
Een advocaat heeft de plicht om zorgvuldig te handelen tegenover zijn cliënt. Die zorgplicht houdt onder meer in dat hij van begin tot eind de belangen van zijn cliënt in het oog houdt, ook als de cliënt niet meer op hem reageert. In een recente zaak van het gerechtshof Amsterdam gaat het hof in op de invulling in reikwijdte van de voortdurende zorgplicht.
De feiten van de zaak waren als volgt. Een advocaat heeft zijn cliënt begeleid bij het sluiten van een vaststellingsovereenkomst met diens werkgever. In de vaststellingsovereenkomst is afgesproken dat de werkgever pensioenrechten ter waarde van € 40.000,- aan een vennootschap van de werknemer zou uitkeren. De betaling zou uiterlijk in augustus 2005 plaatsvinden. In augustus 2005 keert de werkgever de pensioenrechten echter niet aan de vennootschap van de werknemer uit. De werkgever stelt op zichzelf wel bereid te zijn om de betaling te doen, maar volgens hem is de uitkering aan de vennootschap bij nader inzien in strijd met de wet.
Naar aanleiding van de discussie met de werkgever schakelt de advocaat een derde in om namens zijn cliënt de uitkering van de pensioenrechten te realiseren. Ook die derde stuit echter op bezwaren van de werkgever. Daarop geeft de advocaat zijn cliënt de keuze om het pensioenkapitaal bij een verzekeraar te laten storten, omdat de werkgever daar wel toe bereid zou zijn. De cliënt reageert echter niet meer op deze suggestie en laat niets meer van zich horen. Ook de advocaat laat de kwestie rusten en neemt geen contact meer op met zijn cliënt. Ook dringt de advocaat niet verder aan op betaling door de werkgever en sluit hij uiteindelijk het dossier.
Geruime tijd later, in 2014, neemt de cliënt contact op met de werkgever voor de uitkering van de pensioenrechten. De werkgever beroept zich inmiddels echter op de verjaring van de vordering. Daarop start de cliënt een procedure tegen zijn voormalige advocaat. De advocaat wijst aansprakelijkheid af en voert als verweer dat het voor zijn cliënt duidelijk had moeten zijn dat hij niet langer voor de uitkering van de pensioenrechten zou zorgen. Hij had zijn cliënt immers de keuze gegeven om het pensioenkapitaal alsnog bij een verzekeraar af te storten, maar heeft daarop geen antwoord van zijn cliënt ontvangen. Daarnaast stelt de advocaat dat de uitkering aan de vennootschap van de werknemer in strijd is met de wet, waardoor er voor hem geen plicht is om zorg te dragen voor de nakoming van deze afspraak.
Het hof volgt de advocaat niet in zijn verweer. De advocaat had erop moeten toezien dat de werkgever zijn betalingsverplichting uit de vaststellingsovereenkomst zou nakomen, of dat de vordering van zijn cliënt op de werkgever niet zou verjaren. Het hof overweegt verder dat in het midden kan blijven of de afspraak in de vaststellingsovereenkomst in strijd is met de wet. De advocaat had namelijk de taak om te bevorderen dat het overeengekomen bedrag aan de cliënt ten goede zou komen. Dat heeft hij nu juist nagelaten. Volgens artikel 7:902 BW is bovendien een vaststellingsovereenkomst die in strijd is met de wet geldig, zolang de inhoud niet in strijd is met de goede zeden of de openbare orde. Daarvan is in deze zaak geen sprake. Dat de betalingswijze in strijd is met de wet, ontslaat de advocaat niet van zijn verplichtingen om voor betaling zorg te dragen.
Het hof komt daarmee tot de slotsom dat de advocaat aansprakelijk is voor de schade die zijn voormalige cliënt als gevolg van de verjaring heeft geleden.
De volledige uitspraak van het gerechtshof Amsterdam vindt u hier: ECLI:NL:GHAMS:2024:772, Gerechtshof Amsterdam, 200.301.623/01 (rechtspraak.nl).

