De impact van COVID-19 op de bedrijfsvoering van ondernemingen en organisaties is groot. Wij kunnen ons voorstellen dat u juridische vragen heeft over de gevolgen ervan. Wijn & Stael Advocaten heeft een team van specialisten samengesteld. Zij kunnen u adviseren of begeleiden én snel stappen zetten als uw zaak daarom vraagt. Uiteraard kunt u ook terecht bij uw vaste contactpersoon voor persoonlijk advies.

Ook in deze spannende periode staan wij voor u en uw onderneming klaar.

Veelgestelde vragen
Hieronder treft u een overzicht aan van onze verschillende expertises. Per expertise hebben wij een aantal veelgestelde vragen opgesteld. Wij baseren ons op de nu bekende feiten en zullen deze pagina's, als er ontwikkelingen zijn, regelmatig updaten. Klik op de expertise voor de vragen.

Coronacrisis
veelgestelde vragen

Arbeidsrecht - NOW regeling

COVID-19 heeft een grote impact op ons dagelijkse leven, maar ook op de bedrijfsvoering van ondernemingen en organisaties.

De overheid heeft verschillende maatregelen getroffen. Hier treft u een overzicht aan van veelgestelde vragen en antwoorden met betrekking tot de Werktijdverkorting/ Overbrugging van Werkbehoud (NOW).

Wij zullen deze pagina, als er ontwikkelingen zijn, regelmatig updaten (laatste update 18 september 2020).

Voor vragen en/of meer informatie kunt u contact opnemen met Joyce Snijder en Karlijn van der Heijden.

1. Wat is de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor behoud van Werkgelegenheid (NOW)?

De NOW is een tijdelijke noodmaatregel voor werkgevers die te maken hebben met een omzetverlies van tenminste 20%. Zij kunnen een tegemoetkoming vragen in de loonkosten om vast en flexibel personeel door te betalen. 

Terug naar boven
2. Wanneer kunnen werkgevers de NOW aanvragen?

Het eerste tijdvak van de NOW, de NOW 1.0, voorziet in een subsidie voor loonkosten in de periode van 1 maart tot en met 31 mei 2020 en kon tot 5 juni 2020 worden aangevraagd. In het tweede tijdvak van de NOW, de NOW 2.0, kan vanaf 6 juli 2020 een tegemoetkoming in de loonkosten worden aangevraagd voor de loonkosten in de periode van 1 juni tot en met 30 september 2020.

Terug naar boven
3. Wat zijn de voorwaarden voor aanspraak op de NOW?

Een voorwaarde voor aanspraak op de NOW is dat er sprake is van omzetdaling van minimaal 20%. In de NOW 1.0 moet sprake zijn van omzetdaling van ten minste 20% over een aaneengesloten periode van 3 kalendermaanden die start op 1 maart, 1 april of 1 mei 2020. In de NOW 2.0 gaat het om een periode van 4 maanden die start op 1 juni, 1 juli of 1 augustus 2020. 

Uitgangspunt is dat de omzetdaling in deze periode het gevolg is van buitengewone omstandigheden die buiten het normale ondernemersrisico vallen, zoals de maatregelen die de overheid heeft genomen vanwege de uitbraak van het COVID-19 virus. Een werkgever hoeft niet aan te tonen in welke mate de buitengewone omstandigheden bijdragen aan de omzetdaling van ten minste 20%.

Terug naar boven
4. Wat zijn de verplichtingen voor de werkgever?

Aan de werkgever aan wie subsidie wordt verleend worden verschillende verplichtingen opgelegd. In de NOW 1.0 en 2.0 gelden onder andere de volgende verplichtingen:

  • de verplichting om de loonsom zoveel mogelijk gelijk te houden;
  • de verplichting om na 17 maart 2020 gedurende het tijdvak waarover subsidie is verleend geen toestemming voor ontslag wegens bedrijfseconomische redenen bij het UWV aan te vragen;
  • de verplichting om de subsidie uitsluitend aan te wenden voor de betaling van de loonkosten; en
  • de verplichting om de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging, of bij het ontbreken daarvan de werknemers, te informeren over de subsidieverlening.

In aanvulling hierop bestaat in de NOW 2.0 de inspanningsverplichting voor werkgevers om werknemers te stimuleren een ontwikkeladvies aan te vragen of scholing te volgen voor behoud van werk.

Verder mag de werkgever onder de NOW 2.0 over 2020, tot en met de aandeelhoudersvergadering in 2021, geen i) winstuitkering aan aandeelhouders doen, ii) geen bonussen toekennen aan het bestuur en/of de directie en iii) geen eigen aandelen inkopen als een voorschot op de subsidie is verstrekt van ten minste EUR 100.000,- of het vast te stellen subsidiebedrag ten minste EUR 125.000,- bedraagt.

Terug naar boven
5. Hoe hoog is de tegemoetkoming in de loonkosten?

De hoogte van de tegemoetkoming in de loonkosten is afhankelijk van de terugval in omzet en bedraagt maximaal 90% van de loonsom. Ter illustratie worden op de website van de Rijksoverheid de volgende voorbeelden gegeven over de relatie tussen omzetdaling en hoogte van de tegemoetkoming:

  • als 100% van de omzet wegvalt, bedraagt de tegemoetkoming 90% van de loonsom van een werkgever;
  • als 50% van de omzet wegvalt, bedraagt de tegemoetkoming 45% van de loonsom van een werkgever; en als 25% van de omzet wegvalt, bedraagt de tegemoetkoming 22,5% van de loonsom van een werkgever.

Terug naar boven
6. Wat wordt onder ‘omzet’ in de NOW verstaan?

Onder ‘omzet’ wordt in de NOW verstaan de netto omzet uit artikel 2:377 lid 6 BW, waarbij ten aanzien van correcties aansluiting wordt gezocht bij de voor 1 maart 2020 vastgestelde jaarrekening van de werkgever, mits deze conform de wet- en regelgeving is opgesteld. Voor sommige werkgevers is het normale omzetbegrip niet goed toepasbaar. Dit is bijvoorbeeld het geval bij scholen, culturele instellingen en non-profit organisaties. Daarom worden de baten en subsidies ook naar rato aan de betreffende perioden toegerekend voor de bepaling van de omzetdaling.

Terug naar boven
7. Hoe wordt de omzetdaling vastgesteld?

De omzetdaling wordt in de NOW 1.0 vastgesteld door het verschil tussen de referentie-omzet en de omzet in de periode van 3 kalendermaanden die start op 1 maart, 1 april of 1 mei 2020 te delen door de referentie-omzet. De referentie-omzet is de omzet over het kalenderjaar 2019 gedeeld door 4.

Rekenvoorbeeld: Een werkgever had een omzet in het kalenderjaar 2019 van € 1.200.000. In de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020 (in dit voorbeeld de periode waarover de werkgever heeft aangegeven dat hij zijn omzetdaling berekend wil hebben) is zijn omzet € 210.000 en dus gemiddeld € 70.000 per maand. In dit geval is de omzetdaling:

(€1.200.000/4)- € 210.000 = 0,30 = 30%
(€1.200.000/4)

In de NOW 2.0 wordt de omzetdaling in beginsel berekend door het verschil tussen de referentie-omzet en de omzet over een viermaands periode die start op 1 juni, 1 juli of 1 augustus 2020, te delen door de referentie-omzet. De referentie-omzet is de omzet over het kalenderjaar 2019 gedeeld door 3.

In de NOW 2.0 bedraagt de referentie-omzet bij afstoting van een onderdeel of activiteit in de periode 2 januari 2019 tot en met 1 februari 2020, de omzet vanaf de eerste volledige kalendermaand vanaf de afstoting van het onderdeel of de activiteit tot en met 29 februari 2020, gedeeld door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen, vermenigvuldigd met vier.

Zowel in de NOW 1.0 als de NOW 2.0 geldt dat als de bedrijfsuitoefening na 1 januari 2019 is aangevangen of de werkgever na 1 januari 2019 een overname heeft gedaan, de referentie-omzet wordt gebaseerd op de omzet die is gerealiseerd vanaf de aanvang van de bedrijfsuitoefening of vanaf de overname tot en met 29 februari 2020. De omzet in die maanden wordt gedeeld door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen en vermenigvuldigd met drie (NOW 1.0) of vier (NOW 2.0).

Het kan voorkomen dat de gebruikte tijdvakken voor 2019 niet representatief zijn. Een correctie daarvoor is buiten het bovenstaande niet mogelijk. Dit kan voor bedrijven nadelig uitpakken, zoals voor bedrijven die in de maanden in de subsidieperiode normaliter hun omzetpiek hebben en voor snelgroeiende bedrijven.

Terug naar boven
8. Hoe wordt de omzetdaling vastgesteld in concerns?

De subsidie wordt per loonheffingsnummer aangevraagd. De omzetdaling wordt in beginsel op concernniveau vastgesteld. Bij de berekening van de omzetdaling op concernniveau geldt voor internationale concerns met Nederlandse en buitenlandse dochters dat de omzetdaling van de rechtspersonen in de groep die geen Nederlands SV-loon hebben niet wordt meegeteld.

Onder voorwaarden mag de omzetdaling op het niveau van een rechtspersoon binnen het concern worden berekend (zie vraag 9). Verschillende rechtspersonen van één concern moeten wel over dezelfde periode de omzetdaling berekenen.

Terug naar boven
9. Wanneer mag de omzetdaling op het niveau van de subsidievragende rechtspersoon worden berekend in plaats van op concernniveau?

De omzetdaling mag op het niveau van de subsidievragende rechtspersoon worden berekend als:

  • De subsidieaanvraag is gedaan op of na 5 mei 2020;
  • De omzetdaling van de groep minder dan 20% bedraagt in de periode waarover de omzetdaling wordt berekend;   
  • De afzonderlijke entiteit eigen rechtspersoonlijkheid heeft.
  • De activiteiten van de rechtspersoon die NOW aanvraagt niet voor ten minste 50% uit het intra-concern ter beschikking stellen van arbeidskrachten (er is geen sprake van een personeels-bv) bestaan;
  • De andere rechtspersonen of vennootschappen binnen de groep geen opdrachten of projecten uitvoeren die ten koste kunnen gaan van de subsidievragende rechtspersoon;
  • De rechtspersoon met 20 werknemers of meer in overeenstemming handelt met een akkoord over werkbehoud, dat is gesloten met de ‘belanghebbende verenigingen van werknemers’. De belanghebbende verenigingen van werknemers zijn doorgaans vakbonden die bij de cao betrokken zijn. Bij gebreke hiervan wordt een akkoord met andere vertegenwoordiging van werknemers nageleefd. De rechtspersoon met minder dan 20 werknemers heeft een akkoord met een vertegenwoordiging van werknemers; en
  • Het groepshoofd of de moedermaatschappij voorafgaand aan de aanvraag verklaart dat:
    • over 2020 geen dividenden aan aandeelhouders zullen worden uitgekeerd;
    • over 2020 geen winstuitkeringen aan derden buiten de groep zullen worden uitgekeerd;
    • over 2020 geen bonussen en/of winstdelingen aan de Raad van Bestuur, bestuur en directie van het concern en de subsidievragende rechtspersoon zullen worden uitgekeerd; en
    • geen eigen aandelen zullen worden ingekocht door rechtspersonen binnen de groep tot en met de datum van de aandeelhoudersvergadering waarin de jaarrekening in 2021 wordt vastgesteld.

Als een ondernemer verplicht is dividend uit te keren op grond van een vaststellingsverklaring met de Belastingdienst of een wettelijke plicht vanuit belastingwetgeving dan blijft dit toegestaan. Naast de bovenstaande vereisten geldt een aantal controlewaarborgen voor de berekening van de omzetdaling op het niveau van de subsidievragende rechtspersoon. Bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie moet aangetoond worden dat aan de voorwaarden en waarborgen is voldaan.

Terug naar boven
10. Hoe wordt de loonsom vastgesteld?

Voor de loonsom worden gegevens uit de loonaangifte bij de Belastingdienst gebruikt in de referentiemaand. Deze neemt UWV automatisch over. UWV neemt hierbij als grondslag het zogenaamde socialeverzekeringsloon. Indien sprake is van een aangiftetijdvak van vier weken, wordt de loonsom in dat aangiftetijdvak verhoogd met 8,33 %. De loonsom wordt verminderd met dertiende maand uitkeringen en vakantiebijslag. Het loon per werknemer is gemaximeerd tot € 9.538,- per maand. Dit is twee keer het maximum dagloon. Loon boven dit bedrag wordt niet gecompenseerd.

Voor de NOW 1.0 is januari 2020 in beginsel de referentiemaand. Voor de NOW 2.0 is de referentiemaand in beginsel maart 2020.

Bij de berekening van de subsidie wordt de loonsom vermenigvuldigd met het aantal maanden in de subsidieperiode, te weten drie maanden in de NOW 1.0 en vier maanden in de NOW 2.0. Verder wordt de loonsom vermeerderd met een forfaitaire opslag voor werkgeverslasten (zoals werkgeverpremies en werkgeverbijdragen aan pensioen en de opbouw aan vakantiebijslag). De forfaitaire opslag bedraagt 30% in de NOW 1.0 en 40% in de NOW 2.0.

In de NOW 1.0 geldt dat indien de loonsom in de subsidieperiode van 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020 hoger is dan driemaal de loonsom in de referentiemaand, de subsidie bij vaststelling wordt verhoogd met een tegemoetkoming over dat verschil vermeerderd met de forfaitaire opslag en vermenigvuldigd met de omzetdaling en de maximale tegemoetkoming van 90%. Hierbij wordt de hoogte van de loonsom in de maanden april en mei altijd gemaximeerd op het niveau van maart. Dit is gunstig voor seizoenbedrijven, die in januari veel minder personeel in dienst hebben en een lage, niet representatieve loonsom hadden ten opzicht van de subsidieperiode maart, april en mei 2020, bijvoorbeeld als gevolg van seizoensarbeid.

De NOW 2.0 voorziet niet in een dergelijke regeling.

Terug naar boven
11. Wanneer betaalt UWV de subsidie uit?

UWV beslist binnen 13 weken na ontvangst van de volledige aanvraag tot subsidieverlening, maar streeft ernaar om binnen 2 à 4 weken na ontvangst van de volledige aanvraag een voorschot te betalen. Indien de subsidie wordt verleend keert het UWV een voorschot uit gelijk aan 80% van de subsidie. Het voorschot werd in de NOW 1.0 betaald in ten hoogste drie termijnen. In de NOW 2.0 wordt het voorschot betaald in ten hoogste twee termijnen.

Terug naar boven
12. Wanneer wordt de subsidie vastgesteld?

De werkgever vraagt binnen 26 weken na 6 oktober 2020 (NOW 1.0) of 15 november 2020 (NOW 2.0) de vaststelling van de subsidie aan middels een daarvoor ontworpen formulier op www.uwv.nl. Daarbij dient de werkgever een definitieve opgave van het omzetverlies in. Afhankelijk van de hoogte van het voorschot en het definitieve subsidiebedrag moet daar mogelijk een accountantsverklaring of een verklaring van een deskundige derde bij (zie vraag 13).

Vervolgens stelt de Minister binnen 52 weken de definitieve subsidie vast. Op basis van de dan beschikbare gegevens over de omzetdaling, loonsom etc. wordt vastgesteld of het voorschot in de praktijk te ruim of te beperkt is geweest. Daarbij zal nabetaling of terugvordering aan de orde kunnen zijn.

Terug naar boven
13. Is een accountantsverklaring of een verklaring van een derde vereist?

In bepaalde gevallen moet een accountantsverklaring of een verklaring van een derde worden overgelegd bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie. In dat geval vraagt de werkgever binnen 38 weken na de in vraag 12 genoemde data de vaststelling van de subsidie aan middels een daarvoor ontworpen formulier.

Een accountantsverklaring is nodig bij een voorschot vanaf €100.000,- of een definitieve subsidie vanaf €125.000,-. Een verklaring van een derde die het omzetverlies bevestigt is vereist bij een voorschot boven de €20.000,- of een subsidie boven de €25.000,-. Zo’n verklaring kan bijvoorbeeld worden afgegeven door een administratiekantoor, belastingadviseur, accountant of brancheorganisatie. Op de website van de Rijksoverheid vindt u de derdenverklaring zoals deze door de Minister als bijlage van de NOW-1 regeling is vastgesteld.

Terug naar boven
14. Wat is het gevolg voor de hoogte van de subsidie als de loonsom over de subsidieperiode lager is dan driemaal de loonsom in de referentiemaand waarop het voorschot is gebaseerd?

Als de loonsom over de subsidieperiode lager is dan driemaal (NOW 1.0) of viermaal (NOW 2.0) de loonsom in de referentiemaand, wordt de hoogte van de subsidie verminderd met dat verschil dat is vermeerderd met de forfaitaire opslag en vervolgens vermenigvuldigd met de maximale tegemoetkoming van 90%. Dit kan leiden tot een terugvordering. Het verschil tussen de subsidieverlening vooraf (en het voorschot) en de subsidievaststelling na afloop van de subsidieperiode is groter naarmate de omzetdaling kleiner is.

Rekenvoorbeeld NOW 1.0:  Bij een omzetdaling van 50% en een loonsom van EUR 1.000.000 in januari wordt de subsidie bij de aanvraag (voorschot) als volgt berekend:

50% (omzetdaling) x EUR 1.000.000 (loonsom januari) x 3 (maanden) x 130% (forfaitaire opslag) x 90% (maximale tegemoetkoming) = EUR 1.755.000. Het voorschot bedraagt 80% van dit bedrag, te weten EUR 1.404.000,.

Als bij de vaststelling van de subsidie na de subsidieperiode blijkt dat de loonsom over maart, april en mei 2020 slechts EUR 2.000.000 bedraagt wordt de verlaging van subsidie als volgt berekend:

De loonsom over maart, april, mei is met EUR 1.000.000 verlaagd. Dit komt in de regeling overeen met (EUR 1.000.000 x 1.3=) EUR 1.300.000 aan loonkosten inclusief forfaitaire opslag. Deze loonkosten hebben met een subsidiepercentage van 90% volgens het kabinet tot een bedrag van (EUR 1.300.000 x 0,9 =) EUR 1.170.000 aan subsidie geleid. Daarom wordt de subsidie verlaagd met EUR 1.170.000. Het uiteindelijke subsidiebedrag is dus (EUR 1.755.000- EUR 1.170.000= EUR 585.000.

De subsidie wordt dus verlaagd met 90% van de loonsom vermeerderd met de forfaitaire opslag voor werkgeverslasten. Dit terwijl de bij de aanvraag berekende subsidie over dat stuk van de loonsom maar 50% van 90% van de loonsom vermeerderd met de forfaitaire opslag voor werkgeverslasten bedroeg.

Terug naar boven
15. Mag een werkgever die NOW aanvraagt ook ontslag aanvragen voor werknemers of de arbeidsovereenkomst anderszins beëindigen?

De werkgever committeert zich bij de aanvraag van NOW geen ontslag wegens bedrijfseconomische redenen bij het UWV aan te vragen voor zijn werknemers gedurende de periode waarover hij de subsidie ontvangt. Indien toch toestemming voor ontslag wegens bedrijfseconomische redenen wordt aangevraagd en deze aanvraag niet binnen 5 werkdagen wordt ingetrokken, wordt de subsidie verlaagd. In de NOW 1.0 geldt dit niet voor ontslagaanvragen die zijn ingediend tot en met 17 maart 2020. De werkgever was toen nog niet bekend met de NOW. In de NOW 1.0 wordt de subsidie verlaagd met het loon van de werknemers voor wie ontslag is aangevraagd, vermeerderd met 50% (de ‘ontslagboete’) en 30% (forfaitaire opslag) en vermenigvuldigd met 90% (maximale tegemoetkoming). Dit kan leiden tot een terugvordering. De berekening van de verlaging is op de ontslagboete na, gelijk aan de berekening van de verlaging van de subsidie bij een lager loonsom, zoals beschreven in vraag 14. In de NOW 2.0 vervalt de hierboven genoemde ontslagboete van 50%.

Voor de verlaging van de subsidie is niet relevant of het UWV de ontslagaanvraag van de werkgever uiteindelijk toe- of afwijst.

Andere gronden voor beëindiging van een arbeidsovereenkomst en andere manieren van beëindiging (zoals de opzegging tijdens de proeftijd, het sluiten van een vaststellingsovereenkomst of het niet opnieuw aangaan van een contract voor bepaalde tijd) worden voor zover bekend niet belet of beboet. Wel heeft iedere arbeidsovereenkomst die eindigt in de subsidieperiode gevolgen voor de hoogte van de uiteindelijke loonsom in de subsidieperiode en is daarmee van invloed de hoogte van de definitieve subsidie. Zie voor een berekening van de gevolgen daarvan vraag 14.

Terug naar boven
16. Wat zijn de gevolgen van het aanvragen van collectief ontslag voor de hoogte van de subsidie?

Doet de werkgever in de periode 30 mei 2020 tot en met 30 september 2020 een melding zoals bedoeld in de WMCO en dient hij in de periode van 1 juni en 30 september 2020 20 of meer ontslagaanvragen per WMCO-werkgebied in wegens bedrijfseconomische redenen, dan vindt een korting plaats van 5 % op het totale subsidiebedrag. Een werkgever kan deze korting op twee manieren voorkomen. 1) Als de werkgever over iedere melding met de belanghebbende vakbonden of met een vertegenwoordiging van werknemers als er geen belanghebbende vakbond is, overeenstemming bereikt over de noodzaak van het aantal te vervallen arbeidsplaatsen, wordt de korting van 5 % niet toegepast. 2) Als het niet is gelukt overeenstemming te bereiken, wordt de subsidie ook niet gekort indien de werkgever samen met de belanghebbende vakbonden of met een vertegenwoordiging van werknemers als er geen belanghebbende vakbond is, gezamenlijk een door de Stichting van de Arbeid in te richten commissie heeft verzocht te beoordelen of het voorgestelde aantal te vervallen arbeidsplaatsen noodzakelijk is en de werkgever dit verzoek op het moment van aanvragen van de vaststelling van de subsidie niet heeft ingetrokken.

Terug naar boven
17. Moet de werkgever het loon van oproepkrachten volledig doorbetalen om aanspraak te kunnen maken op de NOW?

De wetgever verwacht van de werkgever dat deze zich inspant om de loonsom zoveel mogelijk gelijk te houden en oproepkrachten ook zoveel mogelijk doorbetaalt. Een verlaging van de loonsom, bijvoorbeeld door het niet volledig doorbetalen van oproepkrachten, kan leiden tot een (sterkere) verlaging van de subsidie, zoals uitgelegd in vraag 14. Dit kan leiden tot een terugvordering. De NOW stimuleert de werkgever daarmee om in de situatie waar geen loondoorbetalingsverplichting bestaat op grond van de wet, toch coulance halve het loon door te betalen.

Terug naar boven
18. Voorziet de NOW ook in tegemoetkoming in de loonkosten van flexwerkers?

De tegemoetkomingsregeling voorziet in ondersteuning in de vorm van tegemoetkoming in de loonkosten van vaste werknemers en werknemers met een flexibel contract voor zover zij in dienst blijven gedurende de aanvraagperiode en loon ontvangen.

Loon dat is betaald aan flexwerkers wordt meegeteld in het bepalen van de hoogte van de loonsom over de subsidieperiode (zie vraag 14, 15 en 16). Loon van ingeleend personeel telt niet mee in de loonsom van het bedrijf waar werkzaamheden worden verricht, maar vallen onder de aanspraak van hun formele werkgever.

Terug naar boven
19. Kunnen uitzendwerkgevers en payrollwerkgevers aanspraak maken op de NOW?

Ja, de NOW is ook toegankelijk voor uitzendwerkgevers en payrollwerkgevers. Voor deze werkgevers gelden dezelfde voorwaarden als voor reguliere werkgevers.

Terug naar boven
20. Hoe ziet de NOW 3.0 er op hoofdlijnen uit?

Het derde steun- en herstelpakket is bekendgemaakt. De NOW is vanaf 1 oktober 2020 verlengd met drie tijdvakken van drie maanden. De steun van NOW 3.0 is opgedeeld in drie tijdvakken van drie maanden met elk andere voorwaarden. Het eerste tijdvak loopt 1 oktober tot en met 31 december 2020, het tweede tijdvak van 1 januari 2021 tot en met 31 maart 2021 en het derde tijdvak van 1 april 2021 tot en met 30 juni 2021

Terug naar boven
21. Wat zijn de voorwaarden per tijdvak?

