Transportbedrijf PGV komt niet weg met flitsfaillissement

Aangemaakt: 05 oktober 2018

Transportbedrijf PGV komt niet weg met flitsfaillissement

Werknemers van het failliet verklaarde transportbedrijf PGV zijn na het flitsfaillissement toch in dienst getreden van de doorstarter. Dat is de uitkomst van de rechtszaak die vakbond FNV en acht werknemers van het failliete PGV tegen het transportbedrijf hadden aangespannen.

De zaak werd in november 2016 door de kantonrechter van de Rechtbank Limburg aangehouden in afwachting van de antwoorden op de prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Smallsteps. De kantonrechter gaat in de zaak van PGV in op het arrest van het Hof van Justitie.

Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 22 juni 2017 geoordeeld dat de uitzondering op het behoud van de rechten van werknemers bij overgang van ondernemingen strikt moet worden uitgelegd. De uitzondering is slechts van toepassing wanneer is voldaan aan alle drie de in artikel 5 van de Richtlijn 2001/23/EG genoemde voorwaarden, te weten:

  • de vervreemder moet verwikkeld zijn in een faillissementsprocedure of een gelijksoortige procedure;
  • deze procedure moet zijn ingeleid met het oog op de liquidatie van het vermogen van de onderneming;
  • de procedure moet onder toezicht staan van een bevoegde overheidsinstantie.

De discussie in het geval van PGV spitst zich toe op de vraag wat het doel van de ingeleide faillissementsprocedure was: het voortzetten van de activiteiten van de onderneming of liquidatie van het vermogen met als doel een zo hoog mogelijke uitbetaling aan haar schuldeisers.

Volgens de kantonrechter was reeds tijdens de stille bewindvoering duidelijk dat een doorstart het doel was. Voor faillissement heeft de stille bewindvoerder biedingen ontvangen van partijen die geïnteresseerd waren in een overname van PGV. Een van de biedingen was (indirect) afkomstig van de moedervennootschap van PGV.

Na faillissement heeft de curator alle werknemers van PGV ontslagen. Twee dagen later bereikte de curator overeenstemming met de overnemende partij. De overnemende partij bestond uit drie vennootschappen van de moedervennootschap van PGV. De kantonrechter is van oordeel dat de overnemende partij feitelijk dezelfde werkzaamheden verricht als PGV. Daarnaast heeft de overnemende partij onder meer de immateriële activa, het klantenbestand en de handelsnaam van PGV overgenomen. Deze omstandigheden wijzen er volgens de kantonrechter op dat de identiteit van PGV behouden is gebleven. Het feit dat het materieel en personeel van PGV niet in dezelfde vennootschappen zijn ondergebracht, maakt volgens de kantonrechter – onder verwijzing naar het arrest Klarenberg/ Ferrotron – geen verschil.

De kantonrechter stelt vast dat de opzegging van de arbeidsovereenkomsten voor de overgang van onderneming heeft plaatsgevonden. Dit heeft tot gevolg dat de werknemers voor de resterende duur van de opzegtermijn van zes weken in dienst zijn getreden bij de overnemende partij. Omdat de werknemers niet tijdig de vernietigbaarheid van de opzegging wegens overgang van onderneming hebben ingeroepen, kan de kantonrechter niet anders dan concluderen dat de opzegging door de curator in stand blijft. De aanspraken van de betrokken werknemers van PGV betreffen dus slechts een loonaanspraak over de resterende opzegtermijn.


5-10-2018

Betrokken(en)

Laatste updates