
Inleiding
In het verzekeringsrecht speelt de mededelingsplicht van de verzekeringnemer een centrale rol. Bij het aangaan van de verzekering moet de verzekeringnemer alle informatie aan de verzekeraar verstrekken die (mogelijk) relevant is. Indien deze plicht wordt geschonden, kan de verzekeraar daar in beginsel gevolgen aan verbinden, zoals het weigeren van dekking of het beëindigen van de verzekering.
Daar staat tegenover dat ook op de verzekeraar een verplichting rust. Uit artikel 7:929 lid 1 BW volgt dat de verzekeraar die ontdekt dat niet aan de mededelingsplicht is voldaan, de gevolgen daarvan slechts in kan roepen als hij de verzekeringnemer binnen twee maanden na de ontdekking op de niet-nakoming wijst onder vermelding van de mogelijke gevolgen. Dit wordt ook wel de ‘kennisgevingsplicht’ genoemd. Over het moment waarop de deze termijn begint te lopen kan onduidelijkheid bestaan. In het arrest van de Hoge Raad van 27 februari 2026 wordt duidelijkheid verschaft over de aanvang van deze termijn bij schending van de mededelingsplicht bij een arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Belangrijkste feiten
In de zaak die voorlag bij de Hoge Raad ging het om een verzekerde die bij het sluiten van een arbeidsongeschiktheidsverzekering eerdere rugklachten had verzwegen. Jaren later meldde hij zich arbeidsongeschikt bij de verzekeraar en deed hij een beroep op uitkering op grond van de arbeidsongeschiktheidsverzekering. De verzekeraar ontving vervolgens in het kader van haar onderzoek medische informatie waaruit deze eerdere klachten naar voren kwamen. De verzekeraar stelde zich vervolgens op het standpunt dat de mededelingsplicht was geschonden en weigerde dekking.
De verzekerde betwistte echter dat de verzekeraar zich hier nog op kon beroepen. Volgens hem had de verzekeraar hem niet tijdig geïnformeerd.
Oordeel Hoge Raad
De Hoge Raad herhaalt eerst zijn eerdere oordeel dat de tweemaandentermijn voor deze kennisgeving pas begint te lopen zodra de verzekeraar voldoende zekerheid heeft verkregen dat de mededelingsplicht is geschonden (HR 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1050, rov. 3.5). Daaraan voegt de Hoge Raad voor arbeidsongeschiktheidsverzekeringen het volgende toe. Als de verzekeraar vermoedt dat de verzekeringnemer zijn mededelingsplicht bij het afsluiten van een arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft geschonden, en hij daarvoor een medisch adviseur inschakelt, dan telt het moment waarop de medisch adviseur medische informatie ontvangt, in de regel nog niet als het moment van "ontdekking" in de zin van artikel 7:929 lid 1 BW. Dit hangt samen met het beroepsgeheim van de medisch adviseur: zolang diens bevindingen niet zijn gedeeld met de verzekeraar, is de verzekeraar nog niet in staat te beoordelen of — en in hoeverre — de precontractuele opgave van de verzekeringnemer tekortschoot. De twee-maandentermijn begint dan pas te lopen zodra de medisch adviseur zijn advies aan de verzekeraar heeft uitgebracht én de verzekeraar vervolgens met gepaste voortvarendheid heeft beoordeeld wat dat advies betekent voor de nakoming van de mededelingsplicht.
Voor de praktijk betekent dit dat verzekeraars in deze gevallen dus ruimte hebben voor zorgvuldig onderzoek, mits zij voortvarend handelen.
De gehele uitspraak lees u hier terug.