Voorwaarde voor het eerste tijdvak is, gelijk aan NOW 1.0 en NOW 2.0, een terugval in de omzet van 20%. Vanaf het tweede tijdvak is de NOW toegankelijk voor bedrijven die 30% of meer omzetverlies lijden.

Terug naar boven
22. Blijven de vergoedingspercentages gelijk?

Het vergoedingspercentage van 90% onder de NOW 1.0 en 2.0 wordt verlaagd naar 80%. Van de 90% loonsomsubsidie wordt in het eerste tijdvak 10% gereserveerd voor omscholing. Effectief ontvangt de werkgever dus 80% subsidie voor de loonkosten. In het tweede tijdvak ontvangt de werkgever 70% subsidie en in het derde tijdvak nog maar 60%.

In het derde tijdvak zal bovendien het maximaal te vergoeden loon per werknemer – meer in lijn met de reguliere sociale zekerheid - worden verlaagd naar maximaal één keer het dagloon. 

Terug naar boven
23. Mogen werknemers onder NOW 3.0 ontslagen worden?

Bedrijven die als gevolg van de crisis langdurig omzetverlies lijden, moeten hun bedrijfsvoering kunnen aanpassen. Naast de middelen voor de overgang naar werk middels het aanvullend sociaal pakket, biedt het kabinet werkgevers daarom de ruimte een gedeelte van de loonsom te laten dalen zonder dat dit tot uiting komt in een verlaging van de subsidie bij de subsidievaststelling. Het vrijstellingspercentage voor de loonsom loopt op van 10% in het eerste tijdvak, naar 15% in het tweede tijdvak tot 20% in het derde tijdvak. De ontslagboete komt daarmee te vervallen.

Hoe de loonsom daalt, kan de werkgever in overleg met de werknemers(vertegenwoordiging) bepalen, bijvoorbeeld via een natuurlijk verloop, ontslag of een vrijwillig loonoffer. In het laatste geval blijft onverminderd gelden dat arbeidsvoorwaarden niet eenzijdig door de werkgever kunnen worden aangepast. 

In de NOW 3.0 is een nieuwe inspanningsverplichting opgenomen voor de werkgever om werknemers zo snel en soepel mogelijk aan nieuw werk te helpen op het moment dat een werkgever noodsteun ontvangt en gebruik maakt van de ruimte voor loonsomdaling door werknemers te ontslaan. De werkgever is verplicht om in het tijdvak waarin hij subsidie heeft aangevraagd contact op te nemen met UWV via de UWV telefoon NOW als hij gedurende dat subsidietijdvak voor een of meer werknemers een ontslagaanvraag wegens bedrijfseconomische redenen indient bij UWV. Voldoet de werkgever hier niet aan, dan wordt de subsidie met 5% gekort.

Terug naar boven
24. Hoe zien de voorwaarden er puntsgewijs per tijdvak uit?

Tijdvak 1

  • Subsidie voor loonkosten: oktober t/m december 2020
  • Subsidiepercentage van loonkosten: 80% (+10% omscholing)
  • Terugval in omzet: 20%
  • Loonsom mag dalen met: 10%
  • Maximum: 2x dagloon = € 9.538

Tijdvak 2


  • Subsidie voor loonkosten: januari t/m maart 2021
  • Subsidiepercentage van loonkosten: 70%
  • Terugval in omzet: 30%
  • Loonsom mag dalen met: 15%
  • Maximum: 2x dagloon = € 9.538

Tijdvak 3

  • Subsidie voor loonkosten: april t/m juni 2021
  • Subsidiepercentage van loonkosten: 60%
  • Terugval in omzet: 30%
  • Loonsom mag dalen met: 20%
  • Maximum: dagloon = € 4.769
Terug naar boven
25. Wanneer kan NOW 3.0 worden aangevraagd?

Een aanvraag voor het eerste tijdvak dat loopt van 1 oktober tot en met 31 december 2020 kan vanaf 16 november 2020 worden gedaan. Voor elk tijdvak kan een werkgever besluiten om wel of geen aanvraag te doen, zowel werkgevers die tijdens NOW 1.0 en 2.0 al een aanvraag hebben ingediend als voor werkgevers die niet eerder een aanvraag hebben ingediend.

De vaststelling van de subsidie vindt na afloop van de drie tijdvakken plaats, vanaf de zomer van 2021. Gelijk aan de NOW 1.0 en 2.0 ontvangt de werkgever een voorschot van 80% van het subsidiebedrag. 

Terug naar boven

Arbeidsrecht - Tijdelijke overbruggingsregeling voor flexibele arbeidskrachten (TOFA)

COVID-19 heeft een grote impact op ons dagelijkse leven, maar ook op de bedrijfsvoering van ondernemingen en organisaties.

De overheid heeft verschillende maatregelen getroffen. Hier treft u een overzicht aan van veelgestelde vragen en antwoorden met betrekking tot de Tijdelijke overbruggingsregeling voor flexibele arbeidskrachten (TOFA).

Wij zullen deze pagina, als er ontwikkelingen zijn, regelmatig updaten (laatste update 6 juli 2020).

Voor vragen en/of meer informatie kunt u contact opnemen met Joyce Snijder en Karlijn van der Heijden.

1. Voor wie is de TOFA bedoeld?

De TOFA is bedoeld als vangnet voor flexwerkers die door de coronacrisis substantieel inkomensverlies hebben geleden, maar geen aanspraak hebben op sociale zekerheidsuitkeringen of op bijstand en onvoldoende middelen hebben om rond te komen. De TOFA is een tegemoetkoming als bijdrage in de kosten voor het levensonderhoud.

Terug naar boven
2. Hoe hoog is de TOFA-tegemoetkoming?

De tegemoetkoming bedraagt EUR 550,- per maand en wordt door het UWV verstrekt over de maanden maart, april en mei 2020. 

Terug naar boven
3. Aan welke voorwaarden moet zijn voldaan om in aanmerking te komen voor een TOFA-tegemoetkoming?

Recht op een tegemoetkoming heeft u als u aan de volgende voorwaarden voldoet:

  • U was op 1 april 2020 minimaal 18 jaar oud en u had nog niet de AOW-leeftijd bereikt.
  • Uw sv-loon (sociale verzekeringsloon) over februari 2020 was minimaal € 400.
  • Uw sv-loon over maart 2020 was minimaal € 1.
  • Uw sv-loon over april 2020 was maximaal € 550.
  • Uw sv-loon over april 2020 was minimaal 50% lager dan uw sv-loon over februari 2020.
  • U kreeg over april 2020 geen uitkering of andere tegemoetkoming in uw inkomsten.
  • Door verlies van inkomsten door de coronacrisis heeft u de tegemoetkoming TOFA nodig voor kosten voor levensonderhoud.
Terug naar boven
4. Wanneer en hoe kan ik de TOFA aanvragen?

Van maandag 22 juni tot en met zondag 12 juli 2020 kan de tegemoetkoming TOFA worden aangevraagd. Daartoe is een digitaal aanvraagformulier beschikbaar gesteld. 

Terug naar boven
5. Rust op mij dan een sollicitatieplicht?

Aan het ontvangen van een TOFA-tegemoetkoming zijn verder geen formele voorwaarden verbonden. Er geldt bijvoorbeeld geen sollicitatieplicht of verplichting om beschikbaar te zijn voor de arbeidsmarkt. 

Terug naar boven

Arbeidsrecht - Tijdelijke noodregeling voor zelfstandig ondernemers (Tozo)

COVID-19 heeft een grote impact op ons dagelijkse leven, maar ook op de bedrijfsvoering van ondernemingen en organisaties.

De overheid heeft verschillende maatregelen getroffen. Hier treft u een overzicht aan van veelgestelde vragen en antwoorden met betrekking tot de Tijdelijke noodregeling voor zelfstandig ondernemers (Tozo).

Wij zullen deze pagina, als er ontwikkelingen zijn, regelmatig updaten (laatste update 6 juli 2020).

Voor vragen en/of meer informatie kunt u contact opnemen met Joyce Snijder en Karlijn van der Heijden.

1. Wat is de Tijdelijke noodregeling voor zelfstandig ondernemers (Tozo)?

De Tijdelijke Overbruggingsregeling Zelfstandige Ondernemers (Tozo) ondersteunt zelfstandige ondernemers, onder wie zzp'ers, met inkomensondersteuning en een lening voor bedrijfskapitaal.

Terug naar boven
2. Wie kan gebruik maken van de Tozo?

De Tozo geldt voor zelfstandig ondernemers, onder wie zzp’ers, die in Nederland gevestigd zijn en hoofdzakelijk in Nederland werken. Daarnaast moeten aanvragers voldoen aan het urencriterium voor de zelfstandigenaftrek. Dat houdt in dat zij het afgelopen jaar minimaal 1.225 uur per jaar (24 uur per week) als zelfstandige werkzaam zijn geweest. Werkt een aanvrager korter dan een jaar als zelfstandige, dan geldt het urencriterium voor het aantal maanden dat is gewerkt.

Tot slot moet een zelfstandige zijn ingeschreven bij de Kamer van Koophandel voordat deze regeling is aangekondigd, dus voor 17 maart 2020 18.45 uur.

Terug naar boven
3. Wanneer bestaat het recht op de Tozo?

De zelfstandigen die verwacht dat als gevolg van de coronacrisis zijn inkomen de komende drie maanden minder zal zijn dan het sociaal minimum (de bijstandsnorm), kan inkomensondersteuning aanvragen.

Wanneer dit achteraf anders blijkt te zijn, moet de zelfstandige dit doorgeven aan de gemeente en vindt correctie plaats.

Als al Tozo 1 is aangevraagd en de zelfstandige een beroep wil doen op Tozo 2, kan deze een verlenging aanvragen.

Terug naar boven
4. Wordt het vermogen getoetst?

Nee, het vermogen (zoals een spaarrekening en huisbezit) heeft geen invloed op de tegemoetkoming. Er wordt evenmin onderzoek gedaan naar de levensvatbaarheid van het bedrijf.

Terug naar boven
5. Wordt het partnerinkomen getoetst?

Onder de Tozo 1 die tot 1 juni 2020 gold werd het partnerinkomen niet getoetst. Onder de Tozo 2 wordt het partnerinkomen wel getoetst. Als het huishoudinkomen boven het sociaal minimum (bijstandsniveau) komt, kan geen aanspraak worden gemaakt op inkomensondersteuning onder de Tozo 2.

Terug naar boven
6. Hoe lang bestaat het recht op inkomensondersteuning?

De Tozo 1 gold tot tot 1 juni 2020 en bood inkomensondersteuning in de maanden maart, april en mei 2020. Inmiddels kan gebruik worden gemaakt van de Tozo 2. Inkomensondersteuning kan worden aangevraagd voor de maanden juni, juli, augustus en september 2020. 

Terug naar boven
7. Ik ben zelfstandige en heb een baan. Heb ik recht op inkomensondersteuning?

Zelfstandigen die naast hun onderneming, meer loon ontvangen uit een regulier dienstverband dan de bijstandsnorm, hebben geen recht op inkomensondersteuning.

Terug naar boven
8. Hoe hoog is de inkomensondersteuning uit de Tozo?

Het inkomen van gehuwden en samenwonenden wordt aangevuld tot een bedrag van 1.500 euro netto en voor alleenstaanden tot 1.050 euro netto. Voor een echtpaar of samenwonenden (met kinderen) waarvan beide partners zelfstandige ondernemer zijn is 1.500 euro netto het maximumbedrag dat wordt uitgekeerd, conform de regels van de Participatiewet.

Terug naar boven
9. Moet dit bedrag worden terugbetaald?

Het betreft een gift en hoeft dus niet te worden terugbetaald.

Terug naar boven
10. Lening voor bedrijfskapitaal.

Zelfstandig ondernemers die als gevolg van de coronacrisis in liquiditeitsproblemen komen, kunnen een lening voor bedrijfskapitaal aanvragen van maximaal 10.157 euro met een rente van 2% voor de Tozo 1 en Tozo 2 gezamenlijk. De maximale looptijd van de lening is drie jaar. Tot januari 2021 hoeft niet te worden afgelost. Verklaard moet worden dat er geen surseance van betaling of faillissement is aangevraagd of verkregen voor de zelfstandige zelf, zijn onderneming, of één van zijn vennoten. 

Terug naar boven
11. Hoe lang duurt de procedure?

Een aanvraag voor de Tozo wordt zo veel mogelijk digitaal gedaan bij de gemeente en kan binnen vier weken worden afgerond.

Terug naar boven
12. Kunnen grenswerkers van de Tozo gebruik maken?

Zelfstandig ondernemers die in Nederland wonen, maar een bedrijf hebben in een ander land van de EU, EER of in Zwitserland, kunnen als zij aan de voorwaarden voldoen, in aanmerking komen voor bijstand voor levensonderhoud op grond van de Tozo-regeling. Zij doen de aanvraag in hun woongemeente. Voor eventuele financiële ondersteuning van hun bedrijf zijn zij aangewezen op het land waar het bedrijf gevestigd is. Zij komen dus alleen in aanmerking voor de inkomensondersteuning en niet voor het bedrijfskapitaal.

Zelfstandigen die wonen in een ander land van de EU, EER of in Zwitserland, kunnen in aanmerking komen voor een bedrijfskrediet, maar niet voor inkomensondersteuning. Voor inkomensondersteuning kunnen zij een beroep doen op de sociale bijstand in hun woonland. Zelfstandigen, die geen woonplaats hebben in Nederland, kunnen de aanvraag doen in Maastricht.

Terug naar boven
13. Kunnen AOW-gerechtigden van de Tozo gebruik maken?

Ook zelfstandigen met de AOW-gerechtigde leeftijd kunnen binnen de Tozo-regeling een bedrijfskrediet aanvragen tegen lage rente.

Terug naar boven
14. Hoe ziet de verlenging van de Tozo er op hoofdlijnen uit?

Het derde steun- en herstelpakket is bekendgemaakt. De Tozo is - net als NOW - vanaf 1 oktober 2020 verlengd met negen maanden. De Tozo 3 voorziet net als de Tozo 1 en 2 in een aanvullende uitkering voor levensonderhoud en in de mogelijkheid een lening voor bedrijfskapitaal aan te vragen. 

Terug naar boven
15. Wanneer kan Tozo 3 aangevraagd worden?

Na 1 oktober kan Tozo 3 bij de eigen woongemeente worden aangevraagd. De Tozo 2 wordt niet automatisch verlengd. 

Terug naar boven
16. Kan de Tozo met terugwerkende kracht worden aangevraagd?

Vanaf 1 december 2020 is dat niet meer mogelijk. Vanaf 1 december 2020 kan de uitkering levensonderhoud op basis van Tozo 3 aangevraagd worden vanaf de 1e van de maand waarin de aanvraag is gedaan. Tot 1 december 2020 kan de aanvraag met terugwerkende kracht tot 1 oktober 2020 worden aangevraagd. 

Terug naar boven
17. Geldt er een vermogenstoets in de Tozo 3?

In aanvulling op de partnerinkomenstoets van Tozo 2 wordt in de Tozo 3 een beperkte vermogenstoets in de vorm van een toets op beschikbare geldmiddelen ingevoerd. Getoetst wordt of het totaal aan direct beschikbare geldmiddelen van ondernemers en zijn/haar gezin lager is dan de toegestane grens van € 46.520,- (zoals contant geld, bank- en spaarsaldo en aandelen, obligaties en opties e.d.). Ander vermogen, waaronder dat uit de eigen woning, afgeschermd pensioen, bedrijfspand, machines, zakelijke apparatuur en voorraden, wordt buiten beschouwing gelaten.

Peildatum voor de bepaling van de hoogte van de beschikbare geldmiddelen is de dag voorafgaand aan de 1e van de maand per wanneer de aanvraag wordt gedaan.

Vanwege de uitvoerbaarheid van de toets moet de zelfstandige een verklaring bij de aanvraag indienen. Gemeenten zullen de juistheid van deze verklaring achteraf controleren door steekproeven. Door deze toets wordt de inzet van de Tozo gerichter en zal er minder misbruik en oneigenlijk gebruik zijn.

Terug naar boven
18. Zijn de voorwaarden voor een lening voor bedrijfskapitaal gewijzigd?

Nee, met betrekking tot de verstrekking van bedrijfskapitaal treden geen wijzigingen op ten opzichte van Tozo 2. Het maximum te lenen bedrag blijft gelijk, zodat de lening voor de Tozo 1, Tozo 2 en Tozo 3 gezamenlijk maximaal 10.157 euro bedraagt.

Voor de lening voor bedrijfskapitaal op grond van Tozo 3 geldt dat de terugbetalingsverplichting start op 1 januari 2021 als de lening vóór 1 januari 2021 verstrekt is. Wordt de lening na 1 januari 2021 verstrekt, dan start de terugbetalingsverplichting op de datum van verstrekking van de lening. 

Terug naar boven
19. Wordt er naast een uitkering aanvullende steun geboden?

Per 1 januari 2021 start een volgende fase binnen de Tozo. In deze fase ondersteunt het kabinet zelfstandig ondernemers waar nodig om zich voor te bereiden op een nieuwe toekomst, hetzij als zelfstandig ondernemer, hetzij als werknemer in loondienst. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en Divosa werken samen met gemeenten en vertegenwoordigers van zelfstandigenorganisaties de komende maanden uit hoe deze ondersteuning kan worden gefaciliteerd. Gemeenten zullen samen met zelfstandig ondernemers onderzoeken of en welke ondersteuning van de zelfstandig ondernemer nodig is, bijvoorbeeld coaching, advies, bij- of omscholing en heroriëntatie. 

Terug naar boven
20. Hoe is de ondersteuning voor zelfstandige ondernemers na de Tozo geregeld?

Vanaf 1 juli 2021 is het reguliere bijstandsregime voor zelfstandig ondernemers, het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz) weer van toepassing. Met het Bbz kan de ondernemer ondersteuning krijgen voor bijstand voor levensonderhoud en voor bedrijfskapitaal. Dat kan zowel voor ondernemers met een levensvatbaar bedrijf, als voor ondernemers die hun bedrijf willen beëindigen. Gelet op de lagere instroom in de Tozo en de tijd die gemeenten en zelfstandigen nog hebben om zich voor te bereiden, vindt men een overgang naar het Bbz vanaf 1 juli 2021 verantwoord.

Terug naar boven

Arbeidsrecht - Uitstel betaling pensioenpremies

COVID-19 heeft een grote impact op ons dagelijkse leven, maar ook op de bedrijfsvoering van ondernemingen en organisaties.

De overheid heeft verschillende maatregelen getroffen. Hier treft u een overzicht aan van veelgestelde vragen en antwoorden met betrekking tot Pensioenpremies.

Wij zullen deze pagina, als er ontwikkelingen zijn, regelmatig updaten.

Voor vragen en/of meer informatie kunt u contact opnemen met Joyce Snijder en Karlijn van der Heijden.

1. Kunnen werkgevers betaling van pensioenpremies uitstellen?

De Stichting van de Arbeid, de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars hebben afgesproken dat pensioenuitvoerders ondernemingen die door de coronacrisis acute problemen ervaren met het betalen van de pensioenpremies, zoveel mogelijk tegemoet gaan komen. Enkele pensioenfondsen hebben al concrete maatregelen aangekondigd, bijvoorbeeld het uitstellen van de betalingstermijn. Werkgevers kunnen contact opnemen met hun pensioenuitvoerder om te informeren wat de mogelijkheden zijn.

Terug naar boven

Arbeidsrecht - WW-premiedifferentiatie

COVID-19 heeft een grote impact op ons dagelijkse leven, maar ook op de bedrijfsvoering van ondernemingen en organisaties.

De overheid heeft verschillende maatregelen getroffen. Hier treft u een overzicht aan van veelgestelde vragen en antwoorden met betrekking tot WW-premiedifferentiatie.

Wij zullen deze pagina, als er ontwikkelingen zijn, regelmatig updaten.

Voor vragen en/of meer informatie kunt u contact opnemen met Joyce Snijder en Karlijn van der Heijden.

1. Tot wanneer geldt het coulanceregime om in aanmerking te komen voor een lage WW-premie?

Sinds 1 januari 2020 betalen werkgevers als gevolg van de Wet arbeidsmarkt in balans (WAB) een lage WW-premie voor werknemers met een vast contract en een hoge WW-premie en voor werknemers met een flexibel contract. Om aanspraak te kunnen maken op die lage WW-premie moet door werkgevers aan een schriftelijkheidsvereiste worden voldaan: er moet een schriftelijke arbeidsovereenkomst of een schriftelijke addendum in de loonadministratie aanwezig zijn, waaruit blijkt dat de werknemer al voor 1 januari 2020 in dienst was voor onbepaalde tijd. In beginsel kregen Werkgevers de tijd tot 1 april 2020 om hun administratie op orde te krijgen. Nu de minister verwacht dat het komende weken niet voor alle werkgevers haalbaar zal zijn om aan het schriftelijkheidsvereiste te voldoen, heeft hij het coulance regime verlengd tot 1 juli 2020. Meer informatie over het schriftelijkheidsvereiste en de coulanceregeling vindt u hier.

Terug naar boven
2. Mijn vaste werknemers werken meer dan 30 % over als gevolg van de coronacrisis. Moet ik nu de hoge WW-premie betalen?

Werkgevers dienen alsnog met terugwerkende kracht de hogere WW-premie af te dragen voor vaste werknemer die in het kalenderjaar meer dan 30% hebben overgewerkt. Deze bepaling kan tot onbedoelde effecten leiden in sectoren waar door het coronavirus veel extra overwerk nodig is (bijvoorbeeld de zorg). De Stichting van de Arbeid heeft verzocht deze regeling aan te passen. Het kabinet is daartoe bereid en zal een aanpassing voorbereiden om deze onbedoelde effecten weg te nemen. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal deze aanpassing, die voor kalenderjaar 2020 zal gelden, zo spoedig mogelijk uitwerken.

Terug naar boven

Arbeidsrecht - Eenzijdige wijziging arbeidsvoorwaarden

COVID-19 heeft een grote impact op ons dagelijkse leven, maar ook op de bedrijfsvoering van ondernemingen en organisaties.

De overheid heeft verschillende maatregelen getroffen. Hier treft u een overzicht aan van veelgestelde vragen en antwoorden met betrekking tot Eenzijdige wijziging arbeidsvoorwaarden.

Wij zullen deze pagina, als er ontwikkelingen zijn, regelmatig updaten.

Voor vragen en/of meer informatie kunt u contact opnemen met Joyce Snijder en Karlijn van der Heijden.

1. Is het mogelijk om op basis van de huidige Corona-situatie de arbeidsvoorwaarden van werknemers op tijdelijke basis eenzijdig aan te passen?

Wijziging van de arbeidsvoorwaarden is als hoofdregel enkel mogelijk met wederzijdse instemming van zowel de werkgever als de werknemer. Er zijn echter ook situaties denkbaar waarin de werkgever eenzijdig mag besluiten de arbeidsvoorwaarden aan te passen. Dat is – kort samengevat – het geval indien de werkgever een dusdanig zwaarwichtig belang bij wijziging heeft, dat het belang dat de werknemer heeft bij instandhouding van de huidige arbeidsvoorwaarden daarvoor in alle redelijkheid dient te wijken. Hoewel er nog geen jurisprudentie bestaat over de situatie omtrent het Coronavirus, is de verwachting gerechtvaardigd dat de huidige situatie wel een zwaarwichtig belang oplevert voor de werkgever. Het is immers een ongekende crisissituatie en veel werkgevers zullen hun best moeten doen het hoofd boven water te houden. Dit betekent echter niet dat de werkgever ook direct bevoegd is álle arbeidsvoorwaarden eenzijdig aan te passen. Dit zal per arbeidsvoorwaarde moeten worden bekeken, en per arbeidsvoorwaarde dienen de belangen van de werkgever en de werknemer tegen elkaar te worden afgewogen. Hierna worden enkele arbeidsvoorwaarden behandeld:

Uren-omvang en loondoorbetaling
De uren-omvang en de loondoorbetaling betreffen primaire arbeidsvoorwaarden en die kunnen in de regel niet eenzijdig worden aangepast door de werkgever, ook niet bij zwaarwichtige omstandigheden.

