
Bestuurders van vennootschappen die aan de heffing van vennootschapsbelasting zijn onderworpen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor niet-betaalde belastingen, tenzij zij binnen twee weken nadat de belasting betaald had moeten worden bij de belastingdienst hebben gemeld dat sprake is van betalingsonmacht én het niet betalen van de belastingschuld geen gevolg is van aan hen te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaar voor de melding van betalingsonmacht.
Het (tijdig) doen van een melding van betalingsonmacht is voor bestuurders cruciaal om persoonlijke aansprakelijkheid voor belastingschulden te voorkomen. Als de betalingsonmacht van de vennootschap blijft voortduren, is het echter niet nodig om daarvan steeds opnieuw melding te maken. De Hoge Raad heeft eerder bepaald dat een eenmalige melding voldoende is. Het doel van de melding is immers om de belastingdienst in een vroeg stadium in te lichten over de oorzaak van de betalingsproblemen en de financiële positie van de onderneming. Dat doel is met een eenmalige melding bereikt. Een nieuwe melding is alleen nodig, als de belastingdienst na ontvangst van een betaling schriftelijk laten weten dat de betalingsonmacht naar zijn oordeel niet langer aanwezig is en de eerdere melding dus niet meer geldt.
Zoals gezegd kan een bestuurder met een melding betalingsonmacht niet voorkomen dat hij persoonlijk aansprakelijk is voor belastingschulden, indien het niet betalen van de belastingschuld een gevolg is van kennelijk onbehoorlijk bestuur in de drie jaren voorafgaande aan de melding. Als de melding in een vroeg stadium wordt gedaan en de betalingsonmacht vervolgens geruime tijd voortduurt, komt echter de vraag op of nog steeds alleen gekeken moet worden naar de periode van drie jaar voorafgaand aan de melding. Dat zou – bijvoorbeeld – betekenen dat kennelijk onbehoorlijk bestuurder van na de melding niet kan worden meegewogen.
In een uitspraak van 27 februari 2024 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zich uitgelaten over de verhouding tussen een melding voor voortdurende betalingsonmacht en de driejaarstermijn. Het gerechtshof oordeelt dat niet moet worden gekeken naar de drie jaren vóór de melding, maar naar de drie jaar voorafgaand aan het moment waarop een mededeling van betalingsonmacht voor een specifieke afdracht uiterlijk zou hebben moeten plaatsvinden als de eerdere mededeling van betalingsonmacht niet was gedaan. Als het niet betalen van de belastingschuld een gevolg is van kennelijk onbehoorlijk bestuur in die periode, is de bestuurder daarvoor ondanks de (geldige) melding van betalingsonmacht persoonlijk aansprakelijk.
In deze zaak betekende het voorgaande dat de bestuurder ondanks de melding van betalingsonmacht aansprakelijk was voor de belastingschuld. In de periode na de melding had de bestuurder namelijk een rekeningcourantschuld van de vennootschap aan hem verrekend met zijn schuld aan de vennootschap uit hoofde van een geldlening. Dit deed hij, terwijl hij wist of behoorde te weten dat de vennootschap als gevolg van deze verrekening niet in staat zou zijn een daarna verschuldigd geworden belastingschuld van € 127.000,00 te voldoen. De bestuurder heeft zichzelf dus bevoordeeld boven de belastingdienst, hetgeen grond is voor zijn persoonlijke aansprakelijkheid.
De volledige uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden leest u hier: https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2024:1513

