
Nu de Omgevingswet bijna een jaar in werking is, zijn de eerste ervaringen opgedaan met de BOPA. Gemeenten grijpen vaak naar de BOPA om afwijkingen van het omgevingsplan te vergunnen. Opvallend is dat in de praktijk niet alleen veel vragen leven over de toepasbaarheid van de BOPA maar ook over de vraag welke procedure moet worden doorlopen. Veel gemeenten hebben inmiddels beleid opgesteld op basis waarvan een keuze wordt gemaakt of de reguliere of uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. Dit beleid blijkt in de praktijk niet altijd juridisch juist of duidelijk. Dergelijke discussie leiden tot onnodige vertraging. In dit blog bespreken we de bevoegdheid om de uitgebreide voorbereidingsprocedure toe te passen en doen we aanbevelingen over de wijze waarop bevoegde gezagen deze bevoegdheid juridisch juist kunnen uitoefenen.
Uitgangspunt: reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing tenzij bij AMvB anders bepaald
Het is onder de Ow het uitgangspunt dat op een aanvraag om een omgevingsvergunning de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is. De beslistermijn is dan 8 weken met een eventuele verlenging van 4 weken bij advies met instemming. Deze termijn kan nog verlengd worden met 6 weken. Daarna staat bezwaar, beroep en hoger beroep open. Voor een aantal activiteiten wordt in artikel 16.65 Ow de uitgebreide voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 Awb voorgeschreven. De uitgebreide voorbereidingsprocedure houdt in dat het bevoegd gezag op een aanvraag binnen 6 maanden beslist, eveneens eventueel te verlengen met 4 weken bij advies met instemming en vervolgens nog eens met 6 weken. Tijdens de uitgebreide procedure legt het bevoegd gezag een ontwerpbesluit ter inzage waartegen een ieder zienswijze kan indienen. Als het besluit eenmaal is genomen is er uitsluitend beroep bij de rechtbank mogelijk en hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De uitgebreide voorbereidingsprocedure is in de eerste plaats van toepassing op de bij AMvB (lees: artikel 10.24 van het Omgevingsbesluit) aangewezen gevallen (artikel 16.65, lid 1 sub a en artikel 16.65, lid 2, Ow). Verder kan de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing zijn als de aanvrager dit heeft verzocht of daarmee heeft ingestemd (artikel 16.65 lid 1, sub b). Ook is de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing op een besluit tot (ambtshalve) wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning of intrekking van een omgevingsvergunning (artikel 16.65 lid 2, sub a en b Ow).
Uitgebreide voorbereidingsprocedure bij besluit van toepassing verklaard
Naar aanleiding van het amendement Smeulders/Van Eijs/Ronnes[1] is aan artikel 16.65 een lid 4 toegevoegd met daarin de mogelijkheid voor het bevoegd gezag om “bij besluit” de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing te verklaren op de beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een BOPA. Die mogelijkheid is beperkt tot activiteiten die (a) aanzienlijke gevolgen hebben of kunnen hebben op de fysieke leefomgeving, en (b) waartegen naar verwachting verschillende belanghebbenden bedenkingen hebben. Daarbij zijn volgens het amendement vooral de aard en omvang van de betreffende activiteiten bepalend voor de vraag of er sprake is van “aanzienlijke gevolgen”. Gedacht kan worden aan grootschalige functiewijzigingen, nieuwbouwprojecten, vakantieparken of bouwwerken met grote impact voor de omgeving zoals windmolens.
De uitgebreide voorbereidingsprocedure kan dus “bij besluit” de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing worden verklaard. Onduidelijk is wat de wetgever hier precies mee heeft bedoeld. Betekent dit dat in een beleidsregel in het algemeen categorieën activiteiten mogen worden aangewezen waarvoor de uitgebreide voorbereidingsprocedure geldt? Of moet per individueel geval worden bekeken of de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is en moet dit door het bevoegd gezag in de beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een BOPA worden opgenomen? Hoewel de parlementaire geschiedenis hierover geen duidelijkheid biedt, vermoeden wij dat gelet op de formulering van artikel 16.65, lid 4, Ow het laatste het geval is. Wij zien aanleiding om hiervan uit te gaan ook omdat uit artikel 16.65, lid 5, Ow volgt dat als het bevoegd gezag gebruik wil maken van de in lid 4 geregelde bevoegdheid, het eerst de aanvrager in de gelegenheid moet stellen zijn zienswijze naar voren te brengen. Dit lijkt erop te duiden dat na ontvangst van de zienswijze een besluit (namelijk het besluit op de aanvraag) moet worden genomen over de toepasselijkheid van de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Als in lid 4 met “bij besluit” een beleidsregel bedoeld zou zijn, dan is het vragen om zienswijze in lid 5 weinig zinvol. Althans, dat zou de zienswijze aanleiding kunnen geven om met toepassing van artikel 4:84 Awb van het beleid af te wijken. Wij vragen ons sterk af of dit de bedoeling van de wetgever is.