Werktijden
Indien het door de situatie met het Coronavirus noodzakelijk is dat werknemers op andere tijden gaan werken (bijvoorbeeld om de aanwezigheid van personeel zoveel mogelijk te spreiden), zal dit waarschijnlijk in alle redelijkheid en binnen bepaalde grenzen van werknemers kunnen worden gevraagd. Daarbij dient wel tekens aandacht te zijn voor de persoonlijke situatie van de werknemer (gezin, zorgtaken etc.) en dient ervoor te worden gewaakt dat de aangepaste werktijden op een eerlijke manier over alle werknemers worden verspreid. Uiteraard geldt dit enkel zolang dit noodzakelijk is wegens COVID-19.

Werklocatie
Werkgevers kunnen onder de huidige omstandigheden van hun werknemers verlangen – voor zover dit mogelijk is – thuis te werken. Daarvoor is het uiteraard wel van belang dat werknemers de faciliteiten hebben om thuis te kunnen werken. Werkgevers kunnen zich hierbij ook beroepen op de richtlijnen en adviezen van het RIVM.

Werkinhoud
Indien het door de situatie met het Coronavirus noodzakelijk voor de bedrijfsvoering is dat werknemers (ook) andere werkzaamheden gaan verrichten naast hun gebruikelijke takenpakket, zal dit waarschijnlijk van hen kunnen worden gevraagd. Dit kan zich bijvoorbeeld kunnen voordoen indien op een bepaalde afdeling veel zieken/afwezigen zijn, terwijl op een andere afdeling genoeg of zelfs teveel personeel is om het werk uit te voeren.

Terug naar boven

Arbeidsrecht - Reorganisatie

COVID-19 heeft een grote impact op ons dagelijkse leven, maar ook op de bedrijfsvoering van ondernemingen en organisaties.

De overheid heeft verschillende maatregelen getroffen. Hier treft u een overzicht aan van veelgestelde vragen en antwoorden met betrekking tot Reorganisatie.

Wij zullen deze pagina, als er ontwikkelingen zijn, regelmatig updaten.

Voor vragen en/of meer informatie kunt u contact opnemen met Joyce Snijder en Karlijn van der Heijden.

1. Kan ik als werkgever vanwege COVID-19 mijn bedrijf reorganiseren?

Ja, dat kan. De werkgever moet zijn onderneming zo kunnen inrichten dat het voortbestaan daarvan ook op langere termijn verzekerd is. Leidt COVID-19 tot een structurele werkvermindering, dan is sprake van bedrijfseconomische omstandigheden die kunnen leiden tot het vervallen van arbeidsplaatsen.

Terug naar boven
2. Wanneer is sprake van een structurele werkvermindering?

De werkgever moet aannemelijk maken dat het werkaanbod en daarmee de behoefte aan personeel structureel, d.w.z. ten minste gedurende een periode van een half jaar, fluctueert en zodanig zal blijven fluctueren. Om redenen van een doelmatige bedrijfsvoering (voorkomen substantiële kosten van leegloop) moet het niet verantwoord zijn het bestand van werknemers op hetzelfde niveau te houden.

Terug naar boven
3. Mag ik als werkgever dan zelf de werknemers voor ontslag selecteren?

Nee, dat kan niet. Uitgangspunt is dat de werkgever eerst de relatie beëindigt met personen die niet op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur werkzaam zijn. De ontslagkeuze wordt daarna bepaald aan de hand van het afspiegelingsbeginsel. Dat wil zeggen: de werknemers werkzaam op uitwisselbare functies worden ingedeeld in leeftijdscategorieën. Naar verhouding tussen die categorieën komen zij voor ontslag in aanmerking. Daarbij geldt dat de laatst binnengekomen werknemer binnen een leeftijdscategorie als eerste wordt ontslagen.

Terug naar boven
4. Hoe lang duurt het dan voordat de werknemers van de payroll gaan?

Voor de werknemers van wie de arbeidsplaats vervalt zal de werkgever bij het UWV toestemming voor ontslag moeten vragen. Deze ontslagprocedure duurt al snel 4 weken. Na verkregen toestemming moet de arbeidsovereenkomst met inachtneming van de opzegtermijn nog worden opgezegd tegen (in de regel) de laatste dag van de kalendermaand. De wettelijke opzegtermijn bedraagt minimaal één maand en maximaal vier maanden.

Terug naar boven
5. Moet ik de werknemers in geval van ontslag een transitievergoeding betalen?

Ja, ook in geval van een ontslag vanwege bedrijfseconomische omstandigheden heeft de werknemer aanspraak op de wettelijke transitievergoeding.

Terug naar boven

Arbeidsrecht - Calamiteitenverlof

COVID-19 heeft een grote impact op ons dagelijkse leven, maar ook op de bedrijfsvoering van ondernemingen en organisaties.

De overheid heeft verschillende maatregelen getroffen. Hier treft u een overzicht aan van veelgestelde vragen en antwoorden met betrekking tot Calamiteitenverlof.

Wij zullen deze pagina, als er ontwikkelingen zijn, regelmatig updaten.

Voor vragen en/of meer informatie kunt u contact opnemen met Joyce Snijder en Karlijn van der Heijden.

1. Welke gezondheids- en veiligheidswaarborgen dient de werkgever te nemen?

Iedere werkgever is verplicht zorg te dragen voor een gezonde en veilige werkomgeving. Wat een ‘veilige werkomgeving’ is verschilt van geval tot geval. Teneinde aan de zorgverplichting te kunnen voldoen moet de werkgever de gezondheidsrisico’s op de werkvloer in kaart brengen. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en de rijksoverheid geven op hun sites een aantal richtlijnen en aanbevelingen over beschermingsmaatregelen die werkgevers ten aanzien van COVID-19 voor hun werknemers kunnen treffen. Het is raadzaam deze richtlijnen en aanbevelingen op te volgen en werknemers actief hierover te informeren.

Terug naar boven
2. Mag de werkgever aan werknemers vragen of zij symptomen vertonen van - of gediagnosticeerd zijn met COVID-19 dan wel vragen om melding te doen van besmetting?

Ja, deze vraag kan in zijn algemeenheid aan werknemers worden gesteld. Echter, zodra antwoorden op die vragen schriftelijk worden verwerkt, dient de werkgever op grond van de AVG de privacywaarborgen in acht te nemen. Wanneer de antwoorden van werknemers daartoe aanleiding geven, kan de werkgever de werknemer aanraden contact met een huis- of bedrijfsarts op te nemen.

Terug naar boven
3. Mag de werkgever haar werknemers inlichten als een collega gediagnosticeerd is met COVID-19?

In het kader van een gezonde en veilige werkomgeving moeten werkgevers de risico’s die verbonden zijn aan het werk in kaart brengen en hun werknemers daarover informeren. Zodra een collega COVID-19 oploopt, hebben andere werknemers tijdens het werk een verhoogd risico om het virus op te lopen, dan wel behoren zij tot de risico groep die mogelijk besmet is geraakt. Dat moet worden gemeld. De privacy van de gediagnosticeerde collega dient daarbij zoveel mogelijk te worden gerespecteerd.

Terug naar boven
4. Heeft een werknemer het recht om thuis te werken vanwege angst voor het COVID-19?

De wet flexibel werken biedt iedere werknemer die langer dan 26 weken bij de werkgever in dienst is de mogelijkheid om een verzoek in te dienen om thuis te werken. Thuiswerken is echter geen absoluut recht dat een werknemer toekomt en kan dus niet zonder meer worden afgedwongen. De werkgever kan het verzoek ook afwijzen. De weigering van een verzoek tot thuiswerken, bijvoorbeeld omdat alle benodigde veiligheidsmaatregelen tegen besmetting van COVID-19 zijn genomen, moet goed worden onderbouwd.

Terug naar boven
5. Heeft de werknemer recht op doorbetaling van loon indien hij is gediagnosticeerd met COVID-19?

Iedere arbeidsongeschikte werknemer, en dus ook de werknemer die gediagnosticeerd is met COVID-19 en arbeidsongeschikt is, heeft voor zover het loon niet meer bedraagt dan het maximum dagloon in beginsel recht op doorbetaling van ten minste 70 % van zijn loon, gedurende een periode van 104 weken en gedurende de eerste 52 weken van arbeidsongeschiktheid tenminste op het minimumloon. In de individuele arbeidsovereenkomst of bij cao kunnen ten aanzien van de hoogte van het loon andere afspraken zijn gemaakt.

De arbeidsongeschikte werknemer heeft geen recht op loon indien de ziekte is veroorzaakt door opzettelijk handelen van de werknemer. De opzet van de werknemer moet in dat geval gericht zijn op het ziek worden. Dit leidt er toe dat vorenstaand recht op loon ook geldt voor de werknemer die COVID-19 heeft opgelopen door willens en wetens af te reizen naar een gebied met een vanwege COVID-19 negatief reisadvies. Er vanuit gaande dat de opzet van de werknemer niet gericht is geweest op het ‘ziek worden’ kan niet worden gesteld dat de arbeidsongeschiktheid dan door opzet is veroorzaakt.

Terug naar boven
6. Moet een werkgever het loon doorbetalen als de werknemer preventief thuis in quarantaine of isolatie moet verblijven en thuis niet kan werken?

Een werkgever is verplicht het loon van de werknemer door te betalen indien de werknemer de overeengekomen arbeid niet verricht, tenzij het niet verrichten van de arbeid het gevolg is van een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werknemer dient te komen. Aangenomen kan worden dat een werknemer die (nog) geen Coronasymptomen vertoont, maar wel verplicht in quarantaine of isolatie moet verblijven en thuis niet kan werken op basis van deze (wettelijke) bepaling in beginsel recht heeft op doorbetaling van loon.

Terug naar boven
7. Kan een werknemer beroep doen op calamiteiten verlof omdat hij vanwege de scholensluiting thuis moet blijven om voor zijn kind te zorgen?

Het calamiteitenverlof is bedoeld voor onvoorziene acute situaties. De scholensluiting vanwege COVID-19 is een calamiteit. Tenzij in een cao anders is overeengekomen heeft de werknemer gedurende het calamiteitenverlof recht op het volledige loon. Dit recht is echter niet onbeperkt. De werknemer kan louter een beroep doen op het calamiteitenverlof voor duur dat nodig is om een oplossing te vinden voor het probleem en de noodzakelijke (opvang) maatregelen te treffen.

Terug naar boven
8. Kan een werknemer kortdurend of langdurig zorgverlof aanvragen indien het de werknemer gedurende langere tijd niet lukt om gedurende de scholensluiting opvang voor zijn kinderen te regelen en daardoor langere tijd niet kan werken ?

Het kenmerkende verschil tussen kortdurend zorgverlof en langdurend zorgverlof is dat bij kortdurend zorgverlof de werknemer, voor zover zijn loon niet meer bedraagt dan het maximum dagloon, recht heeft op 70% van zijn loon. Langdurend zorgverlof is onbetaald.

Kortdurend zorgverlof
Volgens de letter van de wet heeft de werknemer alleen recht op kortdurend zorg verlof indien sprake is van ‘ noodzakelijke verzorging in verband met ziekte’. Verzorging van een kind dat niet ziek is maar wel thuis zit omdat de school dicht is, valt niet onder deze omschrijving. Hoewel werkgever en werknemer met het oog op de situatie die voorligt uiteraard anders kunnen afspreken, heeft de werknemer die na het calamiteitenverlof niet kan werken omdat hij zijn kind vanwege de scholensluiting moet opvangen en geen andere opvang kan vinden, daarom geen recht op kortdurend zorgverlof.

Langdurig zorgverlof
De werknemer met jonge kinderen kan in deze situatie mogelijk wel aanspraak maken op verlof zonder behoudt van loon (langdurig zorgverlof). Dit recht is er namelijk indien de werknemer de noodzakelijke verzorging heeft van iemand die hulpbehoevend is. Gesteld kan worden dat een jong kind hulpbehoevend is en deze noodzakelijke verzorging nodig heeft. Het jonge kind kan immers niet alleen thuis gelaten worden. Het langdurig zorgverlof bedraagt in elke periode van 12 maanden ten hoogste zes maal de arbeidsduur per week. Bij een werkweek van 40 uur is dat 240 uur op jaarbasis (en dus 6 aaneengesloten weken).

Wederom geldt dat in een cao andere afspraken kunnen zijn gemaakt.

Terug naar boven

Bestuursrecht

De overheid heeft verschillende maatregelen getroffen. Hier treft u een overzicht aan van veelgestelde vragen en antwoorden met betrekking tot Bestuursrecht.

Wij zullen deze pagina, als er ontwikkelingen zijn, regelmatig updaten (laatste update 03-08-2020).

Voor vragen en/of meer informatie kunt u contact opnemen met Karen Top.

1. Leiden de maatregelen rond COVID-19 tot uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet?

Ja. Minister Van Veldhoven heeft op 1 april in een brief aan de Tweede Kamer geschreven dat zij een verantwoorde inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2021 niet meer haalbaar acht. Dit heeft onder andere te maken met de maatregelen rond het COVID-19. De bestrijding van het virus vraagt momenteel veel aandacht van bestuursorganen. Vanwege de samenloop van de grote inzet die nodig is om de Omgevingswet te implementeren met de bestrijding van het COVID-19 wordt niet langer vastgehouden aan de voorgenomen invoeringsdatum, zodat bevoegde gezagen zich nu eerst kunnen richten op wat het belangrijkste is: het bestrijden van de gevolgen van corona.

Inmiddels is bekend gemaakt dat de Omgevingswet naar verwachting in werking zal treden op 1 januari 2022. Het ontwerp van het Koninklijk Besluit met de nieuwe inwerkingtredingsdatum wordt na de zomer voorgehangen bij de Eerste en Tweede Kamer. Als het parlement akkoord is, wordt de datum van januari 2022 definitief vastgesteld.

Terug naar boven
2. Wat zijn de gevolgen van de maatregelen rond COVID-19 voor een lopende bestemmingsplanprocedure?

Sinds het kabinet maatregelen heeft afgekondigd in de strijd tegen COVID-19, zijn veel gemeentehuizen gesloten of slechts zeer beperkt toegankelijk. Dit terwijl bestuursorganen het ontwerp van besluiten die voorbereid worden met toepassing van de uniforme voorbereidingsprocedure, zoals een bestemmingsplan, en de daarop betrekking hebbende stukken ter inzage moeten leggen. De termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen bedraagt zes weken. Het inzien van stukken zal voor burgers nu echter erg lastig, zo niet onmogelijk zijn.

Voor bestuursorganen 
Het niet op juiste wijze ter inzage leggen kan leiden tot vernietiging van het besluit. Het digitaal ter beschikking stellen van een ontwerpbesluit en de daarop betrekking hebbende stukken biedt daarvoor geen oplossing, omdat dit slechts aanvullend werkt en de wettelijke eis van terinzagelegging niet terzijde schuift. Wat mogelijk wel een oplossing biedt, is dat de termijn voor het indienen van zienswijzen wordt verlengd met de duur van de getroffen (sluitings)maatregelen. Het ontwerpbesluit kan uiteraard ook opnieuw gedurende zes weken ter inzage worden gelegd op het moment dat het normale leven weer wordt hervat.

Voor burgers 

Voor burgers is het belangrijk dat zij, als zij wegens beperkte toegankelijkheid van gemeentehuizen bestemmingsplannen niet kunnen inzien, tijdig aan de bel trekken bij de gemeente dat zij mogelijk – afhankelijk van de inhoud van het ontwerp bestemmingsplan - een zienswijze willen indienen, maar dat het indienen van inhoudelijke gronden daarvoor nu niet lukt. Dat kan bijvoorbeeld door schriftelijk een pro forma zienswijze in te dienen (dat wil zeggen: een zienswijze die nog niet alle redenen bevat waarom u het met het bestemmingsplan niet eens bent), waarbij wordt gewezen op het niet kunnen inzien van het ontwerpplan.

Zienswijzen mogen niet geheel ongemotiveerd zijn, dus geef daarbij in ieder geval kort aan waarom u het met het voorgenomen plan niet eens bent en verzoek om een nadere termijn voor aanvulling van uw zienswijze. De gemeente kan u de ter inzage gelegde stukken dan toesturen of u op een later moment alsnog de gelegenheid tot inzage bieden, waarna u de zienswijze kunt aanvullen.

Terug naar boven
3. Worden dwangsommen verbeurd indien u gehouden bent om een overtreding ongedaan te maken, maar dit feitelijk niet mogelijk is als gevolg van de opgelegde of op te leggen corona maatregelen?

Stel dat u een last onder dwangsom opgelegd heeft gekregen en u binnen een bepaalde termijn de overtreding ongedaan dient te maken. U dient bijvoorbeeld een bouwwerk te verwijderen. Mogelijk heeft u daar een externe partij voor nodig. Door de opgelegde of nog op te leggen corona maatregelen is het mogelijk dat externe bedrijven niet beschikbaar zijn of dat zij niet aan de benodigde materialen kunnen komen. Hierdoor kan het feitelijk niet mogelijk zijn om de overtreding ongedaan te maken. Verbeurt u in dat geval dan toch dwangsommen? En zo ja, hoe kunt u dit voorkomen?

Het uitgangspunt is dat dwangsommen worden verbeurd, indien een vastgestelde overtreding na een opgelegde last onder dwangsom niet binnen de gestelde begunstigingstermijn wordt beëindigd. In dat geval worden de dwangsommen van rechtswege verbeurd en hiervoor is dus geen aanvullend besluit van het bevoegd gezag nodig. Dit betekent dat in u in beginsel gewoon een dwangsom verbeurt, ook als u door de corona maatregelen niet in staat bent om de overtreding te beëindigen.

U kunt voorkomen dat u dwangsommen verbeurt, door het bevoegd gezag te verzoeken de begunstigingstermijn op te schorten. Een dergelijk verzoek zal wel gemotiveerd moeten worden. Onze ervaring leert dat dergelijke verzoeken regelmatig worden toegewezen. Neem gerust contact met een van onze bestuursrecht advocaten op, indien u een dergelijk verzoek wil indienen.

Indien de begunstigingstermijn is verstreken en van rechtswege dwangsommen zijn verbeurd, zult u een besluit ontvangen waarin de dwangsommen worden ingevorderd. Indien u kunt aantonen dat u door de coronamaatregelen niet in staat bent geweest om de overtreding ongedaan te maken, kunt u een beroep doen op bijzondere omstandigheden. Onder bijzondere omstandigheden kan namelijk geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. Overmacht is een bijzondere omstandigheid die ertoe kan leiden dat alsnog van invordering wordt afgezien. Van overmacht is sprake als het gaat om praktische belemmeringen om aan de last te voldoen die niet op voorhand te onderkennen waren. Wij sluiten niet uit dat COVID-19 en de getroffen maatregelen in beginsel als een dergelijke omstandigheid kan worden aangemerkt. Dit is uiteraard afhankelijk van de vraag in hoeverre de opgelegde maatregelen als gevolg van COVID-19 daadwerkelijk ertoe hebben geleid dat de overtreding niet ongedaan kon worden gemaakt.

Mocht u een last onder dwangsom hebben ontvangen of dwangsommen verbeuren, aarzel dan niet om contact met ons op te nemen. 

Terug naar boven
4. Krijg ik van rechtswege een omgevingsvergunning als het bevoegd gezag niet tijdig op mijn omgevingsvergunningsaanvraag beslist als gevolg van de coronacrisis?

Als een omgevingsvergunningsaanvraag betrekking heeft op een activiteit waarvoor de reguliere voorbereidingsprocedure moet worden doorlopen, dan komt van rechtswege een omgevingsvergunning tot stand als het bevoegd gezag niet binnen de beslistermijn van 8 weken op de aanvraag beslist. Het bevoegd gezag kan deze termijn eenmalig met 6 weken verlengen.

Het is voorstelbaar dat door de coronacrisis het voor het bevoegd gezag niet haalbaar is om binnen de gestelde termijn (8 weken + eventueel 6 weken verlenging) op de aanvraag te beslissen. Indien blijkt dat het niet mogelijk is om binnen de beslistermijn op de aanvraag te beslissen, dan kan het bevoegd gezag voorkomen dat een omgevingsvergunning van rechtswege tot stand komt door de beslistermijn op te schorten met een beroep op overmacht (artikel 4:15 lid 2 sub c Awb). Van overmacht is sprake als het gaat om een onmogelijkheid om te beslissen, die veroorzaakt wordt door abnormale of onvoorziene omstandigheden die niet in de risicosfeer van het bestuursorgaan vallen. Wij kunnen ons voorstellen dat van overmacht sprake kan zijn in het geval van ziekte of organisatorische problemen als gevolg van corona. Dit zal echter afhankelijk zijn van de omstandigheden van het geval. De praktijk leert dat bestuursorganen zich inderdaad op overmacht beroepen in verband met de coronacrisis. Wij kunnen u adviseren hoe hiermee om te gaan.

Terug naar boven
5. Kan ik nog steeds een boete krijgen als ik onvoldoende afstand houd of het groepsverbod overtreed?

Ja. De 1,5 meter afstand regel blijft na 1 juli 2020 gehandhaafd. De voorzitters van de veiligheidsregio’s hebben na een aanwijzing van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een model noodverordening COVID 19 opgesteld die alle veiligheidsregio’s kunnen toepassen ter voorkoming van verdere verspreiding van het coronavirus. Deze model noodverordening wordt telkens aangepast aan verscherpte of versoepelde maatregelen die het kabinet afkondigt en daarna geïmplementeerd in de noodverordeningen van de veiligheidsregio’s. De laatste model noodverordening dateert van 15 juli 2020.

Na 1 juli is het nog altijd verboden zich in de publieke ruimte of in een besloten plaats, niet zijnde een woning of een daarbij behorend erf, op te houden zonder tot de dichtstbijzijnde persoon een afstand te houden van ten minste 1,5 meter.. Met publieke ruimte wordt bedoeld de openbare weg, parken, parkeerterreinen en plantsoenen, maar denk ook aan vaartuigen en voertuigen in de openbare ruimte of voor het publiek toegankelijke winkels.  

Voor de 1,5 meter afstand regel gelden onder omstandigheden uitzonderingen, Personen uit hetzelfde huishouden, kinderen jonger dan 12 jaar en leerlingen in het voortgezet onderwijs onderling op school hoeven zich hier bijvoorbeeld niet aan te houden.

Handelen in strijd met de voorschriften uit een noodverordening levert een overtreding op en is strafbaar gesteld. Dit kan leiden tot een gevangenisstraf van drie maanden of een geldboete van € 4.350. De voorzitters van de veiligheidsregio’s zijn sinds de inwerkingtreding van Tijdelijke wet Covid-19 op 24 april 2020 ook expliciet bevoegd om zo nodig bestuursdwang toe te passen om de noodverordening te handhaven.

Terug naar boven
6. Zijn samenkomsten nog steeds verboden?

Nee, samenkomsten zijn niet langer algemeen verboden. Sinds 1 juli 2020 is het weer mogelijk om samenkomsten te organiseren. Daarvoor gelden wel specifieke randvoorwaarden. Het organiseren van samenkomsten is niet mogelijk zonder:

  1. maatregelen te treffen waarmee de stromen van de personen die samenkomen worden gescheiden, ook voor zover het gebruik van sanitaire voorzieningen betreft;
  2. hygiënemaatregelen te treffen waarmee de verspreiding van COVID-19 wordt tegengegaan;
  3. maatregelen te treffen waardoor de aanwezigen te allen tijde 1,5 meter afstand tot elkaar kunnen houden;
  4. ervoor te zorgen dat de aanwezigen te allen tijde 1,5 meter afstand houden tot de dichtstbijzijnde persoon, tenzij de aanwezigen niet verplicht zijn 1,5 meter afstand tot elkaar te houden omdat zij bijvoorbeeld een huishouden vormen; en
  5. ervoor te zorgen dat de aanwezigen aan wie een zitplaats of afgebakende locatie is toegewezen daarvan gebruik maken.

Als de samenkomst uit meer dan 100 personen bestaat binnenshuis of meer dan 250 personen buitenshuis, moet elke aanwezige een eigen zitplaats worden toegewezen, moet er met een reservering worden gewerkt en moet de gezondheid van de aanwezigen worden beoordeeld.

Terug naar boven
7. Wat houdt het evenementenverbod in en waar kan ik dat voor mijn regio terugvinden?

Het algemene verbod op meld- en vergunningplichtige evenementen wordt per 1 juli opgeheven. Het is aan het lokale bevoegd gezag om te beoordelen of een evenement in de regio kan plaatsvinden. Een evenement wordt in de noodverordeningen gedefinieerd als elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak. Onder evenementen vallen in ieder geval herdenkingsplechtigheden, braderieën, optochten niet zijnde manifestaties in de zin van de Wet openbare manifestaties, feesten, festivals, popconcerten en overige muziekvoorstellingen, betaald voetbalwedstrijden (met of zonder publiek), straatfeesten, barbecues en vechtsportwedstrijden.

