Maand van de Medezeggenschap - blog 2: Intrekken thuiswerkbeleid: instemmingsrecht voor de OR?

Aangemaakt: 09 februari 2026

Maand van de Medezeggenschap - blog 2: Intrekken thuiswerkbeleid: instemmingsrecht voor de OR?

Onlangs oordeelde de kantonrechter van de Rechtbank Oost-Brabant over instemmingsrecht voor de OR ten aanzien van thuiswerkbeleid.

Waar ging deze zaak over?
Deze zaak ging erover of een bedrijf zonder instemming van de ondernemingsraad (OR) het bestaande thuiswerkbeleid voor alle medewerkers mocht intrekken.

Sinds 2016 hadden de werknemers de mogelijkheid om thuis te werken. Op 9 april 2025 kondigde het internationale management van het concern aan dat alle medewerkers vanaf juni verplicht zouden zijn om alle werkdagen op kantoor aanwezig te zijn. De OR van de Europese tak maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd afgewezen. Kort daarna, op 4 juni 2025, liet het management van de Nederlandse vennootschap weten dat de maatregel ook voor het Nederlandse deel zou gaan gelden. De OR verklaarde het besluit nietig en startte een kort geding. De OR verzocht onder andere om te bepalen dat de werkgever het besluit niet mocht uitvoeren. 

De OR voerde aan dat in artikel 27 van de Wet op de ondernemingsraden staat dat voor elk voorgenomen besluit tot intrekking, wijziging of vaststelling van een regeling die toe ziet op de arbeidsomstandigheden instemming van de OR vereist is. Naar het oordeel van de OR is thuiswerken een omstandigheid die direct verband houdt met de werkdruk, de balans tussen werk en privé en dus met de psychosociale arbeidsbelasting. De OR vond daarom dat hij instemmingsrecht had over het besluit om de thuiswerkmogelijkheden te beperken. Nu de OR niet om instemming was verzocht, mocht de ondernemer het besluit volgens de OR niet uitvoeren.

De werkgever stelde zich op het standpunt dat de OR te laat was met de nietigverklaring van het besluit. Op grond van artikel 27 lid 5 Wet op de ondernemingsraden moet een nietigverklaring binnen één maand na aankondiging plaatsvinden. Die aankondiging was volgens de werkgever al in april gedaan, toen de internationale tak het besluit had aangekondigd. De OR verklaarde het besluit pas op 20 juni nietig en zou daarmee te laat zijn geweest. Daarnaast voerde de werkgever aan dat het besluit tot afschaffing van thuiswerken niet kwalificeert als een regeling die betrekking heeft op de arbeidsomstandigheden in de zin van artikel 27 lid 1 Wet op de ondernemingsraden en dus het besluit zonder instemming van de OR mocht nemen. 

Het oordeel van de kantonrechter
De kantonrechter oordeelde dat de OR in zijn recht stond om het besluit nietig te verklaren. 

Vanaf welk moment begint het termijn te lopen?
Volgens de kantonrechter had de OR het besluit echter op tijd nietig verklaard. De kantonrechter vond dat de mededeling van de bestuurder aan de OR op 4 juni 2025 moest worden aangemerkt als het besluit in de zin van artikel 27 lid 5 WOR. De CEO van het concern kon niet worden aangemerkt als ondernemer in de zin van artikel 1 lid 1 sub d WOR en dus kon zijn mededeling op 9 april 2025 niet worden aangemerkt als een besluit of mededeling als bedoeld in artikel 27 lid 5 WOR. 
De kantonrechter overwoog dat dit anders had kunnen zijn als de werkgever had onderbouwd dat het de bestendige lijn was dat besluiten binnen de groep door de dochterondernemingen werden uitgevoerd. Dat was hier echter niet het geval. 

Wettelijk instemmingsrecht
Verder vond de kantonrechter dat het wijzigen van het thuiswerkbeleid onder het wijzigen van de arbeidsomstandigheden valt, zodat daarvoor instemming van de OR nodig is. 

De kantonrechter overwoog dat de werkomstandigheden van iemand die de vrijheid heeft om thuis te werken wezenlijk anders zijn dan die van iemand die de volledige werkweek op kantoor aanwezig moet zijn. Thuiswerken heeft direct invloed op de werkdruk en de balans tussen privé en werk en dus met de arbeidsomstandigheden. 

Bovenwettelijk instemmingsrecht
De kantonrechter benoemde verder dat als de OR geen wettelijk instemmingsrecht zou hebben gehad op basis van artikel 27 WOR, zij in dit geval op grond van artikel 32 lid 2 WOR een bovenwettelijk instemmingsrecht zou hebben gehad. De werkgever had in 2017 namelijk instemming aan de OR gevraagd voor implementatie van flexibel werken. Het thuiswerken was hier een belangrijk onderdeel van. De werkgever had in het kader van de instemmingsaanvraag de thuiswerkovereenkomsten ook aan de OR toegezonden. De OR kreeg daarmee een bovenwettelijk instemmingsrecht, wat hij ook nu kon inroepen.

In recente rechtspraak is geoordeeld dat het wijzigen van het thuiswerkbeleid kwalificeert als een wijziging van de arbeidsomstandigheden waarvoor instemming van de OR is vereist. 

Eerdere uitspraken over wijziging van thuiswerkbeleid
In een vergelijkbare zaak oordeelde de kantonrechter van de Rechtbank Amsterdam ook al dat het beperken van het thuiswerkbeleid onder het instemmingsrecht van artikel 27 WOR viel.

In die zaak verzocht de werkgever om vervangende toestemming. De kantonrechter wees dit verzoek af en overwoog daartoe kortgezegd dat de argumenten van de werkgever om het beleid wél te wijzigen kortgezegd niet redelijker zijn dan de OR. Dat de OR geen instemming had gegeven was daarom volgens de rechtbank niet onredelijk.

Wat betekent dit voor de praktijk?
In twee recente uitspraken is geoordeeld dat het wijzigen van het thuiswerkbeleid kwalificeert als een wijziging van de arbeidsomstandigheden waarvoor instemming van de OR is vereist. 

In de literatuur was hier wel kritiek op, bijvoorbeeld omdat het besluit in de zaak van de Rechtbank Amsterdam niet tot doel had om het arbeidsomstandighedenbeleid te wijzigen. Die wijziging was slechts een gevolg en daar ziet het instemmingsrecht in beginsel niet op. 
Om dezelfde reden werd ten aanzien van de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant in de literatuur ook wel afgevraagd of het instemmingsrecht niet te ver was opgerekt.

Desondanks is het voor werkgevers vooralsnog belangrijk om tijdig te onderzoeken in hoeverre de OR moet worden betrokken. Voor ondernemingsraden blijft het wijzigen van thuiswerkbeleid een onderwerp om alert op te zijn.  

Bronnen
Rechtbank Oost-Brabant 15 september 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:5758
Rechtbank Amsterdam 2 juni 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:3782

Meer weten over Medezeggenschap?

Meer weten over Medezeggenschap?

Meer gerelateerde updates