Wat gebeurt er met de opbouw van vakantiedagen als een werknemer langer dan twee jaar ziek is?

Aangemaakt: 23 september 2025

Wat gebeurt er met de opbouw van vakantiedagen als een werknemer langer dan twee jaar ziek is?

Wat gebeurt er met de opbouw van vakantiedagen als een werknemer langer dan twee jaar ziek is? Volgens de Nederlandse wet stopt die opbouw zodra het recht op loon vervalt. Maar dat botst met Europese regels, waarin juist het recht op vakantie tijdens ziekte wordt beschermd. Nederlandse rechters hielden tot nu toe desondanks vast aan de tekst van de Nederlandse wet. De rechtbank Gelderland doorbrak dit recentelijk en oordeelde als volgt: “Zieke werknemers bouwen de gehele ziekteperiode, en niet alleen de eerste twee ziektejaren, volledige vakantie-uren op, ongeacht of zij arbeid verrichten en ongeacht of zij recht hebben op loon”. In deze blog lees je hoe deze uitspraak een nieuwe richting geeft aan de discussie over vakantieopbouw bij langdurige arbeidsongeschiktheid.

Wat zegt de Nederlandse wet?
Op grond van artikel 7:634 BW (de bepaling in de wet over de opbouw van vakantiedagen) bouwt de werknemer over ieder jaar waarin hij recht heeft op loon vakantie op. Deze opbouw bedraagt ten minste vier maal de overeengekomen arbeidsduur per week, of een prorata deel daarvan indien de werknemer slechts over een deel van dat jaar recht had op loon. Is een werknemer langer dan twee jaar arbeidsongeschikt en is er geen recht meer op loon? Dan stopt strikt genomen op grond van artikel 7:634 BW ook de opbouw van vakantiedagen.

Wat zegt het Europees recht?
Het Europese recht koppelt de opbouw van vakantiedagen niet aan een recht op loon.  Artikel 7 van de Richtlijn 2003/88/EG bepaalt over de opbouw van vakantiedagen dat lidstaten de maatregelen moeten treffen zodat aan alle werknemers jaarlijks een vakantie met behoud van loon van ten minste vier weken wordt toegekend. Dat een werknemer voor de opbouw van vakantiedagen recht moet hebben op loon, volgt niet uit de Richtlijn. Er moet sprake zijn van arbeid, zegt het HvJ EU, tenzij sprake is van een uitzondering zoals ziekte. In het arrest Schultz-Hoff uit 2009 overwoog het HvJ EU hierover dat de Richtlijn geen onderscheid maakt tussen werknemers die wegens ziekteverlof hun arbeid verzuimen, en werknemers die in genoemde periode daadwerkelijk hebben gewerkt.

De Nederlandse wet wijkt dus - ten nadele van de werknemer - af van de Richtlijn. In de literatuur en zelfs rechtspraak is hier al vaker op gewezen maar tot nu durfde de rechtspraak een richtlijnconforme uitleg niet aan, omdat dit tegen het Nederlandse recht ingaat. Sterker nog “Hier ligt een taak voor de wetgever”, zo oordeelde de rechtbank Gelderland zelf nog in juni 2024 toen de vraag voorlag of een werknemer ook recht had op de opbouw van vakantiedagen in derde ziektejaar. 

Is een werknemer langer dan twee jaar arbeidsongeschikt en is er geen recht meer op loon? Dan stopt strikt genomen op grond van artikel 7:634 BW ook de opbouw van vakantiedagen.

Uitspraak Rechtbank Gelderland 26 augustus 2025 (ECLI:NL:RBGEL:2025:7054)
Het niet op een juiste wijze kunnen toepassen van de Richtlijn bleef de rechtbank Gelderland vermoedelijk bezig houden. En hoewel een richtlijnconforme uitleg contra legem (dat wil zeggen tegen de wetbepaling in) is en niet is toegestaan, zag zij in augustus 2025 ruimte om de Richtlijn via een andere route toe te passen. Dit deed zij in een zaak waarin wederom de vraag centraal stond tot welk moment langdurig zieke werknemers vakantiedagen bleven opbouwen. De rechtbank Gelderland vond de sleutel in artikel 31 lid 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.  Dit artikel bevat ook het recht op vakantie en – zoals eerder bevestigd door HvJ EU – kan tussen particulieren worden ingeroepen. Aangezien het HvJ EU ook had geoordeeld dat indien een nationale regeling niet op een zodanige manier kan worden uitgelegd dat zij verenigbaar is met artikel 31 lid 2 van het Handvest, het aan de rechter is om binnen het kader van zijn bevoegdheden de rechtsbescherming te verzekeren door zo nodig de nationale regeling die daarmee strijdig is, buiten toepassing te laten, vond de rechtbank Gelderland daarin het haakje om artikel 7:634 BW ter zijde te schuiven. In lijn met de Richtlijn oordeelde de rechtbank Gelderland daarom dat hoewel in de voorliggende kwestie de loondoorbetalingsverplichting wegens ziekte reeds op 29 februari 2024 was afgelopen, de werkgever gehouden was de opgebouwde vakantieuren tot het einde van het dienstverband, in dit geval 12 augustus 2025, uit te betalen.

Met deze uitspraak zet de rechtbank Gelderland - wat mij betreft - een gedurfde maar betekenisvolle stap.  Of andere rechtbanken deze lijn durven te volgen, zal moeten blijken. Omdat een richtlijn conforme uitleg ook weer andere vragen oproept (bijvoorbeeld over de opname van vakantiedagen bij langdurige arbeidsongeschiktheid)  is het vooral van belang dat de wetgever zich hierover gaat uitlaten en alle onduidelijkheid wordt weggenomen. 

(lang)slapers?
Voor werkgevers betekent deze uitspraak dat er een reden is bijgekomen om afscheid te nemen van arbeidsongeschikte “(lang) slapers”. Immers, de loondoorbetalingsverplichting zal bij langdurige ziekte op enig moment wel stoppen maar als deze lijn in de jurisprudentie en wellicht de wet wordt doorgezet stopt de vakantiedagenopbouw niet.

Meer gerelateerde updates