Terug naar boven
8. Welke regelgevende mogelijkheden heeft de burgemeester om in uw gemeente (corona)maatregelen te treffen en wat kan ik daartegen doen?

De burgemeester is normaal gesproken op grond van de Gemeentewet bevoegd om een noodverordening vast te stellen voor een gemeente en om alle bevelen te geven die hij nodig acht ter handhaving van de openbare orde of ter beperking van gevaar.

Indien er sprake is van gemeente overschrijdende problematiek, zoals nu met de coronacrisis, gaan diverse bevoegdheden, waaronder de noodbevoegdheden van de burgemeester en het gezag over de politie, over op de voorzitter van de Veiligheidsregio (dit is altijd een burgemeester). In diverse Veiligheidsregio’s is sinds 13 maart 2020 een “noodverordening Covid-19” van kracht die telkens wordt aangepast in verband met de verscherping of versoepeling van de coronamaatregelen. In tegenstelling tot een reguliere noodverordening hoeft deze niet door de gemeenteraad te worden bekrachtigd. De burgemeesters van de betrokken gemeenten worden wel geraadpleegd bij de totstandkoming van besluiten zoals de noodverordening.

Tegen een dergelijke noodverordening staat voor burgers geen beroep open bij de bestuursrechter. Met andere woorden, men dient zich per direct aan de verboden in de noodverordening te houden en men kan hier in rechte (bij de bestuursrechter) niet tegen opkomen.

In de regionale noodverordeningen staat dat de voorzitters van de Veiligheidsregio’s ook gebieden of locaties kunnen aanwijzen waar niemand zich mag bevinden. Een gebied kan ook een specifieke locatie zijn, zoals een winkel. Ook vakantieparken, campings, parken, natuurgebieden, zwemgelegenheden en stranden kunnen worden aangewezen indien op deze locaties niet in voldoende mate de beperkende maatregel met betrekking tot het houden van 1,5 meter afstand tussen daar aanwezige personen in acht wordt genomen of het niet in acht nemen daarvan dreigt. De voorzitter kan ook een gebied of locatie aanwijzen indien hij dat noodzakelijk acht om de zorgcontinuïteit in de regio te garanderen.

In de aanwijzing kan worden opgenomen dat deze enkel geldt voor een periode van de dag of week (bijvoorbeeld een weekend). Tegen een besluit tot aanwijzing van een verboden gebied kan wel bezwaar worden aangetekend en beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter.

Terug naar boven
9. Wie mogen de noodverordening handhaven en hoe doen zij dat?

Naast ambtenaren van politie en militairen van de Koninklijke marechaussee zijn dat de door de voorzitter van de Veiligheidsregio aangewezen en aan te wijzen toezichthouders en buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s). Handelen in strijd met de voorschriften uit een noodverordening levert een overtreding op en is strafbaar gesteld in artikel 443 Wetboek van Strafrecht (Sr). Dit wordt bestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van € 4.350. Daarnaast kan de noodverordening bestuursrechtelijk worden gehandhaafd door bestuursdwang toe te passen of een last onder dwangsom op te leggen.

Terug naar boven
10. Hoe lang blijven de noodverordeningen van kracht?

Het is nog niet bekend hoe lang gemeenten gebruik zullen blijven maken van noodverordeningen. De model noodverordening wordt door de voorzitters van de veiligheidsregio’s telkens aangepast en aangescherpt aan de hand van de (versoepelingen van) de maatregelen van het kabinet. Na de zomer zal de Tweede Kamer het wetsvoorstel ‘Tijdelijke wet maatregelen Covid-19’ behandelen. Het is de bedoeling dat de Tijdelijke wet maatregelen Covid-19 de tot nog toe telkens opgestelde en gewijzigde noodverordeningen gaat vervangen. In het wetsvoorstel wordt onder meer geregeld dat een veilige afstand tussen personen in acht moet worden genomen.

Terug naar boven

Cassatie

De overheid heeft verschillende maatregelen getroffen. Hier treft u een overzicht aan van veelgestelde vragen en antwoorden met betrekking tot Cassatie.

Wij zullen deze pagina, als er ontwikkelingen zijn, regelmatig updaten (laatste update 22-04-2020).

Voor vragen en/of meer informatie kunt u contact opnemen met Ida Lintel.

1. Gaan zittingen bij de Hoge Raad nog door in verband met COVID-19?

Het gebouw van de Hoge Raad is met ingang van 17 maart 2020 niet meer toegankelijk voor publiek. De administratieve rolzittingen (die voor civiele zaken op vrijdag plaatsvinden), waarop onder meer de uitspraken van de Hoge Raad worden gedaan, vinden vooralsnog doorgang. In verband met de sluiting van het gebouw zullen deze zonder publiek plaatsvinden. In de periode tot en met 19 mei 2020 vinden geen mondelinge pleidooien plaats bij de Hoge Raad.

Terug naar boven
2. Blijven de normale termijnen gelden voor het verrichten van proceshandelingen bij de Hoge Raad?

Voor het instellen van cassatieberoep bij de Hoge Raad gelden wettelijke termijnen. Van die termijnen is geen uitstel mogelijk.

Voor alle andere proceshandelingen blijven ook de gebruikelijke termijnen gelden. Wel geldt dat verzoeken om uitstel met instemming van de wederpartij(en) vanwege de gevolgen van de Corona-maatregelen in beginsel zullen worden ingewilligd. Indien een partij zich tegen uitstel verzet, zal de rolraadsheer daarover beslissen, waarbij – voor zover relevant - rekening zal worden gehouden met genoemde gevolgen.

De meest actuele informatie over de maatregelen van de Hoge Raad in verband met de Corona-uitbraak kunt u raadplegen op de volgende website: https://www.rechtspraak.nl/Org...

Terug naar boven

Commercieel Contractenrecht & Aansprakelijkheid

De overheid heeft verschillende maatregelen getroffen. Hier treft u een overzicht aan van veelgestelde vragen en antwoorden met betrekking tot Commercieel Contractenrecht & Aansprakelijkheid.

Wij zullen deze pagina, als er ontwikkelingen zijn, regelmatig updaten (laatste update 22-04-2020).

Voor vragen en/of meer informatie kunt u contact opnemen met Frederique Shekel en Jordy Hurenkamp

1. Mijn bedrijf staat op het punt om een overeenkomst te sluiten. Kan ik de onderhandelingen nog afbreken wegens de uitbraak van COVID-19?

De fase waarin partijen met elkaar onderhandelen over een te sluiten overeenkomst, wordt de precontractuele fase genoemd. Aan het einde van de precontractuele fase komt de overeenkomst tot stand door aanbod en aanvaarding van de gemaakte afspraken over en weer door partijen, meestal gevolgd door ondertekening van de overeenkomst. Als hoofdregel geldt dat partijen tot deze acceptatie van de afspraken hun onderhandelingen nog mogen afbreken en daaraan niet gebonden zijn. Dat wordt contractsvrijheid genoemd.

Op die hoofdregel van contractsvrijheid geldt een nuancering. Tijdens de precontractuele fase komen partijen namelijk in een bijzondere door redelijkheid en billijkheid beheerste rechtsverhouding tot elkaar te staan. Dat kan meebrengen dat zij te goede trouw moeten handelen en hun gedrag (deels) moeten laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van de andere contractspartij. Dat kan onder bijzondere omstandigheden toch meebrengen dat onderhandelingen in sommige gevallen niet meer vrijblijvend afgebroken kunnen worden.

Of het afbreken van onderhandelingen zonder consequenties nog mogelijk is, hangt allereerst af van de specifieke afspraken die partijen over de precontractuele fase hebben gemaakt, bijvoorbeeld in een intentieovereenkomst (letter of intent) of een voorovereenkomst. Ook is denkbaar dat partijen zijn overeengekomen dat afspraken juist niet-bindend zullen zijn (een gentlement’s agreement). Aan de hand van deze afspraken moet dan bepaald worden of het afbreken van de onderhandelingen nog mogelijk is en of men wel of geen (schade)vergoeding verschuldigd zal zijn.

Hebben partijen geen specifieke afspraken gemaakt over de precontractuele fase, dan hangt het van de concrete omstandigheden van het geval af of het afbreken van de onderhandelingen zonder consequenties nog mogelijk is. Daarvoor is allereerst bepalend of de contractspartner van de afbrekende partij erop mocht vertrouwen dat de overeenkomst tot stand zou komen en in hoeverre de afbrekende partij aan dat vertrouwen heeft bijgedragen (HR 23 oktober 1987, NJ 1988/1017 en HR 18 juni 1982, NJ 1983/723). Als dat vertrouwen groot en gerechtvaardigd is, door het handelen (of nalaten) van de afbrekende partij, dan kunnen partijen verplicht zijn om door te onderhandelen over de overeenkomst (art. 3:296 BW). Dat is pas het geval als het afbreken van de onderhandelingen naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat is een strenge toets en wordt terughoudend aangenomen door rechters.

In plaats van een plicht tot door onderhandelen, is ook denkbaar dat de afbrekende partij een schadevergoeding moet betalen aan de andere contractspartij wegens schending van zijn of haar precontractuele zorgplicht (art. 6:162 BW). Het zal dan gaan om het negatieve contractsbelang voor de gemaakte kosten tijdens het onderhandelen die een normaal kostenniveau overstijgen, zoals van het uitbrengen van aanvullende offertes op verzoek van de afbrekende partij. Onder zeer bijzondere omstandigheden is zelfs denkbaar dat het positieve contractsbelang moet worden vergoed, voor de gederfde winst die zou zijn behaald met de uitvoering van de beoogde overeenkomst. Dat laatste komt evenwel zelden voor. Ook hier zijn het de specifieke omstandigheden van het geval, bijvoorbeeld of partijen juridische bijstand hebben en hoe vergevorderd de onderhandelingen zijn, die bepalen wat de omvang van de verschuldigde vergoeding is. Het is de rechter die hierover beslist, als partijen er samen niet uitkomen.

Naast het vertrouwen in de totstandkoming van de overeenkomst, is bij de toets ook zwaarwegend in hoeverre de onderhandelingen worden afgebroken wegens onvoorziene omstandigheden die zich tijdens de precontractuele fase pas voordoen (HR 12 augustus 2005, NJ 2005/467 en HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Als de afbrekende partij de onderhandelingen staakt wegens een omstandigheid die hij of zij niet eerder kon voorzien, en niet met (aanvullende) contractuele afspraken eenvoudig kan ondervangen zonder bezwaren, speelt dat ook een belangrijke rol bij de vraag of het afbreken van de onderhandelingen zonder consequenties gerechtvaardigd is. Het uitbreken van COVID-19 zal al snel een dergelijke onvoorziene omstandigheid opleveren, als die uitbraak van invloed is op de te sluiten overeenkomst en niet contractueel ondervangen kan worden op een voor de afbrekende partij aanvaardbare wijze. In deze gevallen is het afbreken van de onderhandelingen zonder kostenvergoeding in de meeste gevallen dan toch toegestaan. 

Terug naar boven
2. Mijn bedrijf of contractspartner kan een overeenkomst niet nakomen. Wat nu?

Is de niet-nakomende contractspartij aansprakelijk voor de schade?  Het tekortschieten in de uitvoering van een overeenkomst levert in beginsel aansprakelijkheid van de tekortschietende partij op. Dat wordt wanprestatie genoemd (art. 6:74 lid 1 BW). Een uitzondering op deze hoofdregel geldt wanneer de tekortschietende partij kan aantonen dat de tekortkoming niet aan zijn of haar schuld te wijten is en niet voor zijn of haar risico komt (art. 6:75 BW). Dat wordt overmacht genoemd. De oorzaak voor niet-nakoming van de prestatie moet dan een feitelijke onmogelijkheid zijn. Dat het uitvoeren van een prestatie bezwaarlijker is geworden, rechtvaardigt dus geen beroep op overmacht, en is eventueel enkel via art. 6:248 BW (de redelijkheid en billijkheid) of art. 6:258 BW (onvoorziene omstandigheden) op te lossen (waarover hierna meer). Als de niet-nakoming wordt veroorzaakt door ingeschakelde hulppersonen die niet presteren of gebruikte zaken die gebrekkig zijn, dan kan de niet-nakomende partij zich niet op overmacht beroepen (art. 6:76 en 6:77 BW). Bij niet-nakoming als direct gevolg van de huidige overheidsmaatregelen, kan dat over het algemeen wel. Bij een geslaagd beroep op overmacht is de tekortschietende partij niet aansprakelijk voor de schade van de contractpartner tegenover wie niet wordt nagekomen.

Of een beroep op overmacht mogelijk is, hangt eerst af van de inhoud van de overeenkomst en de algemene voorwaarden (voor zover van toepassing). Het is namelijk mogelijk om in de overeenkomst of algemene voorwaarden specifieke afspraken op te nemen over overmacht en de aansprakelijkheid van de contractspartijen. Als de overeenkomst of algemene voorwaarden geen specifieke afspraken bevatten, geldt de wettelijke regeling.

Wel specifieke afspraken in de overeenkomst of algemene voorwaarden  In de overeenkomst of algemene voorwaarden kan worden afgeweken van de wettelijke regeling. Tegenover consumenten is dat beperkter mogelijk dan tegenover zakelijke relaties (business to business). De inhoud van de overeenkomst of algemene voorwaarden is dan bepalend voor de vraag of een contractspartij aansprakelijk is voor niet-nakoming.

Als er garanties in de overeenkomst zijn afgesproken, is een beroep op overmacht niet of in mindere mate mogelijk. Daarvoor moet de reikwijdte van de garantie worden vastgesteld. Is bijvoorbeeld zonder voorbehoud gegarandeerd dat goederen of handelswaar zonder vertraging uitgeleverd zullen worden op een specifieke datum, dan zal een beroep op overmacht in beginsel niet slagen. De afspraak is dan dat een niet-tijdige levering voor rekening van de tekortschietende partij komt, omdat dat op voorhand is gegarandeerd.

Daarnaast wordt in overeenkomsten het beroep op overmacht in sommige gevallen tot specifieke situaties beperkt of juist verruimd. Te denken valt aan stakingen, slechte weersomstandigheden, natuurrampen, enzovoorts. Een redelijke uitleg van een dergelijke bepaling moet dan uitwijzen of de huidige situatie omtrent de corona-uitbraak, wel of niet onder die genoemde omstandigheden valt en een geslaagd beroep op overmacht oplevert.

Verder worden in overeenkomsten aansprakelijkheidsbeperkingen (exoneraties) opgenomen. Zo kan er een maximumbedrag zijn afgesproken waarvoor de tekortschietende partij aansprakelijk is of voor welke type schadeposten wel of geen aansprakelijkheid bestaat, zoals zuivere vermogensschade (het mislopen van winsten of inkomsten). In die gevallen is de tekortschietende partij niet boven dat bedrag of voor die overeengekomen schadeposten aansprakelijk, zelfs als van overmacht geen sprake is. De grens is dan enkel dat er geen sprake mag zijn van grove schuld of opzet bij de tekortschietende partij.

Tot slot kan de overeenkomst een boetebeding bevatten voor niet-nakoming, waarbij de schade is gefixeerd op een vooraf vastgestelde boete (naast het eventueel vorderen van aanvullende schadevergoeding). Als nakoming dan uitblijft, kan de contractspartner direct de vastgestelde boete incasseren.

Als de overeenkomst of algemene voorwaarden één of meer van deze specifieke afspraken bevat, kan een beroep op die afspraak onder bijzondere omstandigheden toch worden ontzegd. Het kan namelijk zo zijn dat, gelet op de huidige uitzonderlijke omstandigheden, een beroep op een dergelijke bepaling in de overeenkomst door één van de contractspartijen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (art. 6:248 lid 2 BW). Als naleving van de overeenkomst of algemene voorwaarden van één van de contractspartijen in de huidige omstandigheden redelijkerwijs niet gevergd kan worden, kunnen één of meer bepalingen in de overeenkomst dan toch buiten toepassing blijven. Dat zal echter terughoudend plaatsvinden, als daarmee de schade wordt ‘verplaatst’ van de niet-nakomende partij naar de partij die een beroep doet op de bepaling.

Geen specifieke afspraken in de overeenkomst of de algemene voorwaarden  Als partijen geen specifieke afspraken hebben gemaakt in hun overeenkomst en/of de algemene voorwaarden, dan wordt het beroep op overmacht beoordeeld naar de wet (art. 6:75 BW). Bij deze beoordeling spelen allereerst de aard en inhoud van de prestaties een belangrijke rol.

Zo zal het niet-nakomen van prestaties die naar de aard en inhoud belangrijk zijn voor het blijven functioneren van vitale beroepen en de samenleving in de huidige situatie, zoals bepaald door de overheid, minder snel een beroep op overmacht rechtvaardigen, dan prestaties waarvan de nakoming eenvoudig(er) tijdelijk kan worden uitgesteld zonder ingrijpende gevolgen. Het niet-leveren van (levens)middelen aan supermarkten of zorginstellingen zal bijvoorbeeld strenger beoordeeld worden, dan het niet-leveren van voedsel- en drinkwaren aan horecagelegenheden die op last van de overheid zijn gesloten. Bij essentiële overeenkomsten voor het functioneren van de vitale beroepen en samenleving zal dus strenger getoetst kunnen worden wat de oorzaak is van niet-nakoming en in hoeverre de leverancier zich (extra) heeft ingespannen om die oorzaak toch op te lossen. In deze gevallen zal zoveel mogelijk nagekomen moeten worden en een beroep op overmacht niet snel slagen, omdat de niet-nakoming eerder voor rekening en risico van de niet-nakomende partij komt dan de contractspartner.

Voor overeenkomsten die naar de aard en inhoud geen rol spelen bij vitale beroepen en het functioneren van de samenleving in de huidige situatie, zal een beroep op overmacht mogelijk sneller gerechtvaardigd zijn. Het zal dan met name aankomen op de toetsing of een tekortkoming volgens de in het verkeer geldende opvattingen (dat wil zeggen: hoe de maatschappij dat zal zien) voor rekening en risico van de tekortschietende partij moet komen of niet. Zo is duidelijk dat horeca- en zaalgelegenheden reserveringen voor de komende weken moeten annuleren vanwege de verplichte sluiting, zonder dat zij aansprakelijk zijn voor de schade van de partij die heeft gereserveerd. Zij kunnen zich dus beroepen op overmacht. Ook is denkbaar dat leveranciers die bepaalde (niet-essentiële) goederen tijdelijk niet kunnen uitleveren wegens personeelstekorten, importbeperkingen op grondstoffen of exportproblemen door grenssluitingen, een beroep op overmacht kunnen doen. Het zal steeds van de prestatie en de oorzaak voor niet-nakoming afhangen of het beroep op overmacht wel of niet slaagt.

Welke maatregelen zijn mogelijk bij niet-nakoming en een beroep op overmacht?  Als een beroep op overmacht mogelijk is, en de tekortschietende partij niet aansprakelijk is voor de schade, kan de contractspartner tegenover wie niet wordt nagekomen, nog wel andere maatregelen nemen. Zo kan de overeenkomst worden opgezegd, ontbonden (art. 6:265 BW) of kan de betaling of tegenprestatie tijdelijk worden opgeschort (art. 6:263 en art. 6:52 BW). In sommige gevallen is dan eerst het sturen van een schriftelijke ingebrekestelling vereist, met een termijn om na te komen. Die termijn moet redelijk zijn. Dat verschilt van situatie tot situatie. Ook hier geldt dat de overeenkomst of algemene voorwaarden specifieke afspraken kunnen bevatten over de wijze van opzegging, ontbinding of opschorting.

De ontbinding of opschorting moet bovendien gerechtvaardigd zijn in de huidige omstandigheden. Daarvoor is een belangenafweging bepalend: de reden van niet-nakoming afgezet tegen de aard, inhoud en duur van de overeenkomst en de belangen van partijen bij voortzetting, tijdelijke staking of (gedeeltelijke) beëindiging van de overeenkomst. Partijen die al jarenlang samenwerken en van elkaar afhankelijk zijn in hun bedrijfsvoering, dienen meer acht te slaan op elkaars belangen en minder ingrijpend te handelen, dan partijen die kort geleden met elkaar voor het eerst een kortdurende overeenkomst zijn aangegaan.

Ons advies is om in de huidige (uitzonderlijke) omstandigheden zo snel mogelijk in gesprek te treden met de contractspartner over een (tijdelijke) oplossing voor eventuele problemen bij de nakoming over en weer. Orders, bestellingen en diensten die niet noodzakelijk op korte termijn uitgevoerd hoeven te worden, kunnen dan het beste in onderling overleg uitgesteld worden zonder ingrijpende consequenties. Het is verstandig om afspraken daarover schriftelijk vast te leggen. Beide partijen zijn tegenover elkaar gehouden om zich redelijk en billijk op te stellen bij het vinden van een dergelijke oplossing (art. 6:2 BW) en de nadelige gevolgen daarvan te beperken of onderling te verdelen.

Het inzetten van ingrijpende juridische maatregelen wordt de komende tijd ontraden, zoals het eenzijdig opschorten van diensten en leveringen, het aanzeggen van contractuele boetes of het ontbinden van overeenkomsten, als een noodzaak daartoe onder de huidige (uitzonderlijke) omstandigheden ontbreekt. Dergelijke maatregelen dienen de komende tijd zoveel mogelijk uitgesteld te worden totdat de ingrijpende overheidsmaatregelen worden beëindigd of worden afgebouwd. Ingrijpende juridische maatregelen dienen op dit moment voor uitzonderlijke situaties gereserveerd te blijven. Dat ligt anders als de reden voor niet-nakoming geen enkel verband houdt met de overheidsmaatregelen voor de uitbraak van COVID-19 of zich al vóór 12 maart 2020 (toen de eerste overheidsmaatregelen werden uitgevaardigd) voordeed.

Indien u telefonisch advies wenst, staan de hiernaast vermelde specialisten voor u klaar om mee te denken over een (tijdelijke) oplossing en het geven van advies.

Terug naar boven
3. Wat gebeurt er als mijn bedrijf of contractspartij niet tijdig betaalt?

De niet-betalende contractspartij zal dan een schadevergoeding verschuldigd worden in de vorm van rente, buitengerechtelijke incassokosten en/of een boete. Dat hangt af van de afspraken in de overeenkomst tussen partijen. De niet-betalende contractspartij moet dan wel in verzuim zijn met de betaling.

Verzuim van de niet-betalende contractspartij  Als partijen gezamenlijk een ‘fatale’ termijn voor de betaling hebben afgesproken in de overeenkomst (zoals een kalenderdatum of vóór de eerste dag van de maand), die niet wordt nagekomen, dan komt de niet-betalende partij direct in verzuim te verkeren (art. 6:83 sub a BW). Het sturen van een ingebrekestelling is dan niet meer nodig. Een ingebrekestelling is wel nodig als het gaat om een ‘streefdatum’ of als de betaaltermijn eenzijdig is opgelegd door één contractspartij. Een factuur met de mededeling dat er binnen 14 dagen moet worden betaald, levert dus geen fatale termijn op. Ook kan een reeds afgesproken fatale termijn niet eenzijdig worden verkort of verlengd zonder toestemming van de andere contractspartij (bijvoorbeeld van 14 naar 30 dagen).

Daarnaast treedt het verzuim zonder ingebrekestelling in als de niet-betalende partij duidelijk mededeelt dat hij niet tijdig zal betalen (art. 6:83 sub c BW). Ook treedt het verzuim automatisch in, als sprake is van een handelsovereenkomst (tussen twee zakelijk handelende partijen die iets moet geven of doen en daarvoor een tegenprestatie krijgen). Bij handelsovereenkomsten bepaalt de wet dat het verzuim automatisch intreedt binnen 30 dagen na ontvangst van de factuur (art. 6:119a BW). Partijen kunnen daar gezamenlijk van afwijken, door af te spreken dat er binnen 60 dagen betaald mag worden. Ook hier geldt dat een eenmaal gemaakte afspraak in principe niet eenzijdig gewijzigd kan worden. Een langere betalingstermijn dan 60 dagen afspreken, mag alleen als dat billijk is.

