
Op 29 januari 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland een belangrijk vonnis gewezen in een zaak die draait om bestuurdersaansprakelijkheid in geval van turboliquidatie. De uitspraak biedt een helder voorbeeld van de persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder persoonlijk voor schade die voortvloeit uit onrechtmatig handelen bij het ontbinden van een vennootschap.
In deze zaak hadden twee schuldeisers een vordering van ruim €32.000 op een onderneming. Kort nadat een rechtbank de onderneming (bij verstek) had veroordeeld tot betaling van deze vordering aan de twee schuldeisers, is de onderneming door middel van een turboliquidatie ontbonden en uitgeschreven uit het handelsregister. De onderneming is vanaf dat moment direct opgehouden te bestaan.
In deze zaak heeft de rechtbank geoordeeld dat de bestuurder van de geturboliquideerde onderneming onrechtmatig heeft gehandeld door de activa van de onderneming niet aan te wenden om de schuldeisers te betalen, maar de onderneming via turboliquidatie te ontbinden. Door de ontbinding konden de schuldeisers hun vordering niet meer op de onderneming verhalen.
De rechtbank stelt vast dat turboliquidatie alleen is toegestaan als er geen baten meer in de onderneming aanwezig zijn. In de gepubliceerde verkorte balans over boekjaar 2021 bedroeg de post vlottende activa van de onderneming nog €37.573. In de verkorte balansen over boekjaren 2022 en 2023 loopt deze post terug naar nul. De bestuurder heeft onvoldoende onderbouwd wat er in die periode met deze activa is gebeurd, terwijl – zoals de rechtbank heeft geoordeeld - van hem mag worden verwacht dat hij daarover voldoende concrete informatie verschaft. Nu hij die informatie niet heeft gegeven, gaat de rechtbank ervan uit dat er ten tijde van de turboliquidatie activa aanwezig waren in de onderneming.

