Accountant niet aansprakelijk voor schade door een te laat bezwaar tegen een naheffingsaanslag

Aangemaakt: 13 mei 2025

Accountant niet aansprakelijk voor schade door een te laat bezwaar tegen een naheffingsaanslag

Een accountant heeft de plicht om bij de uitoefening van zijn werkzaamheden zorgvuldig te handelen tegenover zijn opdrachtgever. Voor de omvang van deze zorgvuldigheidsverplichting is de overeenkomst van opdracht van groot belang. Daarin bevestigt de accountant welke werkzaamheden hij voor de opdrachtgever zal verrichten. Maar wat kan de opdrachtgever precies van de accountant verwachten? En hoe proactief moet de accountant zich opstellen? Deze vragen komen in een recente uitspraak door de rechtbank Noord‑Holland aan de orde.

De feiten van de zaak zijn als volgt. EBM is een onderneming die zich richt op de exploitatie van onroerend goed, waarvoor zij samen met twee andere vennootschappen een fiscale eenheid vormt. De twee andere vennootschappen gaan failliet, als gevolg waarvan zij worden ontbonden. In de tussentijd geeft EBM aan de accountant de opdracht om onder meer de jaarrekening van EBM over boekjaar 2016 en verdere jaren samen te stellen. De accountant vermeldt expliciet in de opdrachtovereenkomst dat het een samenstellings- en dus geen assurance-, controle- of beoordelingsopdracht betreft. Bij een samenstellingsopdracht stelt de accountant financiële overzichten op aan de hand van informatie die van de opdrachtgever wordt verkregen. Anders dan bij een assurance- of controleopdracht geeft de accountant geen oordeel of zekerheid over de juistheid of betrouwbaarheid van de cijfer. Aan een samenstellingsopdracht worden daarom andere (minder verstrekkende) eisen gesteld. Kort daarna legt de Belastingdienst een naheffingsaanslag van € 360.000,- op aan de fiscale eenheid. Tegen deze naheffingsaanslag heeft EBM te laat bezwaar aangetekend, waardoor de naheffingsaanslag definitief wordt. EBM stelt dat zij de accountant herhaaldelijk heeft gevraagd om bezwaar te maken. EBM verwijt de accountant daarom dat hij te laat bezwaar heeft gemaakt tegen de naheffingsaanslag en stelt hem aansprakelijk voor het bedrag van de naheffingsaanslag. De accountant weerspreekt dit. Volgens hem is het tijdig indienen van bezwaar tegen de naheffingsaanslag de verantwoordelijkheid van de bestuurders van EBM; zijn rol is aanvankelijk beperkt geweest tot het geven van cijfermatige ondersteuning ten aanzien van het bezwaar tegen de naheffingsaanslag. Toen EBM uiteindelijk aan de accountant de opdracht heeft gegeven om bezwaar te maken, was de bezwaartermijn al verlopen. De accountant betwist daarom dat hem iets valt te verwijten.

De rechtbank oordeelt dat de accountant niets valt te verwijten: EBM had eenvoudigweg eerder in actie moeten komen.

De rechtbank verwerpt de door EBM gemaakte verwijten aan het adres van de accountant. De rechtbank stelt daarbij voorop dat de accountant ten opzichte van zijn opdrachtgever de zorgvuldigheid in acht moet nemen die van een redelijk en bekwaam vakgenoot mag worden verwacht. Zij overweegt dat voor de omvang van deze zorgvuldigheidsnorm de inhoud van de opdrachtovereenkomst bepalend is. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval uit de opdrachtovereenkomst niet blijkt dat de opdracht ook zag op het verlenen van fiscale ondersteuning aan EBM en de gehele fiscale eenheid en evenmin op het maken van bezwaar tegen (naheffings)aanslagen. Daarbij is van belang dat in de opdrachtovereenkomst uitdrukkelijk wordt opgemerkt dat het geen assurance-, controle- of beoordelingsopdracht is. Hierdoor heeft de opdracht een beperkter karakter dan EBM stelt, zo overweegt de rechtbank.

De rechtbank besteedt ook aandacht aan de verwachtingen van EBM. EBM stelt zich op het standpunt dat een accountant wordt ingeschakeld om de fiscale zaken te regelen, zodat zij er ook van uit mocht gaan dat de accountant ervoor zou zorgen dat er tijdig bezwaar tegen de naheffingsaanslag zou worden gemaakt. De rechtbank verwerpt deze stelling onomwonden: dat een accountant in zijn algemeenheid fiscale zaken zou regelen is ‘apert onjuist’. Het werk van een accountant verschilt namelijk wezenlijk van het werk van een fiscalist, waarbij ook andere beroepskwalificaties gelden. Het enkele feit dat een werknemer van de accountant communiceerde met de Belastingdienst betekent ook niet dat de opdracht mede ziet op fiscale dienstverlening, waaronder het maken van bezwaar tegen de naheffingsaanslag van € 360.000,-, zo overweegt de rechtbank. De accountant hoefde zijn opdrachtgever in dit geval dan ook niet uit zichzelf te waarschuwen voor de gevolgen van het (niet tijdig) maken van bezwaar tegen een naheffingsaanslag.

Als EBM had gewild dat de accountant zorg zou dragen voor het tijdig maken van bezwaar tegen de naheffingsaanslag, dan had zij dat expliciet kenbaar moeten maken en daarvoor tijdig een aanvullende opdracht moeten geven. De rechtbank overweegt dat deze opdracht pas op 15 december 2017 is gegeven: ruim een week na de termijn voor het maken van bezwaar tegen de naheffingsaanslag. Doordat de termijn voor het maken van bezwaar toen al was verstreken, is het onmogelijk geworden om tijdig bezwaar tegen de naheffingsaanslag te maken. De rechtbank oordeelt dat de accountant daarom niets valt te verwijten: EBM had eenvoudigweg eerder in actie moeten komen.

De uitspraak van de rechtbank maakt duidelijk dat het van belang is om als opdrachtgever de wensen en verwachtingen duidelijk en tijdig met de accountant af te stemmen. Als de opdrachtgever hier te gemakkelijk aan voorbijgaat, dan kan hij de gevolgen daarvan niet zomaar bij de accountant leggen.

De uitspraak vindt u hier: https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2024:53

Meer gerelateerde updates