Buiten deze gevallen (een fatale termijn, een mededeling over uitblijven betaling of een handelsovereenkomst), bijvoorbeeld bij en consumentenovereenkomst, zal de niet-betalende partij eerst in gebreke gesteld moeten worden, om het verzuim te laten intreden. Dat kan in een brief of e-mail aan de niet-betalende partij met een aanmaning om binnen een redelijke termijn alsnog tot betaling over te gaan. Blijft de betaling vervolgens uit, dan komt de niet-betalende partij alsnog in verzuim (art. 6:82 lid 1 BW). Een termijn van 14 dagen is in ieder geval redelijk. Als al duidelijk is dat de niet-betalende partij niet meer kan nakomen of uit zijn of haar houding blijkt dat een aanmaning nutteloos is, dan kan de redelijke termijn tot nakoming worden weggelaten en worden volstaan met de mededeling dat de niet-betalende partij aansprakelijk is (art. 6:82 lid 2 BW). Het is belangrijk om achteraf te kunnen bewijzen dat de niet-betalende partij de brief of de e-mail met de ingebrekestelling heeft ontvangen (per aangetekende post of met een ontvangst- en leesbevestiging per e-mail).

Geen beroep op overmacht mogelijk bij betaling geldsom  Bij de betaling van een geldsom is geen beroep op overmacht mogelijk (art. 6:75 BW). Betalingsonmacht wegens gebrek aan financiële middelen blijft voor rekening en risico van de partij die niet kan betalen. Een uitzondering geldt alleen als de andere contractspartij de betaling verhindert of zelf in schuldeisersverzuim verkeert door niet-nakoming van bijvoorbeeld een levering of het onthouden van medewerking (art. 6:58 e.v. BW).

De schadevergoeding bij een te late betaling  De schadevergoeding wegens een te late betaling is gefixeerd in de wet. Vanaf het moment dat de niet-betalende partij in verzuim is (ná de fatale termijn, bij een mededeling omtrent niet-betalen, 30 dagen na ontvangst van de factuur bij een handelsovereenkomst of ná verloop van de ingebrekestellingstermijn), is hij of zij over de openstaande schuld een wettelijke rente verschuldigd. Deze rente wordt samengesteld berekend (rente-op-rente). De wettelijke rente bedraagt op dit moment voor handelsovereenkomsten tussen twee zakelijke partijen 8% (art. 6:119a BW) en voor alle andere gevallen 2% (art. 6:119 BW).

Naast de wettelijke rente, kan de niet-betalende partij een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd worden (art. 6:96 lid 2 sub c BW). Het bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten dient – anders dan de wettelijke (handels)rente - vooraf in een ingebrekestelling aangezegd te worden aan de niet-betalende partij, met de mededeling dat de kosten verschuldigd zijn bij het uitblijven van betaling binnen 14 dagen na ontvangst. Voor de buitengerechtelijke incassokosten gelden vaste tarieven, afhankelijk van de hoogte van de hoofdsom. Er moeten wel incassowerkzaamheden zijn verricht.

Het is mogelijk af te wijken van de wettelijke regeling over de rente en buitengerechtelijke incassokosten. Dat kan in de overeenkomst of algemene voorwaarden. Tegenover consumenten is dat beperkter mogelijk dan tegenover zakelijke relaties (business to business). In handelsovereenkomsten wordt soms een hoger of lager percentage aan rente of buitengerechtelijke incassokosten afgesproken dan de wet voorschrijft of worden vaste boetes afgesproken voor een te late betaling. De grens voor het maken van deze afspraken is dat de afwijking redelijk moet blijven. In de huidige (uitzonderlijke) omstandigheden kan het zo zijn dat dergelijke afspraken toch buiten toepassing blijven, als een beroep daarop naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (art. 6:248 lid 2 BW). Dan geldt alsnog de wettelijke regeling als ondergrens.

Mogelijkheden bij uitblijven betaling of vrees dat er niet wordt betaald  Indien uw bedrijf moet betalen vóórdat uw contractspartner moet presteren, en u vreest dat de contractspartner niet zal nakomen (bijvoorbeeld het doen van een levering van goederen of het verrichten van diensten), dan is het onder omstandigheden mogelijk om de betaling tijdelijk uit te stellen. Dat wordt opschorting genoemd (art. 6:263 en art. 6:52 BW). Dat kan echter een patstelling tussen partijen veroorzaken, omdat geen van de partijen meer als eerste wil presteren. Het is daarom beter dat partijen in onderling overleg afspraken maken, bijvoorbeeld over ‘gelijk oversteken’ of afspraken over een eigendomsvoorbehoud of pandrechten (zie deze pagina voor meer informatie). Voordat het middel van opschorting van betalingen wordt ingezet in de huidige marktomstandigheden die lijden onder de uitbraak van COVID-19, is het dus verstandig hierover eerst te overleggen met een jurist of advocaat. Wij staan in dat kader voor u klaar.

Terug naar boven
4. Heb ik een schadebeperkingsplicht als mijn contractspartij niet nakomt?

Afhankelijk van de omstandigheden van het geval, kan op de contractspartij tegenover wie niet (tijdig) wordt nagekomen, een schadebeperkingsplicht rusten. Als die contractspartij de schade die hij of zij zal lijden redelijkerwijs nog kan voorkomen of beperken, dan zal dat in beginsel moeten gebeuren. Denk aan het voorbeeld dat een order van verse producten wordt geannuleerd, waarvoor de annulerende partij aansprakelijk is, terwijl het voor de leverancier mogelijk is om die verse producten nog aan een ander (mogelijk tegen een lagere prijs) te verkopen. Of wanneer duidelijk is dat de schade beperkter is als de productie van een order (tijdelijk) wordt stilgelegd of gestaakt (door een besparing van grondstoffen). In dit soort gevallen wordt het schadebedrag dan verminderd tot het bedrag waartoe het redelijkerwijs beperkt had kunnen blijven bij tijdig ingrijpen door de schadelijdende partij (art. 6:101 BW). De kosten van deze maatregelen moeten worden vergoed door de niet-nakomende partij (art. 6:96 lid 2 sub a BW), naast de schade die redelijkerwijs niet (meer) kon worden afgewend.

Eventuele voordelen die de schadelijdende partij verkrijgt door de niet-nakoming, worden ook op de schadevergoeding in mindering gebracht (art 6:100 BW). Die gerealiseerde voordelen moeten in direct verband staan met de niet-nakoming. Gedacht kan worden aan belastingvoordelen, kostenbesparingen of het kunnen inzetten van vrijgevallen productiecapaciteit voor andere orders of klanten door de niet-nakoming van de contractspartij. Ook daarvoor geldt de toets dat deze voordeelverrekening wel redelijk moet zijn. Dat is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.

Terug naar boven
5. Ik wil mijn overeenkomst wijzigen wegens de Corona-pandemie. Kan dat?

Op grond van artikel 6:258 BW (onvoorziene omstandigheden) is het - kort gezegd - mogelijk dat een rechter, in geval van zwaarwegende onvoorziene omstandigheden, een overeenkomst wijzigt, tenzij de omstandigheden voor rekening komen van degene die zich op de wijziging beroept. Let op: deze route is dus alleen te begaan via een procedure bij de rechter. Indien u vermoedt dat de Corona-epidemie in uw geval als een onvoorziene omstandigheid kwalificeert, neem dan graag contact met ons op. Hieronder vermelden wij enkele uitgangspunten over deze regeling.

Onvoorzien = niet in de overeenkomst verdisconteerd  Het is nog niet duidelijk of de Corona-pandemie kwalificeert als een onvoorziene omstandigheid. Dat zal afhangen van de specifieke omstandigheden van het geval. Een relevante vraag is bijvoorbeeld of partijen in de overeenkomst in de mogelijkheid van het optreden van een (Corona-)pandemie hebben voorzien (of stilzwijgend die mogelijkheid in de afspraken hebben meegenomen). ‘Onvoorzien’ betekent namelijk ‘niet in de overeenkomst verdisconteerd’. In het algemeen geldt dat hoe minder voorspelbaar een omstandigheid was, hoe minder waarschijnlijk het is dat partijen hiermee rekening hebben gehouden bij het opstellen van de overeenkomst. Voor contracten afgesloten vóór 1 december 2019 denken wij dat het in het algemeen verdedigbaar is dat de Corona-pandemie niet in de overeenkomst is meegenomen. Let wel: wat partijen wel en niet hebben meegenomen in de overeenkomst, is een kwestie van uitleg van de afspraken.

Hoge drempel  Daarnaast dienen de aangevoerde omstandigheden van dien aard zijn dat de wederpartij geen ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst mag verwachten. Dat is een hoge drempel, waar niet snel aan voldaan zal zijn. De rechter is terughoudend, vooral als het risico en de rekening van de (gevolgen van de) wijziging naar de wederpartij wordt verlegd. Mede hierdoor kan het kansrijker zijn om een beroep op andere wetsbepalingen of leerstukken te doen, zoals het tijdelijk buiten werking stelling van één of een beperkt aantal afspraken in de overeenkomst op grond van art 6:248 BW (de redelijkheid en billijkheid). Daarover vertellen wij hier boven meer bij vraag 1: Welke maatregelen zijn mogelijk bij niet-nakoming en een beroep op overmacht?

Contractuele regeling voor onvoorziene omstandigheden  Het komt regelmatig voor dat partijen in de overeenkomst zelf afspraken opnemen met betrekking tot onvoorziene omstandigheden. In een dergelijk geval toetst de rechter het beroep op onvoorziene omstandigheden aan die contractuele afspraken.

Partijen kunnen de bepaling van art. 6:258 BW overigens niet “wegcontracteren”, door bijvoorbeeld in de overeenkomst op te nemen dat onvoorziene omstandigheden niet mogen leiden tot een wijziging of ontbinding van de overeenkomst. Die bevoegdheid heeft een rechter dus altijd.

Tot slot  Gezien de hoge drempel voor een geslaagd beroep op onvoorziene omstandigheden en het feit dat de rechtbanken voorlopig gesloten zijn, verdient het aanbeveling om eerst met de wederpartij in overleg te treden om te onderzoeken of een vrijwillige (tijdelijke) aanpassing van de overeenkomst mogelijk is. Indien u niet tot overeenstemming kunt komen met uw wederpartij of advies wenst wanneer u tot overeenstemming probeert te komen, neemt u dan gerust contact met ons op. Wij kunnen u adviseren over de meest kansrijke route in uw specifieke geval om eventueel nadeel op te vangen of te beperken.

Terug naar boven

Corporate & Financial Litigation

De overheid heeft verschillende maatregelen getroffen. Hier treft u een overzicht aan van veelgestelde vragen en antwoorden met betrekking tot Corporate & Financial Litigation.

Wij zullen deze pagina, als er ontwikkelingen zijn, regelmatig updaten (laatste update 22-04-2020).

Voor vragen en/of meer informatie kunt u contact opnemen met Larissa Peereboom.

Wat heeft het coronavirus voor invloed op procedures bij de Rechtspraak?

De Rechtspraak heeft besloten vanaf 17 maart 2020 alle rechtbanken, gerechtshoven en bijzondere colleges (waaronder begrepen de Ondernemingskamer) te sluiten voor bezoekers en publiek. Voor de wijze waarop zaken gedurende de sluiting van de gerechten worden behandeld heeft het dagelijks bestuur van de Presidentenvergadering een ‘algemene regeling zaaksbehandeling Rechtspraak’ vastgesteld. Deze algemene regeling geldt tot en met 28 april 2020 of zoveel langer als de Rechtspraak besluit bij verlenging van de huidige coronamaatregelen door het kabinet. Voor een aantal rechtsgebieden gelden daarnaast nog specifieke regels die zijn opgenomen in de tijdelijke regelingen per rechtsgebied.

Uitgangspunt is dat de gerechten alle zeer urgente zaken zullen behandelen (zaken die op lijst 1 zijn opgenomen). Dit betreffen zaken waarin een spoedige rechterlijke beslissing niet achterwege kan blijven (denk aan spoed kort gedingen, voorlopige voorzieningen en spoed beslagrekesten). De behandeling van de zeer urgente zaken geschiedt zoveel mogelijk schriftelijk of via een telefonische (beeld)verbinding. In beginsel vindt er geen mondelinge behandeling plaats met fysieke aanwezigheid van partijen, tenzij de algemene regeling anders bepaalt.

Vanaf 7 april 2020 is ook aanvang gemaakt met de behandeling van overige urgente zaken (de zaken op lijst 2). Dit betreffen onder meer ‘gewone’ kort gedingen, rekesten voor het ontslag van een statutair bestuurder, deelgeschillen, huurzaken, bepaalde wwz-zaken en overige voorlopige voorzieningen.

De centrale balies van de gerechtsgebouwen (de balie waar processtukken normaliter schriftelijk worden ingediend) zijn vanaf 17 maart ook niet meer vrij toegankelijk. Met ingang van 9 april 2020 is het wel mogelijk om gebruik te maken van de Veilig mailen voorziening van de Rechtspraak voor het per beveiligde e-mail indienen van (proces-)stukken en berichten. Hierdoor is het mogelijk om per beveiligde e-mail processtukken in te dienen bij de Rechtspraak die voorafgaand aan de corona-crisis per post of per fax moesten worden ingediend.

Nieuwe, reguliere civiele, bestuursrecht- en familiezaken kunnen op de gebruikelijke wijze worden aangebracht en ingeschreven. In die zaken zal, zoveel mogelijk schriftelijk, met inachtneming van de algemene regeling, worden (voort)geprocedeerd. Hierbij kan partijen gevraagd worden of zij kunnen instemmen met een schriftelijke procedure in plaats van een mondelinge behandeling. Indien partijen niet instemmen met een schriftelijke procedure en de rechter een zaak als urgent aanmerkt, bepaalt de rechter een mondelinge behandeling, in beginsel met telefonische (beeld)verbinding.

Ook het instellen van hoger beroep of cassatie is ook nog steeds mogelijk. Voor het instellen van hoger beroep of cassatieberoep gelden de normale termijnen.

Vanaf 11 mei 2020 zullen op beperkte schaal rechtszaken weer in fysieke aanwezigheid van procespartijen en verdachten in de zittingszaal worden behandeld. Het gaat daarbij om zaken waarin de fysieke aanwezigheid van de procespartijen onmisbaar wordt geacht. Strafzaken, jeugd(straf)zaken en familiezaken hebben daarbij prioriteit.

De meest actuele informatie over de beschikbaarheid van de Rechtspraak tijdens het coronavirus kunt u raadplegen op de website Rechtspraak.nl.

Terug naar boven

Financiering, zekerheden & leasing

De overheid heeft verschillende maatregelen getroffen. Hier treft u een overzicht aan van veelgestelde vragen en antwoorden met betrekking tot Financiering, zekerheden & leasing.

Wij zullen deze pagina, als er ontwikkelingen zijn, regelmatig updaten (laatste update 30-03-2020).

Voor vragen en/of meer informatie kunt u contact opnemen met Renske de Groot of Stef Vullings.

1. Wanneer kom ik in aanmerking voor de eenmalige tegemoetkoming van € 4.000,-?

Vanaf 9 maart 2020 heeft het kabinet vergaande landelijke gezondheidsmaatregelen getroffen ter bestrijding van de verdere verspreiding van het coronavirus (COVID-19). Deze gezondheidsmaatregelen hebben enorme consequenties voor de inkomsten in een aantal sectoren in het bijzonder. Een aantal ondernemingen zien hun inkomsten grotendeels teruglopen, terwijl een groot deel van hun vaste lasten intussen gewoon doorlopen en hun uitgaven in veel gevallen al gedaan zijn. Deze inkomsten lijken bovendien moeilijk te kunnen worden ingehaald wanneer de COVID-19-uitbraak achter de rug is. Om deze ondernemingen snel een eerste helpende hand te bieden, heeft het kabinet besloten tot een noodmaatregel voor ondernemingen die door de gezondheidsmaatregelen zijn getroffen. Ondernemingen uit een aantal specifieke sectoren kunnen op grond van een beleidsregel een eenmalige tegemoetkoming van € 4.000,- ontvangen indien zij aan enkele voorwaarden voldoen.

De betreffende beleidsmaatregel is op 30 maart 2020 door de Minister van Economische Zaken en Klimaat (de “Minister”) gepubliceerd. In deze beleidsregel staat welke ondernemingen in aanmerking komen voor de financiële tegemoetkoming, aan welke randvoorwaarden zij moeten voldoen om in aanmerking te komen, hoe de aanvraag ingediend moet worden en binnen welke termijn op de aanvraag beslist wordt. Op grond van deze beleidsregel verstrekt de Minister op aanvraag een tegemoetkoming van € 4.000,- aan een gedupeerde onderneming die verwacht in de periode van 16 maart 2020 tot en met 15 juni 2020:

  • ten minste € 4.000,- aan omzetverlies te lijden als gevolg van de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19; en
  • ten minste € 4.000,- aan vaste lasten te hebben, ook na gebruik van andere door de overheid beschikbaar gestelde steunmaatregelen in het kader van de bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19.

Van een gedupeerde onderneming is op grond van de beleidsregel sprake indien aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldaan is:

  • de onderneming staat op 15 maart 2020 in het handelsregister ingeschreven;
  • de onderneming houdt zich bezig met één van de activiteiten genoemd in dit document bij de beleidsregel;
  • bij de onderneming zijn op 15 maart 2020 ten hoogste 250 personen werkzaam;
  • bij niet-horecaondernemingen moet ten minste één vestiging een ander adres dan het privéadres van de eigenaar van de onderneming hebben;
  • bij horecaondernemingen moet ten minste één horecagelegenheid worden gehuurd of gepacht of moet ten minste één horecagelegenheid eigendom van de horecaonderneming zijn.

De aanvragen voor een tegemoetkoming kunnen vanaf 27 maart 2020 worden ingediend bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (de “RVO”). Ondernemers kunnen gebruikmaken van het formulier dat hiertoe via RVO ter beschikking is gesteld. De aanvragen kunnen tot en met 26 juni 2020 worden ingediend en er wordt binnen drie weken na de aanvraag besloten of de tegemoetkoming wordt toegekend. De (hoogte van een) tegemoetkoming kan tot vijf jaar na de verstrekking daarvan worden herzien indien blijkt dat de aanvrager onjuiste informatie heeft opgegeven.

Terug naar boven
2. Wanneer komt een Mkb’er in aanmerking voor de tijdelijke verruiming van de Borgstelling MKB-kredieten (de BMKB)?

Onder de tijdelijke maatregel van de BMKB worden financieringen aan in de kern gezonde mkb-bedrijven toegelaten, om opgekomen of te verwachten liquiditeitsproblemen vanwege de coronaproblematiek te verzachten. Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat kan door middel van de BMKB borg staan voor de kredieten aan ondernemers. Banken of andere financiers kunnen hierdoor gemakkelijker en sneller krediet verruimen en bedrijven hebben de mogelijkheid om eerder en meer geld te lenen, ook als zij aan de betrokken financier niet genoeg zekerheden kunnen bieden. Het BMKB is beschikbaar voor een select aantal financiers. Het is niet mogelijk om door middel van het BKMB de bestaande kredietfaciliteiten van de onderneming te herfinancieren. Er moet altijd een nieuwe financiering worden aangegaan.

Normaal gesproken betreft het borgstellingskrediet 50% van het krediet dat de financier (vaak een bank) in zijn geheel verstrekt. Voor ondernemers die door het Coronavirus in financiële problemen komen, is een verruiming van het BMKB ingevoerd. Met de ingevoerde verruimingsmaatregel wordt de omvang van het borgstellingskrediet in de BMKB verhoogd van 50% naar 75%. Daarnaast is de verruimingsregeling ook toepasbaar op overbruggingskredieten en rekening-courantkredieten met een looptijd tot 2 jaar. Vanwege de urgentie van de Coronaproblematiek is de tijdelijke verruiming van de BMKB al op 16 maart 2020 ingevoerd en blijft deze gelden tot 1 april 2021. Bedrijven die aanspraak kunnen maken op het BMKB hebben daardoor dus meteen profijt van deze verruimende maatregel.

De BMKB is in beginsel bestemd voor ondernemingen met maximaal 250 werknemers (fte) met een jaaromzet tot € 50 miljoen of een balanstotaal tot € 43 miljoen. Klik hier voor de exacte voorwaarden. De ondernemer vraagt een ‘normaal’ krediet aan bij kredietverstrekkers, zoals banken of andere financiële instellingen. De ondernemer kan de financier vervolgens verzoeken om zo nodig gebruik te maken van de borgstellingsregeling. De financier beslist daarna of er een borgstellingskrediet wordt verleend en onder welke voorwaarden.

Terug naar boven
3. Op welke regeling kunnen zzp’ers met financiële problemen een beroep doen?

Ook zzp’ers kunnen vanwege het Coronavirus met (tijdelijke) financiële problemen te maken krijgen. In dat geval kunnen zzp’ers helaas geen gebruik maken van de werktijdverkortingsregeling (zie ook de pagina van Arbeidsrecht). Deze is namelijk alleen van toepassing op medewerkers die in loondienst zijn. Wanneer een zzp’er vanwege het Coronavirus acuut in de problemen komt, kan deze in een aantal gevallen bij zijn woongemeente ondersteuning in de vorm van een aanvullende uitkering voor levensonderhoud en/of een lening voor bedrijfskapitaal aanvragen. Voor de uitkering voor levensonderhoud geldt dat deze het inkomen van de zzp’er zal aanvullen tot het sociaal minimum. Een lening voor bedrijfskapitaal kan aangevraagd worden om liquiditeitsproblemen op te lossen.

Deze tijdelijke regeling voor zzp’ers is gebaseerd op het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (het zogenaamde Bbz, een gemeentelijke kredietregeling voor zelfstandige ondernemers met financiële problemen). De tijdelijke regeling voor zzp’ers bevat – deels in afwijking van het Bbz - de volgende elementen:

  • Op grond van het Bbz wordt getoetst of een bedrijf na het verlenen van bijstand levensvatbaar is. Deze toets op levensvatbaarheid wordt in de tijdelijke regeling echter niet toegepast. Daardoor is een snellere behandeling van aanvragen van zzp’ers mogelijk.
  • Waar het op grond van de Bbz 13 weken kan duren voordat een uitkering wordt verstrekt, wordt op grond van de tijdelijke regeling binnen een periode van 4 weken en voor een periode van maximaal 3 maanden inkomensondersteuning voor levensonderhoud verstrekt. Daarbij kan er met voorschotten worden gewerkt.
  • De hoogte van de inkomensondersteuning bedraagt - afhankelijk van het inkomen en de huishoudsamenstelling - circa € 1.500,- netto per maand. Waar de inkomensondersteuning voor levensonderhoud op grond van de Bbz als een lening wordt aangemerkt, wordt deze op grond van de tijdelijke regeling ‘om niet’ aan de zzp’er verstrekt. De zzp’er hoeft deze inkomensondersteuning later dus niet terug te betalen. Bij de tijdelijke regeling wordt daarnaast geen gebruik gemaakt van een vermogens- of partnertoets.
  • De versnelde procedure geldt ook voor aanvragen voor een lening voor bedrijfskapitaal tot maximaal € 10.157,-. Bij de verstrekking van een lening voor bedrijfskapitaal wordt een lager rentepercentage dan thans op grond van het Bbz wordt gehanteerd. Ook wordt bij deze lening een mogelijkheid tot uitstel van de aflossingsverplichtingen opgenomen.

Deze nieuwe tijdelijke regeling wordt momenteel in samenspraak met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en Divosa verder door het kabinet uitgewerkt, zodat deze op zeer korte termijn kan worden ingevoerd. Indien meer informatie over de concrete invulling van deze nieuwe regeling bekend is, zullen wij u daar op deze pagina uiteraard direct over informeren.

Terug naar boven
4. Welke vereisten gelden voor het verkrijgen van uitstel van betaling bij de Belastingdienst? En welke belastingmaatregelen zijn er nog meer getroffen?

Zowel ondernemers als zzp’ers kunnen voor alle aanslagen inkomsten-, vennootschaps-, omzet- en loonbelasting bijzonder uitstel van betaling aanvragen. Dit uitstel dient bij brief te worden aangevraagd bij de Belastingdienst (Postbus 100, 6400 AC te Heerlen). In de brief legt u uit hoe u door de uitbraak van COVID-19 in betalingsproblemen bent gekomen. De invorderingsmaatregelen worden dan direct gestopt door de Belastingdienst. Ondernemers krijgen dus – na een gemotiveerd verzoek - per direct uitstel van betaling van de Belastingdienst. Individuele beoordeling van het verzoek vindt pas later plaats. Daarnaast hoeft het uitstelverzoek niet direct de vereiste verklaring van een derde-deskundige te bevatten, waaruit blijkt dat (i) er sprake is van betalingsproblemen, (ii) deze betalingsproblemen van tijdelijke aard zijn en het gevolg van COVID-19 en (iii) uw onderneming levensvatbaar is. Deze verklaring kan later worden aangeleverd.

