Publicatie
08-01-2018

Voorzieningen bij herstel van de arbeidsovereenkomst

Onder de Wwz is het mogelijk om van iedere ontbindingsbeschikking van de kantonrechter in hoger beroep en cassatie te komen. Een hoger beroep of cassatieberoep schorst de tenuitvoerlegging van de ontbindingsbeschikking niet. Het gevolg daarvan is dat een arbeidsovereenkomst eindigt zodra een ontbindingsverzoek wordt toegewezen.

Indien de rechter in hoger beroep van oordeel is dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ten onrechte heeft ontbonden, dan kan hij ofwel (i) de werkgever veroordelen om de arbeidsovereenkomst te herstellen – mits de werknemer dit heeft verzocht – ofwel (ii) aan de werknemer een billijke vergoeding toekennen (art. 7:683 lid 3 BW). Voor wat betreft het herstel van de arbeidsovereenkomst heeft de Hoge Raad op 22 december 2017 de vraag beantwoord of de appelrechter steeds een voorziening moet treffen voor de periode tussen de ontbinding en het herstel van de arbeidsovereenkomst, in het geval de ontbindingsdatum en de ingangsdatum van het herstel niet samenvallen.

Herstel van de arbeidsovereenkomst in hoger beroep
Indien de rechter oordeelt tot herstel van de arbeidsovereenkomst is hij vrij om te bepalen met ingang van welke datum hij de arbeidsovereenkomst herstelt. Deze datum kan zowel in de toekomst als in het verleden liggen.

Vaak zal het hof tot herstel oordelen vanaf de datum van de ontbinding. Zijn beslissing heeft in dat geval terugwerkende kracht. De werknemer maakt dan alsnog aanspraak op betaling van het loon vanaf de ontbindingsdatum en een eventuele WW-uitkering die de werknemer in de tussenliggende periode heeft ontvangen, geldt dan als onverschuldigd betaald.

Het hof kan echter ook bepalen dat de arbeidsovereenkomst moet worden hersteld vanaf een datum die ná de ontbindingsdatum ligt. In een dergelijk geval treft de rechter voorzieningen omtrent de rechtsgevolgen van de onderbreking van de arbeidsovereenkomst, zo bepaalt de wet (art. 7:683 lid 4 jo. art. 7:682 lid 6 BW).

De Hoge Raad over voorzieningen voor de onderbrekingsperiode
Aan de Hoge Raad is de vraag voorgelegd of de appelrechter – in het geval de ontbindingsdatum en de ingangsdatum van het herstel niet samenvallen - steeds een voorziening moet treffen voor de onderbrekingsperiode. Aanleiding voor deze vraag was een zaak bij het hof Arnhem-Leeuwarden waarin het hof heeft geoordeeld dat een arbeidsovereenkomst die op 10 februari 2016 door de kantonrechter was ontbonden, met ingang van 1 oktober 2016 diende te worden hersteld. Voor de periode tussen de ontbindingsdatum en de hersteldatum trof het hof geen voorziening omdat (i) de werknemer ten tijde van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst – op eigen verzoek – onbetaald verlof genoot, zodat hij in de tussenliggende periode geen inkomens- en/of pensioenschade had geleden als gevolg van de ontbinding, en (ii) de werknemer pas tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep voor het eerst had aangeboden om weer daadwerkelijk aan het werk te gaan. In cassatie werd door de werknemer bepleit dat het hof in strijd met de wet geen voorziening had getroffen. De Hoge Raad ging daar niet in mee en oordeelde “dat de rechter bij herstel van de arbeidsovereenkomst, als daarbij een periode van onderbreking van die overeenkomst optreedt, moet beslissen of daarvoor een voorziening moet worden getroffen, en, zo ja, welke voorziening.” Het is dus aan het oordeel van de rechter overgelaten óf en, zo ja, welke voorziening hij treft.

Uit de wetsgeschiedenis is af te leiden dat een voorziening met name kan worden getroffen voor de vergoeding van financiële schade die de werknemer heeft geleden als gevolg van de onderbreking van de arbeidsovereenkomst. Zo kunnen voorzieningen bestaan uit een veroordeling van de werkgever tot betaling van het verschil tussen een eventueel genoten WW-uitkering en het loon waarop aanspraak zou hebben bestaan, en eventuele pensioenschade als gevolg van de onderbreking. In de zaak die bij de Hoge Raad aan de orde was, lijkt van enige schade voor de werknemer als gevolg van de onderbreking van de arbeidsovereenkomst geen sprake te zijn geweest.

Conclusie
Een werknemer die in hoger beroep herstel van zijn arbeidsovereenkomst vordert, doet er goed aan om zich na de ontbinding door de kantonrechter beschikbaar te houden voor het verrichten van werk. Ook dient de werknemer - voor het geval de appelrechter de vordering tot herstel van de arbeidsovereenkomst weliswaar toewijst, maar met ingang van een datum ná de ontbindingsdatum - het hof te verzoeken voorzieningen te treffen ter compensatie van de geleden schade door de onderbreking van zijn arbeidsovereenkomst.


8-1-2018