Externe commissarisaansprakelijkheid: de Hoge Raad geeft duidelijkheid

Aangemaakt: 22 juni 2026

Externe commissarisaansprakelijkheid: de Hoge Raad geeft duidelijkheid

Het bestuur van een vennootschap is verantwoordelijk voor het reilen en zeilen van de onderneming. Commissarissen houden toezicht op het bestuur. Zij zijn dus niet verantwoordelijk voor het dagelijkse beleid van de onderneming. Toch kunnen commissarissen onder omstandigheden naast de bestuurders persoonlijk aansprakelijk zijn als zij tekortschieten in hun toezichthoudende taak. 

Voor de aansprakelijkheid van commissarissen tegenover de vennootschap (‘interne aansprakelijkheid’) was al langer duidelijk dat daarvoor een hoge drempel geldt: commissarissen zijn alleen persoonlijk aansprakelijk als hen een ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. Minder duidelijk was of eenzelfde strenge maatstaf ook geldt wanneer commissarissen worden aangesproken door derden, zoals aandeelhouders of kopers van een onderneming (de zogenoemde ‘externe aansprakelijkheid’). Daarover heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 30 januari 2026 duidelijkheid gegeven: óók voor externe aansprakelijkheid van commissarissen geldt een hoge aansprakelijkheidsdrempel.

Achtergrond
De zaak speelt zich af rondom scheepvaartbedrijf Fairstar. Voor het binnenhalen van een grote opdracht had Fairstar een extra schip nodig. Het bestuur bereikte daarom in 2011 overeenstemming met een scheepsbouwer over de bouw van een schip voor een bedrag van $ 111 miljoen. Op grond van de statuten was voor deze overeenkomst goedkeuring van de RvC vereist. De RvC verleende die goedkeuring, maar verbond daaraan uitdrukkelijk de voorwaarde dat de benodigde financiering vooraf zou worden verkregen. Het bestuur handelde echter anders. In weerwil van die goedkeuringsvoorwaarde sloot het bestuur namelijk een onvoorwaardelijk scheepsbouwcontract ter waarde van $ 111 miljoen. Tegenover de RvC presenteerde het bestuur de eerste betalingsverplichting van $ 2 miljoen als een 'optiebetaling', waardoor de werkelijke omvang van de verplichting uit het zicht van de commissarissen werd gehouden. De daarmee samenhangende verplichtingen werden bovendien niet verwerkt in de jaarrekening van Fairstar over 2011.

Nadat Dockwise in 2012 Fairstar (vijandig) had overgenomen, stuitte zij op het scheepsbouwcontract en ontdekte zij dat de werkelijke verplichtingen niet in de jaarrekening waren verantwoord. Naar aanleiding daarvan stelden Dockwise en Fairstar samen de toenmalige commissarissen van Fairstar persoonlijk aansprakelijk. Volgens Dockwise en Fairstar hadden zij onvoldoende toezicht gehouden op het bestuur, dat zich zonder geldige goedkeuring van de RvC had verbonden aan het contract en een misleidende voorstelling van zaken in de jaarrekening had gegeven. 

Dit leidde tot een rechtszaak, waarin zowel de rechtbank als het gerechtshof oordeelden dat de commissarissen persoonlijk aansprakelijk zijn tegenover Fairstar als vennootschap en Dockwise als koper en aandeelhouder. Het gerechtshof oordeelde dat de commissarissen tegenover Fairstar aansprakelijk zijn, en baseerde daarop dat zij óók tegenover Dockwise aansprakelijk zijn. Het hof had dus niet zelfstandig beoordeeld of de commissarissen tegenover Dockwise onrechtmatig hebben gehandeld. De commissarissen klagen in cassatie dat het hof dat wel zelfstandig had moeten beoordelen.

Oordeel van de Hoge Raad
De Hoge Raad benadrukt dat voor persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders én commissarissen in het algemeen een hoge drempel geldt. Mede gelet daarop oordeelt de Hoge Raad dat het hof zijn oordeel dat de commissarissen in hun functie naast Fairstar óók tegenover Dockwise (als derde partij) ernstig verwijtbaar onrechtmatig hebben gehandeld, onvoldoende heeft gemotiveerd. Daarover heeft het hof namelijk geen zelfstandig oordeel gegeven, terwijl dat mede gezien de hoge drempel voor aansprakelijkheid wel had gemoeten.

De Hoge Raad vernietigt daarom het oordeel van het gerechtshof Amsterdam en verwijst de zaak naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing.

Relevantie voor commissarissen
Deze procedure is om twee redenen van direct belang voor de praktijk van commissarissen. 

In de eerste plaats geeft de Hoge Raad duidelijkheid over de drempel voor externe aansprakelijkheid van commissarissen. Het was al bekend dat voor aansprakelijkheid van commissarissen tegenover de vennootschap dezelfde hoge drempel geldt als voor bestuurders. De Hoge Raad bevestigt nu in deze uitspraak dat óók een hoge aansprakelijkheidsdrempel geldt in de externe verhouding tegenover derden, zoals aandeelhouders of kopers van een vennootschap. Mede daarom mocht het hof er niet mee volstaan om zijn oordeel dat de commissarissen tegenover Dockwise aansprakelijk waren te baseren op zijn oordeel dat zij tegenover Fairstar aansprakelijk zijn. Nu er óók voor externe aansprakelijkheid een hoge drempel geldt, moest het hof zelfstandig ingaan op het verweer van de commissarissen dat zij tegenover Dockwise niet aansprakelijk zijn. Dit uitgangspunt biedt belangrijke bescherming aan commissarissen die in hun toezichthoudende rol in een andere verhouding staan tot bijvoorbeeld aandeelhouders, dan tot de vennootschap.

In de tweede plaats illustreren de feiten in deze zaak dat commissarissen zich niet zonder meer achter mededelingen van het bestuur mogen verschuilen. In de onderhavige zaak hadden de commissarissen bij het vernemen van een ‘termination fee’ van $ 37,5 miljoen bijvoorbeeld redenen moeten zien om vraagtekens te plaatsen bij de mededeling van het bestuur dat er slechts sprake was van een optie om het schip te laten bouwen. Actief doorvragen en het zorgvuldig vastleggen van de wijze waarop aan de toezichthoudende taak invulling is gegeven, zijn dan ook onmisbare instrumenten om aansprakelijkheidsrisico’s te beperken.

De volledige uitspraak van de Hoge Raad leest u hier

Meer weten over Bestuurders- en Beroepsaansprakelijkheid?

Meer weten over Bestuurders- en Beroepsaansprakelijkheid?

Meer gerelateerde updates