In de brief van 17 maart 2020 geeft het kabinet aan dat zij het proces om uitstel van belastingen te verkrijgen voor ondernemers zo eenvoudig mogelijk willen maken. Om ondernemers tegemoet te komen, zal de Belastingdienst de komende tijd verzuimboetes voor het niet (tijdig) betalen van belastingen achterwege laten of terugdraaien. Daarnaast heeft het kabinet besloten om de invorderingsrente vanaf 23 maart 2020 tijdelijk van 4% naar 0,01% te verlagen. Deze tariefsverlaging zal gelden voor alle belastingschulden. Ook het tarief van de belastingrente (die wordt gerekend indien een aanslag niet op tijd kan worden vastgesteld, bijvoorbeeld omdat de aangifte te laat of niet voor het juiste bedrag is ingediend) wordt tijdelijk tot 0,01% verlaagd (waar dit 8% voor vennootschapsbelasting en 4% voor overige belastingen bedroeg). Deze verlaging geldt voor alle belastingen waarover belastingrente wordt gerekend en zal – vanwege technische redenen – ingaan op 1 juni 2020 (en voor de inkomstenbelasting op 1 juli 2020).

Indien u een voorlopige aanslag inkomsten- of vennootschapsbelasting betaalt, is het mogelijk – indien u verwacht dat uw winst door de uitbraak van COVID-19 zal dalen – uw voorlopige aanslag te wijzigen en te verlagen, waardoor u minder belasting hoeft te betalen. Deze verzoeken zullen door de Belastingdienst worden ingewilligd, waardoor u direct minder belasting betaalt. Deze wijziging kunt u via uw persoonlijke omgeving bij de Belastingdienst regelen. Het kan ook zo zijn dat het bedrag van de nieuwe voorlopige aanslag lager is dan de belasting die u in de eerste maanden van het jaar al heeft betaald. In dat geval krijgt u het verschil uitbetaald.

Terug naar boven
5. Ik kan mijn lening bij mijn bank niet aflossen, wat nu?

Diverse banken hebben op 19 maart 2020 in aanvulling op het omvangrijke pakket van het kabinet gezamenlijke maatregelen voor hun zakelijke klanten getroffen. Het betreffen vooralsnog in ieder geval ABN AMRO, ING, Rabobank, de Volksbank en Triodos Bank. Kleinere ondernemingen die in de kern gezond zijn, maar door de coronamaatregelen in problemen komen, kunnen bij deze banken zes maanden uitstel van aflossing op hun lopende leningen krijgen indien hun financiering maximaal € 2,5 miljoen bedraagt. Voor ondernemingen met hogere financiële verplichtingen zullen de banken de verdere ontwikkelingen scherp volgen. Ook wij zullen deze ontwikkelingen bijhouden en u daarover blijven informeren. Lees hier het bericht van de Nederlandse Vereniging van Banken.

Heeft u een lopend zakelijk krediet bij ABN AMRO van maximaal € 50 miljoen? Op 27 maart 2020 heeft ABN AMRO bekendgemaakt dat in de maanden april tot en met september 2020 bij deze klanten geen betalingen van aflossing en rente worden geïncasseerd. Zij kunnen deze termijnen later voldoen. Als een klant het uitstel niet nodig heeft, dient dit uiterlijk 31 maart 2020 bij ABN AMRO te worden gemeld. Het uitstel vindt dan niet plaats.

Terug naar boven

Herstructurering & Insolventierecht​​

De overheid heeft verschillende maatregelen getroffen. Hier treft u een overzicht aan van veelgestelde vragen en antwoorden met betrekking tot Herstructurering & Insolventierecht.

Wij zullen deze pagina, als er ontwikkelingen zijn, regelmatig updaten.

Voor vragen en/of meer informatie kunt u contact opnemen met Ferdinand Bosvelt en Robert Faassen.

1. Wat kunt u doen bij liquiditeitsproblemen?

De liquiditeit van uw onderneming kan onder grote druk komen te staan. Uw inkomsten zijn onzeker geworden of het is zelfs zeker dat deze er niet zullen zijn de komende periode. Uw uitgaven blijven er in beginsel echter wel. Op dit moment is onduidelijk hoelang deze situatie zal voortduren en of deze zal verergeren. Er zijn verschillende mogelijkheden om dit het hoofd te bieden. Een geïntegreerde aanpak is nodig. Daarbij kan Wijn & Stael u deskundige hulp bieden. Wat uw onderneming nodig heeft hangt af van het type onderneming en de financiële situatie bij uw onderneming.

Aan de hand van een liquiditeitsplanning kan in kaart gebracht worden voor welke periode er nog liquiditeit is. In deze periode zullen maatregelen genomen moeten worden om de onderneming te redden. Dit kan gaan om maatregelen aan de kant van uw uitgaven of maatregelen aan de kant van uw inkomsten.

Daarbij kan aanvullende financiering nodig zijn. Deze kan komen van bijvoorbeeld de aandeelhouders, de bank of derden zoals een leverancier. Zelfs indien het financieel slecht gaat met een bedrijf, dan kunnen voor een geldlening soms nog zekerheden, zoals pandrechten, worden gevestigd. Het is ook voor de verstrekker van een krediet van belang om bij het verstrekken van een dergelijke financiering wel stil te staan bij de risico’s voor het geval het bedrijf toch in de periode daarna failliet zou gaan. Om de risico’s van een dergelijke aanvullende financiering te beperken is van belang een goede (financiële) analyse te maken en de noodzakelijke juridische documentatie op te stellen. Soms kan ook een sale-and-lease-back-constructie een maatregel zijn die uitkomst biedt. Dit houdt in dat bedrijfsmiddelen worden verkocht om die vervolgens weer te gaan huren. Dit kan op korte termijn aanzienlijke liquiditeit opleveren, maar kost op langere termijn vaak meer. Van belang is dat de juridische risico’s, voordelen en nadelen van de verschillende opties juist worden ingeschat, liquiditeitsplanningen worden opgesteld en u door helder advies steeds goed geïnformeerd bent. Er is soms meer mogelijk dan u denkt.

Maatregelen waaraan in het bijzonder gedacht kan worden zijn bijvoorbeeld:

  • Uitstel vragen voor de betaling van belasting. Zie vraag 3 bij 'Financiering, zekerheden en leasing'.
  • Nagaan of er mogelijkheden zijn om werktijdverkorting aan te vragen. Zie voor meer informatie de veelgestelde vragen onder 'Arbeidsrecht - Werktijdverkorting' .  
  • Overleg met de verhuurder en andere stakeholders waar u periodiek aan betaalt zoeken voor het treffen van een betalingsregelingen. Als er geen/nauwelijks inkomsten zijn ligt het voor de hand om te streven naar een situatie met zo laag mogelijk vaste lasten en uitstel of kwijtschelding voor de betaling daarvan te vragen. 
  • De vaste lasten en flexibele kosten kritisch bekijken en waar mogelijk besparen. 
  • Betalingsregelingen treffen met crediteuren en/of het later (niet voor de vervaldatum) betalen van crediteuren.  Effectiever voorraadbeheer. Dit kan zijn beperkt inkopen, maar dit kan ook zijn het uitverkopen van incourante/overbodige voorraad. 
  • Overleg met belangrijke leveranciers (zie voor mogelijkheden het antwoord bij vraag 2). 
  • Het eventueel bieden van betaalkorting aan klanten die direct of eerder betalen. 
  • Optimaliseren van het debiteurenbeleid. 
  • Het vragen van voorlopige teruggaven aan de Belastingdienst. 
  • In een uiterst geval zou het ook noodzakelijk kunnen zijn om surseance van betaling of faillissement aan te vragen.
Terug naar boven
2. Wat kunt u als leverancier doen als uw afnemer niet kan betalen voor de geleverde of nog te leveren goederen?

In deze tijden kunt u als leverancier van afnemers te horen krijgen dat zij u niet kunnen betalen voor de geleverde goederen. Ook kunnen er afnemers zijn die graag (opnieuw) goederen van u willen afnemen, maar de koopprijs niet meteen kunnen voldoen.

Geleverde goederen
Heeft u goederen geleverd en ontvangt u een bericht van uw afnemer dat hij de koopprijs op dit moment niet kan betalen, dan is het verstandig om met uw afnemer in gesprek te gaan en (afwijkende) afspraken te maken.

In een gesprek kan onder meer aan de orde komen of de afnemer verwacht in de toekomst wel te kunnen betalen. In dat geval kunt u afspraken maken met de afnemer over bijvoorbeeld een (langere) betalingstermijn. Let er wel op dat de wet grenzen stelt aan de mogelijkheid om lange betalingstermijnen overeen te komen met grote ondernemingen en de overheid. De termijn is dan gemaximeerd op 60 dagen.

Verder is het belangrijk dat u deze afwijkende afspraken goed vastlegt en bij het maken van deze afspraken ook het huidige contract met uw afnemer controleert. Wellicht staan daar bepalingen in die van toepassing zijn in situaties als deze en geldt er bijvoorbeeld automatisch een langere betalingstermijn en/of is er een boeteclausule voor het geval de afnemer te laat betaalt. Zie over het wijzigen van een overeenkomst en over overmacht situaties vraag 1 op de veelgestelde vragen pagina van 'Commercieel Contractenrecht & Aansprakelijkheid'.

Blijkt dat uw afnemer niet meer kan betalen en verwacht u dat dit in de toekomst ook niet gaat lukken, dan kunt u in bepaalde situaties uw goederen terugnemen. Allereerst heeft u deze mogelijkheid als u een eigendomsvoorbehoud hebt bedongen in de overeenkomst met uw afnemer. Maar ook zonder eigendomsvoorbehoud, kunt u het recht hebben om uw goederen terug te nemen. Gedurende zes weken nadat de afnemer de koopprijs had moeten betalen, heeft u onder bepaalde voorwaarde het recht om de goederen te reclameren.

Wellicht geeft uw afnemer aan dat hij uw goederen wil (blijven) doorverkopen aan consumenten of andere ondernemingen. Ook voor deze gevallen is het raadzaam om (nadere) afspraken te maken en bijvoorbeeld af te spreken dat de betalingen van deze consumenten of andere ondernemingen aan u worden doorbetaald. Er zijn ook andere mogelijkheden, zoals het bedingen van een pandrecht.

Tot slot kunt u controleren of u verzekerd bent voor deze situatie. Bij al deze juridische vragen helpen wij u graag.

Nog te leveren goederen
In deze tijden zullen er afnemers zijn die uw goederen willen (blijven) kopen, maar de koopprijs niet direct kunnen betalen. In deze gevallen kunt u een (langere) betalingstermijn afspreken met uw afnemers. Het is dan raadzaam om ook afspraken te maken voor het geval de koopprijs niet wordt betaald na de betalingstermijn. Eén van de afspraken die u zekerheid kan bieden, is de afspraak dat u de zaken die onbetaald zijn gebleven mag terugnemen. Met een dergelijke afspraak – een eigendomsvoorbehoud – krijgt u dus de koopprijs voor de goederen óf krijgt u de goederen terug. Naast deze afspraak, bestaan er nog vele andere mogelijkheden. Over deze mogelijkheden adviseren wij u graag.

Terug naar boven

M&A

De overheid heeft verschillende maatregelen getroffen. Hier treft u een overzicht aan van veelgestelde vragen en antwoorden met betrekking tot M&A.

Wij zullen deze pagina, als er ontwikkelingen zijn, regelmatig updaten.

Voor vragen en/of meer informatie kunt u contact opnemen met Abbas Ali Hyder.

1. Wel of geen overname, wat gaan kopers nu doen?

De Coronacrisis zal ook op overnametrajecten een impact hebben. Potentiële kopers zullen zich afvragen of het wel verstandig is om een overname te doen. Sommige kopers zullen positief gestemd zijn. Zij zullen het vertrouwen hebben dat de corona-crisis spoedig weer is overgewaaid of inschatten dat er nu minder 'kapers op de kust' zijn. Andere kopers zullen willen afwachten tijdens de onzekere tijden en de onderhandelingen over een overname 'on hold' zetten. Pas over enige weken zal blijken welke keuzes potentiële kopers hebben gemaakt.

Terug naar boven
2. Is de MAC-clausule een mogelijk ‘smeermiddel’ tijdens de Coronacrisis?

Het opnemen van een MAC-clausule (MAC staat voor 'material adverse change') in een koopovereenkomst kan een koper over de streep trekken om (voorlopig) toch door te gaan met de onderhandelingen over een deal. Een MAC-clausule kan in een koopovereenkomst onder meer worden opgenomen als een opschortende voorwaarde. Opschortende voorwaarden worden doorgaans opgenomen als het ondertekenen van de koopovereenkomst (de signing) en het passeren van de akte van levering van de aandelen (de closing) niet op dezelfde dag plaatsvinden, bijvoorbeeld omdat het verkrijgen van goedkeuring van de relevante mededingingsautoriteit nog moet plaatsvinden. Een MAC-clausule als opschortende voorwaarde kan een koper bescherming bieden tegen een omstandigheid die een materiële verslechtering teweegbrengt van de waarde van de doelwit-onderneming die partijen bij de signing zijn overeengekomen. Als een dergelijke omstandigheid zich voordoet, dan kan de koper ervoor kiezen om af te zien van de transactie. De MAC-clausule kan door de koper zodoende worden ingezet om toch nog (even) door te gaan met het overnametraject.

Terug naar boven
3. Waar let de koper op bij de MAC-clausule?

Een koper die gedurende deze Coronacrisis door wenst te gaan met de onderhandelingen over een deal, zal een zo algemeen en ruim mogelijke definitie van de 'MAC' willen opnemen in de koopovereenkomst. Het is immers niet ondenkbaar dat de corona-crisis de economie in een (tijdelijke) recessie brengt en daarmee de waarde van de doelwit-onderneming drukt. Er zijn diverse ondernemingen die voor enige tijd minder inkomsten zullen genereren, denk aan horecagelegenheden en luchtvaartmaatschappijen. Een koper zal daarom makkelijk van de deal af willen kunnen. Een materiële verslechtering van bijvoorbeeld de bedrijfsvoering of de resultaten of vooruitzichten van de doelwit-onderneming zou de koper al de mogelijkheid moeten bieden om van de deal af te kunnen. Bij een dergelijke algemene formulering van de MAC-clausule is er wel een risico dat discussie kan ontstaan over de uitleg van de bepaling. Wat is bijvoorbeeld ‘materieel’? Hieraan kan invulling worden gegeven door een financiële materialiteitsdrempel op te nemen of door op te nemen dat koper dit (in redelijkheid) kan bepalen.

Terug naar boven
4. Waar let de verkoper op bij de MAC-clausule?

Een verkoper zal oog hebben voor de Coronacrisis maar zal enige mate van ‘dealzekerheid’ wensen en afhankelijk van zijn onderhandelingspositie proberen een beperkte definitie van de 'MAC' op te nemen. Gedacht kan worden aan het opnemen van een regeling waarbij de koper alleen nog weg mag lopen als bijvoorbeeld de omzet/winst van de doelwit-onderneming over een bepaalde periode met een bepaald percentage is gezakt. Als dat het geval is, dan zit de verkoper natuurlijk wel met ‘de gebakken peren’. Er is immers geen deal meer en hij zit met een vennootschap die minder omzet/winst genereert. In 'normale tijden' zien wij dat nogal eens uitzonderingen op het weglooprecht van koper worden opgenomen, bijvoorbeeld wijzigingen in de economische, politieke of marktomstandigheden. Dergelijke uitzonderingen komen dan voor rekening van de koper, zodat de koper toch niet van de deal af kan. Het is twijfelachtig of een dergelijke algemene uitzondering voor een koper in deze tijden acceptabel is.

Terug naar boven
​5. Wat te doen bij een al getekende koopovereenkomst?​

In de situatie dat er sprake is van een recent getekende koopovereenkomst waarbij geen rekening is gehouden met de Coronacrisis, is het natuurlijk nog maar de vraag of een koper toch van de deal af wenst te stappen. Mocht dat worden verwacht, dan is het raadzaam om te bekijken wat de overeenkomst bepaalt ten aanzien van bijvoorbeeld een MAC-clausule (indien opgenomen) en het al dan niet mogen wijzigen/ontbinden van de koopovereenkomst wegens onvoorziene omstandigheden. Indien het wijzigen/ontbinden van de koopovereenkomst wegens onvoorziene omstandigheden niet is uitgesloten, is het van belang om erop bedacht te zijn dat de regeling enkel geldt voor omstandigheden die partijen bij het sluiten van de koopovereenkomst niet hebben voorzien en die intreden na ondertekening van de koopovereenkomst. Zie verder ook de vragen en antwoorden bij Commercieel contractenrecht & aansprakelijkheid. Het is waarschijnlijk dat de regelingen die zijn opgenomen in een al getekende koopovereenkomst waarbij geen rekening is gehouden met de corona-crisis, voer zullen zijn voor juridische discussies tussen partijen. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval en afhankelijk van de bepalingen in de koopovereenkomst zal dan moeten worden bekeken wat de uitkomst zal zijn.

Terug naar boven

Ondernemingsrecht

De overheid heeft verschillende maatregelen getroffen. Hier treft u een overzicht aan van veelgestelde vragen en antwoorden met betrekking tot Ondernemingsrecht.

Wij zullen deze pagina, als er ontwikkelingen zijn, regelmatig updaten (laatste update 21-04-20).

Voor vragen en/of meer informatie kunt u contact opnemen met Larissa Peereboom-Bogers.

Welke implicaties heeft COVID-19 op besluitvormingsprocessen binnen vennootschappen?

Op dit moment zijn alle bijeenkomsten met meer dan drie personen verboden. Dit betekent dat een fysieke aandeelhoudersvergadering of bestuursvergadering waaraan meer dan drie personen deelnemen niet meer is toegestaan. Welke mogelijkheden biedt de wet om dan toch te kunnen komen tot besluitvorming binnen een vennootschap (en zo een eventuele impasse te voorkomen)?

Tijdelijke noodwet COVID-19

Op 16 april 2020 is door de Tweede Kamer een tijdelijke noodwet aangenomen die onder meer voorziet in een aantal tijdelijke voorzieningen met betrekking tot vergaderingen en verslaglegging van rechtspersonen. Deze tijdelijke noodwet is op 21 april 2020 tevens zonder stemming aangenomen door de Eerste Kamer en op 24 april 2020 in werking getreden. Deze tijdelijke noodwet treedt met terugwerkende kracht in werking vanaf 16 maart 2020 en vervalt op 1 september 2020, waarna het ‘oude’ wettelijke regime inzake de vergaderingen en verslagleggingen van rechtspersonen weer van kracht zal zijn.

Termijnen voor jaarrekening 
Door deze noodwet kan allereerst de termijn van vijf maanden voor het opstellen van de jaarrekening van de N.V. en de B.V. door het bestuur worden verlengd met nogmaals vijf maanden na afloop van het boekjaar. In dat geval heeft de algemene vergadering geen bevoegdheid tot verlenging van deze termijn voor het opmaken van de jaarrekening. De termijn voor het houden van de jaarvergadering binnen zes maanden na afloop van het boekjaar van de N.V. kan tevens door het bestuur worden verlengd met ten hoogste vier maanden. In afwijking van artikel 138 lid 2 bij de N.V. en artikel 2:248 lid 2 van de B.V. wordt een verzuim van de verplichting van het bestuur uit artikel 2:394 BW tot openbaarmaking van de jaarrekening niet in aanmerking genomen, indien dit verzuim te wijten is aan de gevolgen van de uitbraak van COVID-19. Indien de openbaarmakingsverplichting van artikel 2:394 BW derhalve niet is nageleefd vanwege COVID-19, leidt dit in geval van een faillissement van de N.V. of B.V. dus niet automatisch tot de conclusie dat het bestuur zijn taak vanwege deze schending kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement, waardoor iedere bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk is voor het tekort van de faillissementsboedel.

Elektronische algemene vergadering 
Ook biedt de noodwet voor zowel de N.V. als de B.V. de mogelijkheid aan het bestuur om te bepalen dat de algemene vergadering uitsluitend toegankelijk is langs elektronische weg. In het geval van een elektronische algemene vergadering is wel vereist dat de algemene vergadering langs elektronische weg voor aandeelhouders is te volgen en aandeelhouders uiterlijk 72 uur voorafgaand aan de vergadering in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk of elektronisch vragen te stellen over de onderwerpen die bij de oproeping zijn vermeld. Deze vragen dienen uiterlijk tijdens de vergadering, al dan niet thematisch, te worden beantwoord. Voorts is verplicht dat deze antwoorden ook op de website van de vennootschap of via een elektronisch communicatiemiddel toegankelijk worden gemaakt voor de aandeelhouders. Verder moeten ook tijdens de algemene vergadering door aandeelhouders nog vragen gesteld kunnen worden, tenzij dit in het licht van de omstandigheden van dat moment in redelijkheid niet kan worden gevergd. Verder kan – voor zover de statuten niet reeds in deze mogelijkheid voorzien - door het bestuur worden bepaald dat iedere aandeelhouder bevoegd is om, in persoon of bij een schriftelijk gevolmachtigde, langs elektronische weg aan de algemene vergadering deel te nemen, daarin het woord te voeren en het stemrecht uit te oefenen. Ook kan – indien de statuten daarin niet reeds voorzien – het bestuur bepalen dat alle stemmen die bij brief of door middel van een elektronisch communicatiemiddel zijn uitgebracht (in geval van de N.V.) en alle stemmen die binnen 30 dagen voorafgaand aan de algemene vergadering langs elektronische weg zijn uitgebracht (in geval van de B.V.), gelijk worden gesteld met stemmen die ten tijde van de vergadering worden uitgebracht. Daarbij kan het bestuur bij zowel de N.V. als de B.V. bepalen dat het stemrecht alleen door middel van een elektronisch communicatiemiddel kan worden uitgeoefend. Dit wordt in dat geval bij de oproeping vermeld.

‘Oude’ wettelijke regime
Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de noodwet en vanaf 1 september 2020 geldt het ‘oude’ wettelijke regime voor besluitvorming binnen naamloze en besloten vennootschappen. Dit ‘oude’ regime is als volgt:

Algemene vergadering 
Op grond van artikel 2:227a BW kunnen de statuten van een besloten vennootschap ten aanzien van een algemene vergadering bepalen dat een vergadergerechtigde bevoegd is om elektronisch aan een algemene vergadering deel te nemen, daarin het woord te voeren en het aan het aandeel verbonden stemrecht uit te oefenen. Hetzelfde geldt voor de naamloze vennootschap op grond van artikel 2:117a BW. Dit is toegestaan onder de voorwaarde dat identificatie van de deelnemer aan de vergadering mogelijk is en de deelnemer de vergadering ‘live’ kan volgen. Indien de statuten voorzien in het deelnemen door middel van een elektronisch communicatiemiddel, is het dus mogelijk om (bijvoorbeeld door middel van video conferencing) aan een algemene vergadering deel te nemen. De statuten kunnen nog nadere voorwaarden stellen aan het gebruik van het elektronisch communicatiemiddel.

Indien in de statuten de mogelijkheid tot elektronisch vergaderen is opgenomen, vervalt het vereiste om óók een fysieke bijeenkomst te houden niet geheel. In de fysieke vergadering dient in ieder geval de voorzitter van de vergadering aanwezig te zijn en in beginsel ook de bestuurders en – indien van toepassing - de commissarissen.

Indien bovengenoemde mogelijkheid tot elektronische deelname niet in de statuten is opgenomen, kan van deze regeling van elektronische deelname aan de algemene vergadering helaas geen gebruik worden gemaakt. In dat geval kunnen op aandeelhoudersniveau alleen besluiten worden genomen op een fysieke algemene vergadering of door een schriftelijk aandeelhoudersbesluit buiten vergadering.

Voor het kunnen nemen van een aandeelhoudersbesluit buiten vergadering bij een besloten vennootschap dienen alle vergadergerechtigden met deze wijze van besluitvorming te hebben ingestemd. Dit betekent echter niet dat het te nemen besluit buiten vergadering unaniem door de algemene vergadering dient te worden aangenomen. Dit kan nog steeds met een volstrekte meerderheid van stemmen (50% + 1), tenzij de statuten een grotere meerderheid voor het desbetreffende besluit (buiten vergadering) voorschrijven. Op deze wijze kunnen dus alsnog aandeelhoudersbesluiten worden genomen, zonder dat de aandeelhouders fysiek bijeen komen.

