
English version below
De Europese richtlijn tot harmonisatie van bepaalde aspecten van het insolventierecht (de 'Insolventierichtlijn') bevat in titel VI ook een regeling voor de aanstelling en de taak van een crediteurencommissie in een insolventieprocedure. In de huidige Nederlandse faillissementspraktijk vervult de crediteurencommissie een beperkte rol. Naast een aantal minimumverplichtingen ten aanzien van deze crediteurencommissie bevat de Insolventierichtlijn veel vrijheid voor lidstaten om de taak en rol van de crediteurencommissie in te vullen. Het is dan ook de vraag of Nederland met de implementatie van de Insolventierichtlijn daadwerkelijk een crediteurencommissie 2.0 gaat krijgen die invloed kan uitoefenen bij de afwikkeling van het faillissement.
De huidige Nederlandse regeling
De huidige Nederlandse Faillissementswet (‘Fw’) kent in de artikelen 74 tot en met 79 een regeling voor de crediteurencommissie in een faillissement. De rechtbank kan bij vonnis tot faillietverklaring of bij een latere beschikking een voorlopige crediteurencommissie instellen. Deze crediteurencommissie bestaat uit een oneven aantal leden en vertegenwoordigt belangrijke groepen van schuldeisers binnen het faillissement. De definitieve benoeming van de crediteurencommissie vindt plaats op de verificatievergadering, ook als er daarvoor nog geen voorlopige crediteurencommissie is benoemd. De schuldeisers beslissen over de benoeming van de definitieve crediteurencommissie en de benoeming geschiedt bij volstrekte meerderheid van stemmen, waarbij een schuldeiser op grond van artikel 81 Fw voor iedere € 45,- van zijn vordering één stem heeft. De rechter-commissaris benoemt vervolgens de leden van de crediteurencommissie.
Om haar taak goed te kunnen uitvoeren kan de crediteurencommissie te allen tijde de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de failliet raadplegen. De curator is verplicht om aan de crediteurencommissie alle verlangde inlichtingen te verstrekken. Het bestuur van de gefailleerde vennootschap is verplicht om voor de crediteurencommissie te verschijnen als zij hierom vraagt. De crediteurencommissie heeft – voor vragen die de curator aan de commissie voorlegt - een adviserende rol. De curator vergadert zo vaak met de crediteurencommissie als hij dit nodig vindt. De curator is tijdens deze overleggen de voorzitter en voert tevens de pen. Voor het instellen van een rechtsvordering is de curator verplicht om advies in te winnen. De curator is echter niet gebonden aan het advies van de crediteurencommissie. Als de curator het advies van de crediteurencommissie naast zich neer wenst te leggen, informeert hij de crediteurencommissie hierover. De crediteurencommissie kan vervolgens de rechter-commissaris om een beslissing vragen.
In Nederlandse faillissementen wordt slechts in uitzonderlijke situaties gevraagd een (voorlopige) crediteurencommissie in te stellen. In de faillissementen van bijvoorbeeld DSB en Conservatrix is een (voorlopige) crediteurencommissie ingesteld. Dit roept de vraag op of de Nederlandse wetgever de huidige crediteurencommissie moet herzien, door de mogelijkheid tot het instellen te verruimen en/of de taak en bevoegdheden aan te passen. Een bredere herziening van de crediteurencommissie staat echter op gespannen voet met het uitgangspunt van de zuivere implementatie die voorschrijft dat bij implementatie geen andere regels worden opgenomen dan voor de implementatie noodzakelijk zijn.
Het schuldeiserscomité in de Insolventierichtlijn
De artikelen 44 tot en met 50 Insolventierichtlijn bevatten de regeling over het schuldeiserscomité. De Insolventierichtlijn bevat een aantal primaire verplichtingen die de lidstaten in hun nationale wetgeving moeten opnemen, maar de lidstaten hebben ten aanzien van een groot aantal onderwerpen (bijvoorbeeld of personen en entiteiten die geen schuldeisers zijn in een schuldeiserscomité kunnen zitten; alsmede of een schuldeiserscomité bepaalde besluiten of rechtshandelingen moet goedkeuren) vrijheid en een keuze of zij dit in nationale wetgeving vastleggen.
Een verruiming ten opzichte van de huidige Nederlandse regeling is dat de Insolventierichtlijn voorschrijft dat er na de opening van een insolventieprocedure een schuldeiserscomité wordt opgericht, als de algemene vergadering van schuldeisers hiertoe besluit of verzoekt. De termijn voor het instellen schrijft de richtlijn niet expliciet voor. Voor de Nederlandse praktijk verwachten wij hier wel een wijziging. In de huidige faillissementspraktijk vindt een verificatievergadering pas in een laat stadium in de afwikkeling van het faillissement plaats en alleen als er voldoende actief (boedel) aanwezig is om aan de concurrente crediteuren een uitkering te doen. De crediteuren worden hierdoor pas laat gehoord in het faillissement. Op basis van de Insolventierichtlijn lijkt een vroegtijdige vergadering – zonder dat op dat moment al duidelijk is of crediteuren een uitkering kunnen ontvangen – aan het begin van het faillissement noodzakelijk om bij de aanvang – of in ieder geval binnen afzienbare tijd – een schuldeiserscomité te kunnen instellen.


