN AMRO kan worden gewijzigd, met als gevolg dat de klant niet op voorhand in staat is gesteld om op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria de economische gevolgen die voor hem uit het beding voortvloeien te voorzien. Op het moment dat de klanten een Euribor-hypotheek afsluiten weten zij volgens het hof niet hoe de opslag tot stand komt en is samengesteld en kunnen zij niet inschatten binnen welke bandbreedte de opslag kan bewegen. Ook is niet duidelijk wat het doel en de achtergrond van de wijzigingsbedingen is, aldus het hof.

De schending van de transparantievereisten zorgt volgens het hof voor een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de klant. Het ‘oneerlijke’ karakter van de wijzigingsbedingen als bedoeld in de Richtlijn is hiermee gegeven. In dit kader acht het hof relevant dat klanten door de toepassing van de wijzigingsbedingen in een juridisch minder gunstige positie zijn geplaatst. Immers, indien ABN AMRO de wijziging van de opslag niet was overeengekomen, zou zij op grond van de wettelijke regels (van aanvullend recht) van de (krediet)overeenkomst die bevoegdheid niet hebben gehad, behoudens uitzonderlijke dan wel onvoorziene omstandigheden (als bedoeld in artikel 6:248 lid 2 en artikel 6:258 BW).

ABN AMRO heeft als verweer onder meer aangevoerd dat de klanten, indien over de wijzigingsbedingen afzonderlijk zou zijn onderhandeld, de wijzigingsbedingen zouden hebben aanvaard, omdat het alternatief een hogere vaste renteopslag op het Euribor-tarief zou zijn geweest en de klanten de Euribor-hypotheek juist hebben gekozen vanwege het lage rentetarief. Het hof volgt ABN AMRO hierin niet. ABN AMRO gaat volgens het hof eraan voorbij dat, indien over de wijzigingsbedingen op een eerlijke en billijke wijze was onderhandeld, de klanten goed waren geïnformeerd over de kenmerken en gevolgen van de wijzigingsbedingen en dat daarbij ook aan de orde was gekomen met welke percentages de opslag verhoogd zou kunnen worden en onder welke omstandigheden een wijziging aan de orde zou kunnen zijn. In dat verband acht het hof verder van belang dat ten tijde van het aangaan van de Euribor-hypotheken onzekerheid bestond over de ontwikkeling van het Euribor-tarief. ABN AMRO heeft in het licht daarvan onvoldoende toegelicht dat zij er redelijkerwijs vanuit kon gaan dat de klanten als gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consumenten de ongeclausuleerde wijzigingsbedingen zouden hebben aanvaard, aldus het hof.

Ook het betoog dat ABN AMRO een beroep zou toekomen op een uitzonderingsgrond als bedoeld in de Richtlijn (punt 2.b, eerste alinea van de Bijlage bij de Richtlijn) wordt door het hof verworpen. ABN AMRO heeft volgens het hof niet inzichtelijk kunnen maken dat er een geldige reden bestond voor de wijzigingen van de opslag, hetgeen vereist is om op de uitzonderingsgrond een beroep te kunnen doen.

Conclusie – positie consumenten en ondernemers
Op basis van de hiervoor besproken hoofdlijnen komt het hof tot de slotsom dat de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam bekrachtigd dient te worden. Gedupeerde particuliere klanten (consumenten) kunnen met het arrest van het hof bij ABN AMRO aankloppen voor terugbetaling van de door hen betaalde opslagverhogingen, ongeacht of zij zijn aangesloten bij de claimstichtingen.

Het arrest van het hof ziet niet op de positie van niet-particuliere klanten, oftewel ondernemers, die mogelijk met eenzelfde handelwijze van ABN AMRO zijn geconfronteerd. Desalniettemin biedt het arrest voor deze groep klanten – met uitzondering van ‘grote’ ondernemers – handvatten om een beroep op vernietiging van wijzigingsbedingen op grond van artikel 6:233 onder a BW te kunnen inkleden. De ‘grote’ ondernemers (als bedoeld in artikel 6:235 lid 1 BW) kunnen geen beroep doen op vernietiging ex artikel 6:233 onder a BW. Wel kunnen zij op grond van artikel 6:248 lid 2 BW (de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid), dat met terughoudendheid wordt toegepast, de toepassing van een wijzigingsbeding proberen aan te vechten.


11-1-2018

Betrokken advocaten