Bij een naamloze vennootschap kunnen de statuten bepalen dat besluitvorming van aandeelhouders op andere wijze dan in een vergadering kan geschieden, behalve indien aandelen aan toonder of, met medewerking van de vennootschap, certificaten van aandelen zijn uitgegeven. Besluitvorming buiten vergadering is niet mogelijk indien op de aandelen vruchtgebruik of pandrecht is gevestigd, waarbij de aandeelhouder geen stemrecht heeft en de vruchtgebruiker of pandhouder wel. Indien de statuten een regeling tot het nemen van een besluit buiten vergadering bevatten, kan een besluit buiten vergadering slechts met unanimiteit van stemmen (algemene stemmen) van alle stemgerechtigden worden aangenomen.

Indien niet alle aandeelhouders willen instemmen met het nemen van een besluit buiten vergadering of het besluit niet met algemene stemmen wordt aangenomen, dan kan (indien er geen spoedeisende besluiten moeten worden genomen) ervoor worden gekozen om de algemene vergadering te verplaatsen naar een later moment.

Bestuursvergadering 
Voor bestuursvergaderingen gelden minder strenge formaliteiten dan voor een aandeelhoudersvergadering. In principe geldt voor het bestuur dat besluiten bij volstrekte meerderheid van stemmen (50% + 1) worden genomen. Wel moet het bestuursbesluit tot stand komen als gevolg van onderling overleg van alle bestuurders die aan dat overleg wensen deel te nemen. Dit betekent niet dat een bestuursbesluit alleen in een voltallige vergadering tot stand kan komen, maar er dient wel aan iedere bestuurder de gelegenheid te zijn gegeven tot deelnemen aan het overleg. Hierbij kan een bestuursvergadering ook via een elektronisch communicatiemiddel (zoals video conference) of via de telefoon plaatsvinden. De statuten kunnen echter wel nadere eisen stellen aan de besluitvorming binnen het bestuur, bijvoorbeeld dat alle bestuurders aan een bestuursoverleg moeten deelnemen of dat voor het aannemen van een bestuursbesluit een bepaald quorum geldt.

De vergadering van het bestuur is niet aan formaliteiten verbonden betreffende de oproeping. De statuten kunnen wel nadere regels geven over bestuursvergaderingen, bijvoorbeeld dat het bestuur vergadert indien een bestuurder zulks verlangt. De statuten kunnen ook nadere eisen stellen aan de wijze waarop stemmen in een bestuursvergadering kunnen worden uitgebracht. Ook mogen bestuurders schriftelijke besluiten buiten vergadering nemen, mits alle bestuurders met deze wijze van besluitvorming hebben ingestemd.

Terug naar boven

Privacyrecht

De overheid heeft verschillende maatregelen getroffen. Hier treft u een overzicht aan van veelgestelde vragen en antwoorden met betrekking tot Privacyrecht.

Wij zullen deze pagina, als er ontwikkelingen zijn, regelmatig updaten (laatste update 09-04-20).

Voor vragen en/of meer informatie kunt u contact opnemen met Heidi Dekker en/of Renske de Groot.

1. Mag de overheid mij verplichten tot het gebruik van corona-apps?

Het kabinet bekijkt hoe digitale middelen kunnen worden ingezet in de strijd tegen het corona-virus. Bijvoorbeeld mobiele apps die in kaart brengen met wie een corona patiënt in aanraking is geweest en die je digitaal in contact laten staan met een arts. De Autoriteit Persoonsgegevens (“AP”) vindt dat het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de kaders voor ontwikkeling hiervan nog niet duidelijk genoeg heeft gesteld. Zo is niet duidelijk wie verantwoordelijk is voor de verwerking van gezondheidsgegevens. Het is dus maar de vraag of de apps er komen. Omdat dergelijke apps bijzondere persoonsgegevens verzamelen, namelijk gezondheidsgegevens, mag dat alleen als een betrokkene daarvoor uitdrukkelijk toestemming geeft. Die toestemming moet vrijelijk worden gegeven, u mag dus niet onder druk worden gezet om mee te werken bijvoorbeeld doordat er consequenties worden verbonden aan het niet downloaden en installeren van de app.

De overheid kan om het verkrijgen van toestemming heen als de verwerking van de persoonsgegevens noodzakelijk is op het gebied van de volksgezondheid. Maar dan moeten in het Unierecht of het nationale recht passende en specifieke maatregelen zijn opgenomen ter bescherming van de rechten van betrokkenen.

De Europese Commissie heeft medio april richtlijnen gepubliceerd voor het gebruik van corona-apps. In een toolbox voor lidstaten en een guidance-document staan voorwaarden waar de apps aan moeten voldoen en adviezen over de manier waarop ze in gebruik moeten worden genomen om de privacy te waarborgen. Een belangrijke conclusie van de Commissie is dat de apps alleen op vrijwillige basis gebruikt moeten worden. De Europese Commissie geeft ook aan dat de apps geen gebruik moeten maken van de locatiegegevens van burgers. Dat zou niet noodzakelijk zijn voor de effectiviteit van de apps en te veel inbreuk maken op de privacy van gebruikers. 


Terug naar boven
2. Mag de overheid mijn mobiele telefoon volgen?

Het kabinet wil de Telecommunicatiewet wijzigen om het delen van telecomdata in de strijd tegen corona mogelijk te maken. Volgens een ingediend wetsvoorstel krijgt het RIVM tellingen ter beschikking die het CBS bij providers gaat verzamelen van mobiele telefoons per uur in een gemeente, plus de herkomst van deze telefoons. Het RIVM wil zo nieuwe uitbraken van het coronavirus indammen.

Volgens zowel de Algemene Verordening Gegevensbescherming als de Telecommunicatiewet mogen telecombedrijven niet zomaar gegevens van klanten delen met de overheid. Tenzij al die klanten daarvoor zelf toestemming hebben gegeven of de gegevens anoniem zijn. Toestemming vragen is omslachtig. En de kans op herleidbaarheid van de gegevens tot (groepen van) individuele personen is aanwezig. Daarom vindt de Autoriteit Persoonsgegevens (“AP”) dat de gegevens niet als anonieme gegevens kunnen worden beschouwd. Een wettelijke regeling waarin passende en specifieke maatregelen zijn opgenomen ter bescherming van de rechten van betrokkenen is dan ook noodzakelijk.

De AP heeft een eerdere versie van het wetsvoorstel beoordeeld en was hierover erg kritisch. Zij vond onder meer dat belangrijke privacy waarborgen in de wettekst nog ontbreken. De waarborgen die nu in het wetsvoorstel staan, worden door de AP nog bestudeerd. Het RIVM mag niet zonder de spoedwet met de telecomgegevens aan de slag.

Terug naar boven
3. Hoe werk je veilig thuis tijdens de coronacrisis?

De AP heeft tips op haar website gezet die kunnen worden opgevolgd en waarmee kan worden voorkomen dat persoonsgegevens in verkeerde handen vallen. Kort gezegd komen die tips hier op neer:

  • Werk alleen in een beveiligde thuiswerkomgeving: log waar mogelijk in op de server van uw organisatie;
  • Wees voorzichtig met gebruik van gratis cloud-, opslag- of e-maildiensten;
  • Sla gevoelige documenten bij voorkeur op de server zelf op, en gebruik anders een versleutelde usb-stick;
  • Gebruik bij voorkeur beveiligde communicatiemiddelen zoals de telefoon of beveiligde versies van (video)chatdiensten, en geen consumentenapps als FaceTime, Skype of Signal;
  • Wees bedacht op phishingmails.

Als toch gebruik moet worden gemaakt van consumentenapps, dan geeft de AP aan welke waarborgen u kunt treffen:

  • Zorg dat u zo min mogelijk gevoelige gegevens bespreekt en gebruik in plaats daarvan bijvoorbeeld patiënt- of personeelsnummers;
  • Informeer betrokkenen over de privacy risico’s die hierbij spelen;
  • Wis een chat na afloop van het gesprek;
  • Gebruik een app die berichten versleuteld verzendt;
  • Beveilig de internetverbinding met een sterk wachtwoord.
Terug naar boven
4. Welke persoonsgegevens mag ik als werkgever verwerken om de werkplek veilig te houden?

Als werkgever moet u zorgen voor veilige werkomstandigheden, maar gezondheidsgegevens van werknemers zijn bijzondere persoonsgegevens en worden daarom extra beschermd in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (“AVG”). Uitgangspunt is dat het verwerken van gezondheidsgegevens verboden is, tenzij er sprake is van een wettelijke uitzondering (artikel 9 AVG) en er een verwerkingsgrondslag (artikel 6 AVG) aanwezig is.

De European Data Protection Board (“EDPB”), het orgaan waarin alle Europese privacy toezichthouders verenigd zijn, heeft zich onlangs in een persbericht uitgelaten over de mogelijkheid om persoonsgegevens te verwerken in het gevecht tegen het coronavirus. Volgens de EDPB bieden artikel 9, lid 2, onder c (over de bescherming van vitale belangen) en artikel 9, lid 2, onder i van de AVG (over het algemeen belang van de volksgezondheid) grondslagen om werkgevers in staat te stellen om, zonder dat het nodig is daarvoor toestemming van een werknemer te verkrijgen, persoonsgegevens in de context van de bestrijding van een epidemie te verwerken. De EDPB ziet dus ruimte voor verwerking.

Probleem is echter dat alleen gezondheidsgegevens mogen worden verwerkt om vitale belangen te beschermen indien de betrokkene fysiek of juridisch niet in staat is zijn toestemming te geven. Over het algemeen is een werknemer daartoe wel in staat.

Verder stelt de AVG als aanvullende eis voor het verwerken van gezondheidsgegevens in het kader van de volksgezondheid dat een specifieke Europese dan wel nationale wet dit moet regelen en dat daarin passende en specifieke waarborgen zijn opgenomen ter bescherming van de rechten en vrijheden van de betrokkene. De verwerking van de gezondheidsgegevens zal dan via de bedrijfsarts moeten plaatsvinden omdat deze een wettelijke taak heeft om dit algemene belang te dienen.

Als werkgever moet u, juist in deze uitzonderlijke tijden, de bescherming van de persoonsgegevens van de betrokkenen waarborgen. Belangrijk is dat de informatie alleen ter bescherming van de gezondheid van de medewerkers (en eventueel van klanten en bezoekers) wordt verwerkt en niet voor andere doeleinden. Ook moet u uw werknemers op transparante wijze vooraf informeren over de verwerkingsactiviteiten die worden uitgevoerd, over de bewaartermijn en de doeleinden van de verwerking. De verstrekte informatie moet gemakkelijk toegankelijk zijn en in duidelijke taal worden verstrekt. Daarnaast is het belangrijk dat u passende beveiligingsmaatregelen treft en ervoor zorgt dat de persoonsgegevens niet worden vrijgegeven aan onbevoegde partijen.

Terug naar boven
5. Mag ik mijn werknemers controleren op COVID-19?

Volgens de door de Autoriteit Persoonsgegevens gepubliceerde Q&A over COVID-19 op de werkvloer, mag dat in de zorg tijdens de coronacrisis wel, maar op andere plekken niet. Iemands temperatuur is bijvoorbeeld een medisch gegeven en dat is een bijzonder persoonsgegeven. Het is verboden om bijzondere persoonsgegevens te verwerken, tenzij hiervoor een beroep kan worden gedaan op een uitzondering die in de wet staat. Zo’n uitzondering kan zijn dat de persoon die u wilt temperaturen hiervoor uitdrukkelijk toestemming geeft. Maar toestemming geldt lang niet altijd, omdat deze vaak niet vrij gegeven zal zijn. Toestemming vragen kan dus niet als u werkgever bent.

Van werkgevers wordt verwacht dat zij de richtlijnen van het RIVM volgen. En dat zij hun medewerkers hier nadrukkelijk (in hun eigen taal) op wijzen.

Terug naar boven
6. Mag ik mijn werknemer vragen naar de uitslag van een corona-test?

Nee, dat is aan de arbodienst of bedrijfsarts. Uw werknemer is niet gehouden om u te informeren over de eventuele uitslag van een Corona-test. In de praktijk geven veel werknemers als zij zich ziek melden echter uit zichzelf aan wat ze hebben en is dus te verwachten dat zij u ook zullen informeren over de uitkomst van een Corona-test.

Als de werknemer zelf geen informatie verstrekt, is relevant dat de zorgverlener een vermoeden van COVID-19 besmetting moet melden bij de GGD. Daarop treedt het Protocol GGD in werking en dan zal ook contact worden opgenomen met de werkgever van de desbetreffende werknemer. Hierdoor raakt u alsnog op de hoogte van de besmetting.

Terug naar boven
7. Wat mag ik over iemands afwezigheid vertellen?

Wat een werknemer over zijn/haar ziekte wil delen, is aan de werknemer. U kunt uw zieke werknemer de open vraag stellen wat hij/zij wil dat u aan de naaste collega’s vertelt.

Als vaststaat dat een van uw werknemers besmet is geraakt met het COVID-19 virus, dan mag u de werknemers in algemene zin informeren (zonder dat dit te herleiden is tot de werknemer) en het beschermingsniveau opschalen om zo het risico op verdere besmetting verder te verkleinen.

Terug naar boven
8. Mag ik symptomen van corona bij mijn klanten registreren?

Nee dat mag niet. U mag als u een contactberoep heeft (kapper, schoonheidsspecialist) of in de horeca werkt wel naar de gezondheid van uw klanten vragen (gezondheidscheck), maar de antwoorden mag u slechts aanhoren en niet registreren. Symptomen van corona, zoals koorts en luchtwegklachten, zijn namelijk medische persoonsgegevens. Het verwerken van die bijzondere gegevens is niet zomaar toegestaan. Dat mag alleen als u een fysiotherapeut of een andere hulpverlener bent. Dan mag u medische gegevens verwerken als die nodig zijn voor een goede behandeling van uw patiënt. Ook bij een online reservering mag u deze gezondheidsvragen niet stellen, omdat ze dan worden geregistreerd.

 Wel mag u de klant informeren over uw toegangsbeleid. En de klant vragen de aanbevelingen van het RIVM op te volgen. Dat wil zeggen dat uw klant thuisblijft als hij of zij verschijnselen van corona heeft. 

Terug naar boven
9. Gaat de toezichthouder tot handhaving over als een werkgever niet (volledig) normconform te werk gaat tijdens de coronacrisis?

De Autoriteit Persoonsgegevens (“AP”) heeft aangegeven dat zij overheden en bedrijven tijdens de coronacrisis ruimte geeft om zich te concentreren op de bestrijding van het virus. Zo krijgen organisaties waar nodig meer tijd om te reageren op vragen van de AP en geeft de AP initiatieven om de volksgezondheid te beschermen ruim baan. Maar zij blijft ingrijpen waar privacy echt in gevaar is. De coronacrisis mag volgens de toezichthouder geen excuus worden om de privacy helemaal overboord te gooien.

De vraag blijft wat onder dat ingrijpen moet worden verstaan: blijft de AP ook boetes uitdelen? De Engelse toezichthouder heeft zich daar al stellig over uitgelaten: “We won’t penalise organisations that we know need to prioritise other areas or adapt their usual approach during this extraordinary period.”

Terug naar boven

Vastgoed - Bouwrecht

De overheid heeft verschillende maatregelen getroffen. Hier treft u een overzicht aan van veelgestelde vragen en antwoorden met betrekking tot Bouwrecht.

Wij zullen deze pagina, als er ontwikkelingen zijn, regelmatig updaten.

Voor vragen en/of meer informatie kunt u contact opnemen met Stephanie van Loozenoord.

1. Vertraging en kostenverhogende omstandigheden in de bouw als gevolg van het coronavirus – bij wie ligt het risico?

Vertraging en kostenverhogende omstandigheden in de bouw komen in beginsel voor rekening en risico van de aannemer. Als op de overeenkomst tussen de aannemer en de opdrachtgever de UAV 2012 of de UAV-GC 2005 van toepassing zijn verklaard, dan komt onder bepaalde omstandigheden de aannemer een beroep op termijnverlenging toe en/of heeft de aannemer recht op bijbetaling als gevolg van kostenverhogende omstandigheden. In dat geval ligt het risico van de vertraging en de kostenverhogende omstandigheden bij de opdrachtgever.

Overheidsmaatregelen 
Paragraaf 6 lid 13 UAV 2012 en paragraaf 11 lid 3 UAV-GC 2005 bepalen dat de gevolgen van de naleving van wettelijke voorschriften of beschikkingen van overheidswege, die na de dag van aanbesteding/aanbieding in werking treden, voor rekening komen van de opdrachtgever, tenzij redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aannemer die gevolgen reeds op de dag van aanbesteding/aanbieding had kunnen voorzien. Dit laatste is afhankelijk van de datum van het sluiten van de aannemingsovereenkomst. Indien de aannemingsovereenkomst is gesloten (ver) voor de uitbraak van het coronavirus, dan zal waarschijnlijk worden aangenomen dat de aannemer (de gevolgen van) (eventuele) overheidsmaatregelen die in het kader van de coronacrisis zijn opgelegd niet had kunnen voorzien. De gevolgen van de overheidsmaatregelen voor de aannemer behoren dan voor rekening en risico van de opdrachtgever te komen.

Maar wanneer spreekt men van “wettelijke voorschriften of beschikkingen van overheidswege”? In Nederland geldt vooralsnog dat de overheid enkel adviseert dat werknemers zoveel mogelijk thuiswerken. Er zijn vooralsnog geen quarantainemaatregelen opgelegd voor de gehele Nederlandse bevolking. Het advies van de Nederlandse overheid zal waarschijnlijk niet kwalificeren als overheidsmaatregel, zodat de gevolgen van dit advies niet op grond van paragraaf 6 lid 13 UAV 2012 of paragraaf 11 lid 3 UAV-GC 2005 voor rekening en risico van de opdrachtgever komen. Dit wordt pas anders wanneer de Nederlandse overheid besluit over te gaan op een totale lockdown-situatie, dan wel tot het nemen van specifieke (lockdown-)maatregelen voor de bouwsector (zoals inmiddels voor bijvoorbeeld de horecasector al het geval is).

In andere landen (bijvoorbeeld Italië en Frankrijk) is een dergelijke lockdown-situatie op dit moment al wel van kracht. Indien de aannemer daar nadelige gevolgen van ondervindt (bijvoorbeeld doordat bouwmaterialen en/of -onderdelen daardoor niet (op tijd) geleverd kunnen worden en/of buitenlandse werknemers plotseling naar hun thuisland zijn vertrokken), dan zou de aannemer zich ook op het standpunt kunnen stellen dat die gevolgen op grond van paragraaf 6 lid 13 UAV 2012 of paragraaf 11 lid 3 UAV-GC 2005 voor rekening en risico van de opdrachtgever komen. Dat zal naar onze verwachting niet zonder meer een rechtens houdbaar standpunt zijn. Of dat het geval is zal afhangen van de concrete omstandigheden en natuurlijk de specifieke bepalingen in de aannemingsovereenkomst tussen partijen.

Termijnverlenging voor de aannemer op grond van de UAV 2012 en de UAV GC 
Op grond van paragraaf 8 lid 5 UAV 2012 heeft de aannemer onder meer recht op uitstel van de afgesproken opleverdatum indien er sprake is van overmacht. Op grond van artikel 6:75 BW is voor een geslaagd beroep op overmacht nodig dat de tekortkoming (i) niet is te wijten aan de schuld van de aannemer en (ii) niet voor diens risico behoort te blijven. Of de coronavirus-uitbraak een beroep op overmacht rechtvaardigt is dus afhankelijk van de vraag voor wiens risico de vertraging in de bouw als gevolg van het coronavirus komt.

Als gevolg van de coronavirus-uitbraak kan het voorkomen dat de aannemer niet meer aan zijn verplichtingen kan voldoen, bijvoorbeeld doordat (ingehuurd) personeel ziek is, vertrekt en/of leveringen van materialen vertraagd zijn. Zonder de corona-crisis vallen deze oorzaken van vertraging in beginsel onder het algemeen bedrijfsrisico van de aannemer, zodat de aannemer zich niet kan beroepen op overmacht (en dus op grond van paragraaf 8 lid 5 UAV 2012 geen recht heeft op termijnverlenging). De aannemer kan in dat geval wel om termijnverlenging verzoeken, maar de opdrachtgever hoeft hier in beginsel niet aan mee te werken.

De vraag of ten aanzien van vertragingen in de bouw die het gevolg zijn van de coronacrisis anders zal worden geoordeeld, is in zijn algemeenheid lastig te beantwoorden. In geval van een lockdown-situatie zal de aannemer waarschijnlijk recht hebben op termijnverlenging. Indien de aannemer buiten een lockdown-situatie, ondanks de te nemen voorzorgsmaatregelen, zijn werkzaamheden (aangepast) kan voortzetten, zal het afhangen van de omstandigheden van het geval in hoeverre hij recht heeft op termijnverlenging.

Het voorgaande geldt in beginsel ook als de UAV GC op de aannemingsovereenkomst van toepassing zijn verklaard. In de UAV GC zijn in paragraaf 44 lid 1 sub a en c regelingen opgenomen voor gevolgen van wettelijke maatregelen en onvoorziene omstandigheden.

Kostenverhogende omstandigheden op grond van de UAV 2012 en de UAV GC 
Op grond van paragraaf 47 UAV 2012 heeft de aannemer recht op bijbetaling indien zich “kostenverhogende omstandigheden” voordoen. Daarvan is sprake indien (i) de omstandigheden van dien aard zijn dat bij het tot stand komen van de overeenkomst geen rekening behoefde te worden gehouden met de kans dat zij zich zouden voordoen, (ii) de omstandigheden niet aan de aannemer kunnen worden toegerekend en (iii) de kosten van het werk als gevolg van deze omstandigheden “aanzienlijk worden verhoogd”. Of een kostenverhoging aanzienlijk is hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Een deel van de prijsstijging wordt door de Raad van Arbitrage vaak als ondernemersrisico gezien. In de meeste gevallen wordt aangenomen dat een kostenverhoging van vijf procent aanzienlijk is, maar dit kan onder omstandigheden dus ook meer zijn.

Van paragraaf 47 UAV 2012 wordt in veel aannemingsovereenkomsten echter (uitdrukkelijk) afgeweken door te bepalen dat de aanneemsom loon- en prijsvast is tot de oplevering van het werk en dat het risico van loon- en prijsstijgingen in de aanneemsom zijn begrepen. In beginsel kan de aannemer in geval van kostenverhogende omstandigheden dan geen beroep doen op paragraaf 47 UAV 2012.

Indien de aannemer, ondanks de eventuele afwijking van paragraaf 47 UAV 2012 in de aannemingsovereenkomst, toch aanspraak wil maken op bijbetaling, zou hij zich op artikel 6:248 lid 2 BW moeten beroepen. Hierin is bepaald dat een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel, niet van toepassing is, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Daarnaast bepaalt artikel 6:258 lid 1 BW dat een overeenkomst door de rechter kan worden gewijzigd op grond van onvoorziene omstandigheden. Deze onvoorziene omstandigheden moeten dan wel zodanig zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid een ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten.

Voor beide wetsartikelen geldt dat deze met terughoudendheid moeten worden toegepast. Een beroep op die wetsartikelen wordt daarom enkel bij hoge uitzondering gehonoreerd. Of de aannemer als gevolg van de coronacrisis en de maatregelen die als gevolg daarvan van overheidswege zijn/worden opgelegd (zie hierboven) in aanmerking komt voor bijbetaling op grond van kostenverhogende omstandigheden is daarom niet met zekerheid te zeggen.

Ook voor een beroep op bijbetaling van kosten door de aannemer bevat de UAV GC een regeling die vergelijkbaar is met hetgeen hiervoor uiteen is gezet. De uitkomst daarvan zal naar onze verwachting niet anders zijn dan in het geval de UAV 2012 van toepassing zijn.

Conclusie 
De aannemer zal op grond van de UAV 2012 en de UAV GC niet snel een beroep op uitstel van de overeengekomen opleverdatum of bijbetaling van extra kosten als gevolg van de corona crisis kunnen doen. Maar er zijn omstandigheden denkbaar, zoals in het uiterste geval een totale lockdown situatie, waarin de gevolgen van de corona crisis niet voor rekening van de aannemer komen.

Terug naar boven

Vastgoed - Huurrecht

De overheid heeft verschillende maatregelen getroffen. Hier treft u een overzicht aan van veelgestelde vragen en antwoorden met betrekking tot Huurrecht. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen woonruimte en bedrijfsruimte. De veelgestelde vragen m.b.t. bedrijfsruimte vindt u onder woonruimte.

