
English version below
Wie als curator wordt aangesteld in een faillissement, staat meteen voor een van de meest fundamentele vragen: wat zit er eigenlijk in de boedel? In de praktijk is die vraag lang niet altijd eenvoudig te beantwoorden. Vermogen kan bijvoorbeeld zijn weggesluisd naar gelieerde partijen of zijn ondergebracht in structuren in het buitenland. Op 30 maart 2026 is Richtlijn (EU) 2026/799 tot harmonisatie van bepaalde aspecten van het insolventierecht (“Insolventierichtlijn”) vastgesteld. De richtlijn introduceert een samenhangend pakket aan bevoegdheden voor insolventiefunctionarissen op het gebied van zogenoemde asset tracing: het identificeren en opsporen van vermogensbestanddelen die tot de boedel behoren. Deze blog gaat in op wat die nieuwe bevoegdheden inhouden, hoe ze in de praktijk werken en wat ze betekenen voor de Nederlandse curator.
Waarom een Europese regeling voor het opsporen van activa?
De aanleiding voor dit onderdeel van de Insolventierichtlijn is dat het opsporen van activa in binnen- en buitenland eenvoudiger moet worden gemaakt. Insolventiefunctionarissen hebben weliswaar toegang tot publiek toegankelijke informatiesystemen in het eigen land, maar bij grensoverschrijdende kwesties ontbreekt vaak de toegang tot buitenlandse systemen. De Insolventierichtlijn bepaalt dat insolventiefunctionarissen bij de uitoefening van hun taken in het kader van insolventieprocedures direct of indirect toegang moeten hebben tot informatie in databanken die niet openbaar toegankelijk is.
Het gaat hierbij uitdrukkelijk niet alleen om activa die al in de faillissementsboedel vallen. Opsporen van activa ziet in de richtlijn ook op activa die het voorwerp zijn van een vordering tot vernietiging of nietigverklaring (zoals de Nederlandse actio pauliana). Dat verbreedt het praktische bereik van de nieuwe regeling aanzienlijk: ook bij het opsporen van vermogen dat de schuldenaar vóór faillissement heeft weggesluisd, staan de nieuwe bevoegdheden ter beschikking.
Bankrekeningen: toegang tot registers
De meest in het oog springende aanpassing betreft de toegang tot bankrekeninginformatie. Met bankrekeninginformatie wordt met name bedoeld wie de rekeninghouder is en welke IBAN-nummers bekend zijn. Onder dit begrip vallen ook effecten- en cryptorekeningen en fysieke bankkluizen. Curatoren krijgen tot deze informatie eenvoudiger toegang, maar dat hoeft niet te betekenen dat curatoren zelf de informatie kunnen raadplegen. De Insolventierichtlijn kiest namelijk voor een indirecte route: elke lidstaat moet een gerechtelijke instantie of autoriteit aanwijzen die bevoegd is deze informatie te raadplegen en aan de curator te verstrekken.
De procedure werkt in praktische zin als volgt. De curator dient een verzoek in bij de aangewezen autoriteit. Die autoriteit mag de registers slechts raadplegen als aan twee cumulatieve voorwaarden is voldaan: de curator is aangesteld in een lopend faillissement én de informatie is noodzakelijk voor het identificeren en opsporen van (1) boedelactiva, óf (2) activa die voorwerp zijn van een vernietigings- of nietigverklaringsvordering (zoals de Nederlandse actio pauliana).
Onder het bereik van deze bevoegdheden valt dus ook bankrekeninginformatie van derden. Deze informatie is raadpleegbaar als er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat deze derden voordeel hebben gehad van rechtshandelingen die nietig of vernietigbaar zijn. Dat is voor de insolventiepraktijk een relevante bevoegdheid: ook bij het traceren van onttrokken vermogen via paulianeuze transacties kan de bankrekening van de begunstigde derde in beeld komen.
Grensoverschrijdend: BARIS verbindt Europa's bankregisters
Juist bij grensoverschrijdende faillissementen is de winst van de Insolventierichtlijn het grootst. De Richtlijn verplicht lidstaten ervoor te zorgen dat hun aangewezen autoriteiten ook via het zogenoemde Bank Account Registers Interconnection System (BARIS) rechtstreeks en onmiddellijk toegang kunnen krijgen tot bankrekeninginformatie in andere lidstaten. BARIS fungeert als koppeling tussen de nationale bankregisters van alle lidstaten en wordt beheerd door de Europese Commissie.
In de praktijk betekent dit dat een Nederlandse curator in een faillissement met activa in bijvoorbeeld Duitsland of Luxemburg, via de aangewezen Nederlandse autoriteit kan verzoeken om raadpleging van de registers van bankrekeningen in het buitenland. In een puur nationale context mogen lidstaten overigens verder gaan en de curator zélf directe toegang verlenen tot het nationale bankrekeningenregister. In een grensoverschrijdende context blijft het inschakelen van een intermediaire autoriteit echter altijd vereist: BARIS-toegang verloopt per definitie indirect.
Waarborgen: logboek, doelbinding en vertrouwelijkheid
Het raadplegen van de bankinformatie wordt als inbreuk op de privacy gezien. Daarom bevat de Richtlijn strikte waarborgen. Toegang tot de bankinformatie is slechts toegestaan door specifiek daartoe aangesteld personeel van het gerecht of administratieve autoriteit. Dat personeel moet volgens de richtlijn hoge professionele normen van vertrouwelijkheid in acht nemen. Verder mag de verkregen informatie uitsluitend worden gebruikt voor het doel waarvoor zij is verkregen.
Toegang tot bankrekeninginformatie moet door de beheerder van de rekening worden bijgehouden in een logboek. Die logbestanden worden vijf jaar bewaard en worden uitsluitend ingezet voor nalevingstoezicht. Ook curatoren moeten interne procedures inrichten voor passend beheer van de vertrouwelijke informatie die zij ontvangen.
UBO-registers: inzage zonder waarschuwing
Naast de bankregisters biedt de Insolventierichtlijn aan curatoren directe toegang tot de gekoppelde centrale UBO-registers van alle lidstaten. Insolventiefunctionarissen kunnen inzage krijgen in de naam, geboortemaand en -jaar, het land van verblijf en de nationaliteit van de uiteindelijke begunstigde van een juridische entiteit. Ook de omvang van het economische belang kan worden ingezien.
De toegang tot het register wordt verkregen zonder de betrokken entiteit of uiteindelijke begunstigde te waarschuwen. Dit moet voorkomen dat betrokkenen voortijdig op de hoogte raken van het faillissementsonderzoek en maatregelen treffen om vermogen aan het zicht te onttrekken.
Registers en databanken: aanvulling op de praktische gereedschapskist
De Insolventierichtlijn bepaalt ook dat curatoren directe toegang tot nationale registers en databanken krijgen. Uit een bijlage bij de Richtlijn volgt dat dit gaat om een groot aantal nationale registers, waaronder kadastrale registers, registers van roerende goederen, schenkingsregisters, registers met informatie over de eigendom van effecten, registers van pandrechten, registers van eigendomsbeslag, en IE-registers.
De richtlijn verplicht lidstaten deze toegang te verlenen aan iedere insolventiefunctionaris (waaronder curatoren). Anders dan bij de hiervoor besproken bankregisters is hier geen tussenkomst van een aangewezen autoriteit vereist.


