Het is aan een start-up eigen dat de onderneming nog erg kwetsbaar is. Als een start-up failliet gaat, bevinden haar bestuurders zich daarom op een soms dunne lijn van optimistisch ondernemerschap en bestuurdersaansprakelijkheid. Ook rechters zijn zich hiervan bewust. Uit recente rechtspraak volgt dat zowel de civiele rechter als de Ondernemingskamer rekening houden met de kwetsbaarheid van de start-up en de risico’s die daarbij horen wanneer zij beoordelen of de onderneming behoorlijk is bestuurd. In dit tweeluik gaan wij in op deze rechtspraak. In dit eerste deel staat de beoordeling door de civiele rechter centraal.
Op 9 oktober 2024 deed de rechtbank Overijssel uitspraak in een zaak over de aansprakelijkheid van bestuurders van een start-up die uiteindelijk failliet is verklaard. De curator van de failliete start-up verwijt de bestuurders dat zij de onderneming te lichtzinnig en met onvoldoende middelen hebben gestart. Dit zou onder meer blijken uit het feit dat het bestuur bij de start van de onderneming uit is gegaan van een financieringsbehoefte van € 200.000, terwijl daarvan uiteindelijk maar € 100.000 is opgehaald. De curator stelt de bestuurders van de onderneming persoonlijk aansprakelijk. De bestuurders voeren hiertegen aan dat zij hebben vertrouwd op de toezeggingen van een derde partij voor aanvullende financiering. Daarnaast zouden de investeerders zich bewust zijn geweest van de inherente risico’s van een investering in de start-up.
De belangen van de schuldeisers zijn in deze zaak niet onevenredig geschaad, omdat de handelscrediteuren van de vennootschap volledig zijn betaald en er een regeling is getroffen met de verhuurder. Daarnaast overweegt de rechtbank dat het verhoogde risico op niet-terugbetaling voor investeerders is verwerkt in een extra vergoeding die de investeerders zouden ontvangen als de onderneming succes zou hebben. De investeerders waren zich (mede daardoor) van de risico’s bewust, zodat de bestuurders niet achteraf kan worden verweten dat zij de belangen van de investeerders hebben geschaad. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat er geen sprake is van onbehoorlijke taakvervulling en wijst de vorderingen van de curator af.
De uitspraak van de rechtbank geeft een boeiend inzicht in de wijze waarop de rechter de taakvervulling door bestuurders van start-ups beoordeelt. De uitspraak illustreert dat de rechter oog heeft voor de specifieke uitdagingen waar bestuurders van start-ups bij het voeren van beleid voor staan. De hoge investeringskosten, snelle groei én het hoge risicoprofiel van start-ups stelt haar bestuur volgens de rechter voor specifieke beleidsuitdagingen. Bestuurders zijn niet gevrijwaard van hun verantwoordelijkheid, maar hun handelen wordt wel beoordeeld in het licht van de specifieke omstandigheden van de start-up en de daarbij horende risico’s.
Ook de Ondernemingskamer heeft zich recentelijk uitgelaten over het beleid van bestuurders van een start-up. Ook daarin wordt rekenschap gegeven van de inherente risico’s waar het bestuur van een start-up mee te maken heeft en worden deze risico’s meegenomen in de beoordeling van het handelen van het bestuur. Over deze uitspraak leest u meer in deel II van dit tweeluik.
De hiervoor besproken uitspraak vindt u hier.