
Eind 2025 is een herziene Europese richtlijn inzake Europese ondernemingsraden vastgesteld. Deze richtlijn versterkt de positie van Europese ondernemingsraden (hierna: “EOR”) en heeft gevolgen voor ondernemingen die in meerdere Europese lidstaten actief zijn. Om deze richtlijn te implementeren moet ook de Nederlandse Wet op de Europese Ondernemingsraden (hierna: "WEOR") worden aangepast. Hiervoor is onlangs een concept wetsvoorstel in internetconsultatie geweest. In deze blog bespreken wij de belangrijkste wijzigingen op basis van de Richtlijn en het concept wetsvoorstel.
Op wie is de WEOR van toepassing?
De WEOR is van toepassing op communautaire ondernemingen. Dit zijn ondernemingen of groepen van ondernemingen die gedurende de afgelopen twee jaar gemiddeld ten minste 1.000 werknemers in de lidstaten samen hebben en waarbij gedurende diezelfde periode in ten minste twee lidstaten telkens ten minste 150 werknemers werkzaam zijn.
De belangrijkste wijzigingen
De richtlijn brengt verschillende wijzigingen met zich. De belangrijkste hiervan zijn als volgt:
- Vervallen vrijstellingen: Sommige communautaire ondernemingen zijn momenteel uitgezonderd van (delen van) het regime van de WEOR. Deze uitzonderingen komen te vervallen, waardoor meer ondernemingen onder het volledige regime van de WEOR zullen vallen.
- Versterken raadplegingsplicht: Nadat de EOR advies heeft uitgebracht over een voorgenomen besluit, moet het hoofdbestuur daarop schriftelijk en gemotiveerd reageren. Dit om zeker te stellen dat het (hoofd)bestuur kennisneemt van het advies van de EOR en dit advies in de besluitvorming mee kan wegen. Pas nadat de EOR dit met redenen omklede antwoord heeft ontvangen, kan het besluit worden genomen. Daarbij geldt wel de voorwaarde dat de EOR zijn advies binnen een redelijke termijn uitbrengt. Wat een redelijke termijn is, hangt af van de omstandigheden van het geval.
- Grensoverschrijdende aangelegenheden: Dit begrip wordt verduidelijkt. Er is sprake van een grensoverschrijdende aangelegenheid wanneer een voorgenomen maatregel gevolgen heeft voor werknemers in meer dan één lidstaat of wanneer een maatregel in één lidstaat gevolgen heeft die doorwerken naar werknemers in een andere lidstaat.
- Vertrouwelijkheid: Het bestuur kan informatie onder geheimhouding aan de EOR verstrekken indien sprake is van een bedrijfsgeheim in de zin van de Wet bescherming bedrijfsgeheimen. Daarnaast kunnen het bestuur en de EOR overeenkomen dat andere vertrouwelijke informatie (tijdelijk) geheim wordt gehouden. Informatie hoeft niet te worden verstrekt indien sprake is van een bedrijfsgeheim en zelfs met strikte geheimhoudingsafspraken het risico op ernstige schade voor het functioneren van de communautaire onderneming of groep niet kan worden beperkt.
- Kosten en scholingsrecht: Leden van de EOR krijgen recht op scholing onder werktijd. De kosten van deze scholing komen voor rekening van de communautaire onderneming, mits zij vooraf van de te maken kosten in kennis is gesteld. Daarnaast worden redelijke kosten voor het voeren van rechtsgedingen gedragen door de communautaire onderneming, mits deze vooraf van de te maken kosten op de hoogte is gesteld.
- Vergaderingen tussen het hoofdbestuur en de EOR: niet alleen moet in het EOR-regelement worden vastgesteld wat de frequentie, de duur en plaats van de vergaderingen zijn, ook moet worden opgenomen in welke vorm de vergadering plaatsvinden. Dit maakt het mogelijk om EOR-vergaderingen online of hybride te organiseren. Daarnaast wordt vastgelegd dat het hoofdbestuur en de EOR minimaal twee keer per jaar overleg voeren, in plaats van één keer per jaar.
- Genderbalans: De richtlijn beoogt een evenwichtigere vertegenwoordiging van mannen en vrouwen binnen de EOR. Daarbij wordt uitgegaan van een streefpercentage van ten minste 40% voor ieder geslacht. Wanneer dit niet wordt bereikt, moet worden toegelicht welke redenen daaraan ten grondslag liggen.
- Versterkte rechtshandhaving: de mogelijkheden voor de EOR om naleving van de WEOR af te dwingen worden uitgebreid. De Ondernemingskamer kan op verzoek van de EOR in een informatie- en raadplegingsprocedure een voorlopige voorziening treffen. Daarbij kan zij het hoofdbestuur verplichten een besluit geheel of gedeeltelijk in te trekken en de gevolgen daarvan ongedaan te maken. Ook kan zij een verbod opleggen om handelingen ter uitvoering van het besluit te verrichten. Indien een door de Ondernemingskamer opgelegde verplichting, verbod of voorlopige voorziening niet wordt nageleefd, wordt dit aangemerkt als een economisch delict op grond van de Wet economische delicten.
Wanneer gaan de regels in?
De lidstaten hebben tot en met 1 januari 2028 de tijd om de richtlijn om te zetten naar nationaal recht. De Nederlandse wetgever moet deze wijzigingen dus uiterlijk op 1 januari 2028 in de WEOR doorvoeren. De regels moeten met ingang van 2 januari 2029 van toepassing zijn op alle EOR’s.
Ondernemingen die onder de WEOR vallen doen er verstandig aan om bestaande EOR-overeenkomsten, reglementen en interne besluitvormingsprocessen tijdig te evalueren. Met name de aangescherpte regels over raadpleging, vertrouwelijkheid, scholing en rechtshandhaving kunnen aanleiding geven om bestaande afspraken en werkwijzen aan te passen.
Vragen hierover?
Heb je vragen over deze wijzigingen of over wat zij voor jouw onderneming betekenen? Neem dan gerust contact met ons op.