Wij zullen deze pagina, als er ontwikkelingen zijn, regelmatig updaten (laatste update: 27-07-2020).

Voor vragen en/of meer informatie kunt u contact opnemen met Elisabeth Sneeuw en/ of Patricia Kleijn.

WOONRUIMTE - Tijdelijke wet verlenging tijdelijke huurovereenkomsten.

Op 24 april 2020 is de ‘Tijdelijke wet verlenging tijdelijke huurovereenkomsten’ (“Spoedwet”) gepubliceerd in het Staatsblad en deze treedt daarmee per 25 april 2020 in werking. Op grond van deze Spoedwet (en de verlening van deze Spoedwet) wordt beoogd waar mogelijk te voorkomen dat een huurder wiens huurovereenkomst voor bepaalde tijd eindigt tussen 1 april 2020 en 31 augustus 2020, moet zoeken naar een nieuwe woning. Hieronder zetten we veel gestelde vragen op een rij over deze Spoedwet.

Terug naar boven
1. WOONRUIMTE - Voor welke huurovereenkomsten geldt de Spoedwet?

De Spoedwet geldt voor tijdelijke huurovereenkomsten in de zin van artikel 7:271 lid 1 BW. Dat zijn huurovereenkomsten voor woonruimte die zijn aangegaan voor de duur van twee jaar of korter bij zelfstandige woonruimte of vijf jaar of korter bij onzelfstandige woonruimte. Wordt een dergelijke overeenkomst voor bepaalde tijd na afloop van die periode verlengd, dan ontstaat van rechtswege een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd, waarbij de huurder huurbescherming zal gaan genieten.

De Spoedwet maakt het mogelijk om deze tijdelijke huurovereenkomsten die eindigen tussen 1 april 2020 en 31 augustus 2020, te verlengen met een periode van maximaal 3 maanden, doch uiterlijk tot 1 november 2020, zonder dat een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaat. Hiertoe dient huurder dan wel verhuurder een schriftelijk verzoek toe te doen.

Terug naar boven
2. WOONRUIMTE - Tot welk moment kan de huurder een verzoek tot verlenging doen?

De huurder moet een verzoek tot verlenging van de huurovereenkomst doen binnen (en niet later dan) één week nadat de verhuurder de huurder een schriftelijke kennisgeving heeft gestuurd inzake de dag waarop de huurovereenkomst voor bepaalde tijd eindigt én de huurder heeft geïnformeerd over de mogelijkheid tot verlenging op grond van de Spoedwet. Voor een huurovereenkomst waarvan de verhuurder al voor de inwerkingtreding van de Spoedwet heeft aangekondigd dat deze zou eindigen, dient de huurder binnen een week na inwerkingtreding van de Spoedwet een schriftelijk verlengingsverzoek te doen.

Terug naar boven
3. WOONRUIMTE - Kan ik een verlengingsverzoek van de huurovereenkomst voor bepaalde tijd van mijn huurder weigeren?

Als de huurder een tijdig verlengingsverzoek heeft gedaan, moet de verhuurder daar in beginsel mee instemmen. De huurder heeft recht op een verlenging met één, twee of drie maanden (maar niet later dan tot 1 november 2020).

De verhuurder kan het verlengingsverzoek van huurder weigeren, als sprake is van één van de in de Spoedwet genoemde uitzonderingsgronden. De verhuurder moet binnen één week na het verlengingsverzoek van de huurder schriftelijk laten weten een beroep te doen op een uitzonderingsgrond.

De uitzonderingsgronden doen zich voor als de verhuurder vóór 1 april 2020 een verplichting is aangegaan die inhoudt dat hij de woning vóór de door de huurder voorgestelde einddatum:

  • aan een derde vrij van huur en gebruik in eigendom of belast met een zakelijk genotsrecht over dient te dragen;
  • opnieuw verhuurd heeft;
  • zelf wil betrekken en geen andere woonruimte meer heeft;
  • wil renoveren of slopen en zich jegens een partij heeft verplicht om de woning daarvoor vrij van huur en gebruik beschikbaar te stellen.

Ook kan de verhuurder de verlenging weigeren als de huurder zich niet als goed huurder heeft gedragen (lees: wanprestatie heeft gepleegd). Daarvan is op grond van de jurisprudentie overigens niet snel sprake. In de Spoedwet is in lijn daarmee bepaald dat de rechter deze weigering alleen honoreert als de verhuurder een zwaarwichtig belang heeft bij de weigering.

Terug naar boven
4. WOONRUIMTE - Wat gebeurt er als partijen het niet eens worden over de verlenging van de huurovereenkomst?

Als de verhuurder zich op één van de hiervoor genoemde uitzonderingsgronden beroept, dan kan de huurder die het daar niet mee eens is, zich tot de rechter wenden met een verzoek tot verlenging van de huurovereenkomst. De huurovereenkomst duurt dan voort – en de verhuurder kan de huurder niet tot ontruiming dwingen – tot de rechter op het verzoek van de huurder heeft beslist. De rechter beslist volgens de Spoedwet met inachtneming van de omstandigheden van het geval.

Verzoeken tot verlenging van tijdelijke huurovereenkomsten worden aangemerkt als ‘zeer urgente zaken’ en zullen derhalve wel worden behandeld door de rechtbank*.

In alle andere gevallen, bijvoorbeeld als er geen sprake is van een in de Spoedwet benoemde uitzonderingsgrond, maar de verhuurder redenen heeft om niet in te stemmen met een verlengingsverzoek, zal de verhuurder zich tot de rechter moeten wenden met het verzoek te bepalen dat de huurovereenkomst eerder eindigt dan per het door de huurder verzochte tijdstip. De verwachting is dat een dergelijk verzoek enkel in heel uitzonderlijke gevallen zal worden toegewezen.

De urgentie zal wel voldoende moeten zijn onderbouwd en het is uiteindelijk aan de rechter zelf om een oordeel te vellen over de urgentie van het specifieke verzoek. 

Terug naar boven
5. WOONRUIMTE - Wat moet ik nu als verhuurder doen op grond van deze Spoedwet?

Voor verhuurders is met deze Spoedwet de einddatum van huurovereenkomsten voor bepaalde tijd die eindigen in de periode tussen 1 april en 31 augustus 2020, onzeker geworden. Zij kunnen hierover duidelijkheid krijgen door hun huurders zo spoedig mogelijk schriftelijk in kennis te stellen van de dag waarop hun huurovereenkomst zal eindigen (“Aanzeggingsplicht”) en daarbij hun huurders tevens op de hoogte te stellen van hun mogelijkheden op grond van deze Spoedwet (“Informatieplicht”).

Let wel, indien niet wordt voldaan aan de Aanzeggingsplicht - dit houdt in dat de verhuurder een schriftelijke kennisgeving moet sturen aan de huurder 3 maanden voor die einddatum en niet later dan 1 maand voor die einddatum - dan loopt de huurovereenkomst na die einddatum voor onbepaalde tijd door. Indien niet wordt voldaan aan de Informatieplicht, dan gaat de termijn van een week niet lopen. Met andere woorden, de huurder mag het verzoek tot verlenging later dan een week na de aanzegging indienen, als de verhuurder hem niet heeft gewezen op de mogelijkheid van de Spoedwet. Als de verhuurder wel tijdig heeft aangezegd (maar zonder aan de Informatieplicht te voldoen) dan wordt wel voorkomen dat de tijdelijke huurovereenkomst overgaat in een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Zorg er dus voor dat de huurder juist en volledig over zijn mogelijkheden en de termijnen is geïnformeerd. Vanaf de dag dat de huurder deze informatie heeft ontvangen, of, indien dat later is, vanaf de dag dat deze Spoedwet in werking is getreden, heeft de huurder een week om een schriftelijk verzoek tot verlenging te doen. Laat de huurder dat na, dan weet de verhuurder dat de huurovereenkomst tegen de overeengekomen datum zal eindigen. Doet een huurder een beroep op verlenging, dan zal de verhuurder hieraan in beginsel mee moeten werken, tenzij zich een uitzonderingsgrond voordoet.

Terug naar boven
6. WOONRUIMTE - Hoe lang duurt deze tijdelijke regeling?

De Spoedwet treedt dus in werking vanaf 25 april 2020 en heeft terugwerkende kracht tot 1 april 2020. In eerste instantie zou de Spoedwet vervallen met ingang van 1 september 2020, maar, omdat is gebleken dat de COVID-19 crisis langer duurt, is de Spoedwet verlengd tot 1 november 2020. Door deze verlenging geldt  de Spoedwet ook voor huurovereenkomsten die eindigen in de periode vanaf 1 juli tot 1 november 2020.

Mocht u als verhuurder te maken hebben met deze tijdelijke regeling, dan adviseren wij u graag.

Terug naar boven
7. WOONRUIMTE - Wat gebeurt er als mijn huurder van woonruimte zijn huur niet betaalt?

Voor huurovereenkomsten met betrekking tot woonruimte geldt, evenals bij huurovereenkomsten voor bedrijfsruimte, dat de huurder tekortschiet in de nakoming van de huurovereenkomst als de huurder de huur niet tijdig betaalt. Ook de huurder van woonruimte zal waarschijnlijk geen beroep kunnen doen op overmacht indien hij als gevolg van de Coronacrisis de huur tijdelijk niet kan voldoen.

Terug naar boven
8. WOONRUIMTE - Kan ik als verhuurder ontruiming vorderen omdat mijn huurder niet betaalt?

Verhuurdersorganisaties en brancheverenigingen (Aedes, IVBN, Kences, Vastgoed Belang) hebben, in samenspraak met minister van Veldhoven van Milieu en Wonen, afgesproken gedurende de COVID-19 crisis geen huisuitzettingen meer te doen. Dit geldt voor huurders die ondanks de door het kabinet genomen (financiële) maatregelen niet de maandelijkse huur kunnen betalen, tenzij er evidente redenen zijn, zoals criminele activiteiten of extreme overlast. Voor procedures tot huisuitzetting die voor 12 maart 2020 reeds liepen zal de verhuurder de individuele situatie dienen te beoordelen. Indien blijkt dat afspraken niet nageleefd worden of verhuurders die niet aangesloten zijn bij een verhuurdersorganisatie toch overgaan tot huisuitzettingen is een wettelijke maatregel niet uitgesloten, aldus het kabinet.

Terug naar boven
1. BEDRIJFSRUIMTE - Kan de huurder een beroep doen op overmacht?

Op grond van de wet is er waarschijnlijk geen sprake van overmacht in het geval de huurder bijvoorbeeld door verplichte sluiting van zijn retailonderneming zijn huur niet kan betalen. Een “force majeure”, economische crisis of een natuurramp, wordt in beginsel beschouwd als omstandigheid waarmee huurders rekening moeten houden bij het sluiten van een huurovereenkomst. Dergelijke omstandigheden worden in de rechtspraak beschouwd als onderdeel van het normale ondernemersrisico van een huurder. Nu de betalingsonmacht is ontstaan door de Corona-uitbraak en dit waarschijnlijk zal worden aangemerkt als een “force majeure”, zal de huurder geen beroep kunnen doen op overmacht.

Terug naar boven
2. BEDRIJFSRUIMTE - Kan de huurder een beroep doen op onvoorziene omstandigheden?

In huurovereenkomsten die voor de uitbraak van COVID-19 zijn gesloten zal in de meeste gevallen niet zijn voorzien in de mogelijkheid van het optreden van een (Corona-)pandemie. In dat geval kan de uitbraak van COVID-19 een onvoorziene omstandigheid zijn. Dit enkele feit is echter nog niet genoeg om een wijziging of ontbinding van de huurovereenkomst te kunnen vorderen op grond van artikel 6:258 BW. Daarvoor geldt een hoge drempel: ongewijzigde instandhouding van de huurovereenkomst moet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Daarnaast wordt een wijziging of ontbinding niet toegewezen indien de gevolgen van de uitbraak van COVID-19 krachtens de aard van de overeenkomst of de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening komen van de huurder.

In zijn algemeenheid zal een commerciële huurder dus niet snel in aanmerking komen voor huurprijsvermindering op grond van onvoorziene omstandigheden. Dit kan onder deze uitzonderlijke omstandigheden die zich als gevolg van de uitbraak van COVID-19 voordoen, in bepaalde gevallen echter anders zijn. Dit is onder meer afhankelijk van: 

  • de maatschappelijke positie en onderlinge verhoudingen van partijen;
  • de aard en de ernst van de betrokken belangen, zoals:
    • hoe groot het verlies van de huurder als gevolg van de Coronacrisis is;
    • hoe de financiële positie van de huurder voor aanvang van de Coronacrisis was; en
    • in hoeverre de verhuurder afhankelijk is van de betaling van de huur door de huurder in verband met bijvoorbeeld financieringslasten.

Arrest Gerechtshof Amsterdam
Op 14 september 2020*is voor het eerst in hoger beroep (in kort geding) uitspraak gedaan omtrent de vraag of de uitbraak van COVID-19 als een onvoorziene omstandigheid in de zin van artikel 6:258 BW moet worden aangemerkt. Evenals de kantonrechter in die zaak, heeft het Gerechtshof Amsterdam heeft deze vraag, gelet op de omvang van de crisis en de gevolgen voor de economie en de maatschappij, bevestigend beantwoord.

De verhuurder had een kort geding aangespannen ter incasso van achterstallige huurpenningen, omdat de huurder de huur niet betaalde. De huurder was daarmee gestopt omdat zijn party- en congrescentrum, dat hij in het gehuurde exploiteerde, door COVID-19 en de door de overheid in verband daarmee getroffen maatregelen in de periode 15 maart 2020 tot 1 juni 2020 noodgedwongen gesloten was.

De kantonrechter heeft er in deze zaak voor gekozen ‘de pijn’ (dat wil zeggen het financiële nadeel) gelijkelijk over partijen te verdelen in de verwachting dat de bodemrechter tot een gelijk oordeel zal komen. Op de door de verhuurder gevorderde huurbetalingen heeft de kantonrechter daarom een korting toegepast van 50% over de periode van 15 maart tot 1 juni 2020 en 35% over de periode van 1 juni tot en met 31 augustus 2020. Op de maanden september, oktober, november en december 2020 heeft de kantonrechter kortingen toegepast van respectievelijk 30, 20, 10 en 0%.

Ondanks dat de door de kantonrechter toegepaste kortingspercentages volgens het Hof enigszins arbitrair zijn (er bestaat namelijk geen maatstaf voor), kan het Hof zich wel vinden in het door de kantonrechter gehanteerde uitgangspunt om het financiële nadeel dat de huurder lijdt als gevolg van de getroffen overheidsmaatregelen evenredig over partijen te verdelen. Het Hof concludeert daarom voorshands dat de door de kantonrechter toegepaste kortingen in combinatie met de toegekende terme de grâce (termijn voor betaling) passend zijn.

De huurder heeft in deze zaak nog getracht een volledige omzetafhankelijke huur te krijgen, maar volgens het Hof bestaat er vooralsnog onvoldoende reden om de gevolgen van de uitbraak van COVID-19 in grotere mate op de verhuurder af te wentelen. Toch biedt deze uitspraak kansen voor huurders die als gevolg van de getroffen overheidsmaatregelen in hun exploitatie geheel of gedeeltelijk zijn beperkt (zoals bijvoorbeeld een horecaonderneming). De hoge drempel van artikel 6:258 BW (zie eerste alinea van dit onderwerp) lijkt namelijk door deze groep huurders te kunnen worden gehaald. Helemaal zeker is dit echter nog niet. Zoals gezegd gaat het hier om een uitspraak van het Hof in kort geding. De mogelijkheid bestaat dus dat in een bodemprocedure anders wordt geoordeeld.

De vraag rijst bovendien hoe lang van een verhuurder mag worden verwacht dat hij aan zijn huurder een forse huurkorting geeft. Naarmate de pandemie langer voortduurt zal dit voor (de meeste) verhuurders steeds lastiger vol te houden zijn. Voor de verhuurder is het dus zaak om zijn belang bij een volledige huurbetaling, dan wel een eventuele beëindiging van de huurovereenkomst, goed te onderbouwen. Onze specialisten denken daarin uiteraard graag met u mee.

* Gerechtshof Amsterdam 14 september 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2604 Terug naar boven
3. BEDRIJFSRUIMTE - Is een gedwongen sluiting van het gehuurde als gevolg van COVID-19 een gebrek onder de huurovereenkomst?

Over deze vraag bestaat in de rechtspraak geen eenduidigheid. In de uitspraken in kort geding van Sigismund/InBev van 27 mei 2020 en Vitesse/Stadion Arnhem en Gelredome van 29 mei 2020 is geoordeeld dat een van overheidswege gedwongen sluiting van het gehuurde een gebrek oplevert. Uit de parlementaire geschiedenis kan volgens de voorzieningenrechters in deze zaken worden afgeleid dat het begrip ‘gebrek’ niet alleen ziet op fysieke eigenschappen van het huurobject, maar op iedere omstandigheid die het huurgenot beperkt en dus ook op een van overheidswege gedwongen sluiting van het gehuurde.

In de zaak X/Urbana Zwolle van 3 juni 2020 is echter geoordeeld dat de gedwongen sluiting voor rekening en risico komt van de huurder, nu de huurder op grond van de van toepassing zijnde algemene bepalingen (ROZ-model 1994) verantwoordelijk is voor het verkrijgen en behouden van de vereiste vergunningen. De gedwongen sluiting van het gehuurde vormde volgens de voorzieningenrechter daarmee een aan de huurder toe te rekenen omstandigheid, zodat van een gebrek op grond van artikel 7:204 lid 2 BW geen sprake is.

Het blijft dus onzeker of een gedwongen sluiting als gevolg van COVID-19 een gebrek oplevert onder de huurovereenkomst.

Terug naar boven
4. BEDRIJFSRUIMTE - Als wordt aangenomen dat er sprake is van een gebrek onder de huurovereenkomst, heeft de huurder dan recht op huurprijsvermindering?

De aanspraak op huurprijsvermindering in geval van vermindering van het huurgenot ten gevolge van een gebrek kan contractueel worden uitgesloten. In de zaak van Sigismund/InBev van 27 mei 2020 was dit door partijen niet gedaan (het ging hier om een oud ROZ-model uit 1980). In deze zaak was dus het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat Inbev wel een beroep op huurprijsvermindering toekwam.

In de nieuwere ROZ-modellen is het recht op huurprijsvermindering als gevolg van een gebrek uitgesloten. Of in alle gevallen waarin partijen een meer recente versie van het ROZ-model hebben gebruikt zal worden geoordeeld dat de huurder geen recht heeft op huurprijsvermindering als gevolg van een gebrek valt niet met zekerheid te zeggen. In de zaak Vitesse/Stadion Arnhem en Gelredome van 29 mei 2020 heeft de voorzieningenrechter opgemerkt dat een dergelijke bepaling op grond van de redelijkheid en billijkheid, maar vooral op grond van onvoorziene omstandigheden, opzij kan worden gezet en/of kan worden gewijzigd, indien de ongewijzigde instandhouding van de huurovereenkomst op dit punt naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Van geval tot geval zal moeten worden beoordeeld of hiervan sprake is.  

Terug naar boven
5. BEDRIJFSRUIMTE - Kan ik de contractuele boete vorderen als mijn huurder niet betaalt?

Op grond van het in de praktijk vaak gebruikte ROZ-model, is de huurder doorgaans een boete verschuldigd in geval van te late betaling. De vraag is evenwel of de verhuurder in de huidige omstandigheden wel een beroep kan doen op de boetebepaling. Het kan namelijk zo zijn dat, gelet op de huidige uitzonderlijke omstandigheden, een beroep op een dergelijke bepaling in de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (art. 6:248 lid 2 BW). Als naleving van de overeenkomst of algemene voorwaarden van één van de contractspartijen in de huidige omstandigheden redelijkerwijs niet gevergd kan worden, kan de boetebepaling in de overeenkomst dan toch buiten toepassing blijven.

Terug naar boven
6. BEDRIJFSRUIMTE - Kan ik de ontruiming van het gehuurde vorderen als mijn huurder niet betaalt?

Als een huurder niet tijdig betaalt, betekent dit dat de huurder tekortschiet in de nakoming van de huurovereenkomst. In het uiterste geval kan de verhuurder de huurder dan via de rechter dwingen om de huur te betalen. Ook loopt de huurder bij een huurachterstand van meer dan drie maanden het risico dat de verhuurder via de rechter de ontruiming van het gehuurde kan afdwingen. Of een ontruiming in deze onzekere tijd ook echt zal worden toegewezen, is natuurlijk maar de vraag.

Terug naar boven
7. BEDRIJFSRUIMTE - Wat houdt het ‘Corona-akkoord’ tussen huurders en verhuurders organisaties d.d. 24 maart 2020 in?

In deze onzekere tijd kan het zijn dat de verhuurder wel wil meewerken aan uitstel van betaling. Een mooi voorbeeld hiervan is het tijdelijke ‘Corona-akkoord’ dat de brancheorganisaties van retailers Detailhandel Nederland en de NRW en van verhuurders IVBN, de NRW, Vastgoed Belang en de VGO op 24 maart 2020 hadden bereikt. Deze partijen waren– kort gezegd – overeengekomen dat bij een omzetdaling van de huurder van minimaal 25 procent:

  • de kwartaalhuren voor Q2 die per 1 april 2020 ingaan worden omgezet in maandhuren;
  • waar nodig de retailers uitstel van betaling voor de huur van 1 april tot 20 april 2020 krijgen;
  • er geen boetes en/of rentes worden gerekend over de uitgestelde huurbetalingen;
  • retailers de mogelijkheid krijgen om tot eind april 2020 niet aan een exploitatieverplichting te voldoen.
Terug naar boven
8. BEDRIJFSRUIMTE - Wat houdt het ‘steunakkoord voor en door de Nederlandse retailsector’ d.d. 10 april 2020 in?

In aanvulling op het tijdelijke Corona-akkoord hebben de brancheorganisaties van retailers Detailhandel Nederland en INretail en vastgoedorganisaties IVBN, Vastgoed Belang en VGO samen met het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en de NVB leden van de commissie zakelijk vastgoed (ABN AMRO, Deutsche Bank, ING en Rabobank) op 10 april 2020 een steunakkoord voor en door de Nederlandse retailsector bereikt (“het Steunakkoord”). Onderdeel van het Steunakkoord is een nieuwe richtlijn voor verhuurders en huurders van winkelruimten. Op basis van deze richtlijn zouden huurders van winkelruimte gedurende de maanden april, mei en juni 2020 in aanmerking moeten komen voor huuropschorting, als zij aan een aantal voorwaarden voldoen, namelijk:

  • de huurder moet in de maanden april, mei en juni 2020 een omzetdaling hebben van minimaal 25 procent. Bij het vaststellen van de omzetdaling gaat het in elk geval om offline omzet. Online omzet is onderdeel van maatwerk;
  • deze omzetdaling moet direct aantoonbaar als gevolg van de Coronacrisis zijn ontstaan;
  • de huurder moet meewerken aan een volledige, transparante controle van de omzet(daling). Hierbij kan worden gedacht aan een controle door een accountant, zoals gebruikelijk is bij een omzetafhankelijke huurprijs;
  • de huurder heeft een inspanningsverplichting voor een veilige winkelopening ten behoeve van het genereren van omzet (vanaf de nog nader vast te stellen datum binnen de richtlijnen van de overheid);
  • de huurder ziet af van eenzijdige betalingsregelingen en committeert zich aan huurbetalingen (voor zover binnen hun mogelijkheden en in goed overleg met de verhuurder). Wij gaan er hierbij van uit dat hiermee wordt gedoeld op de huidige praktijk waarin huurders van winkelruimte bijvoorbeeld eenzijdig aankondigen dat zij de huur niet meer zullen betalen. Het Steunakkoord beoogt een einde aan te maken aan die praktijk.

Indien de huurder aan deze voorwaarden voldoet/meewerkt, dan zou de verhuurder op basis van deze richtlijn mee moeten werken aan een opschorting van de huur voor minimaal 50 procent voor drie maanden (vanaf april 2020). Waar nodig kan de huur ook voor 75 of 100 procent worden opgeschort, mits dit ook mogelijk is voor de verhuurder. Boven de 50 procent wordt dus rekening gehouden met de proportionaliteit in grootte en draagkracht van huurder en verhuurder.

Terug naar boven
9. BEDRIJFSRUIMTE- Kan ik ondanks het Steunakkoord de bankgarantie uitwinnen of ontruiming vorderen?

In het Steunakkoord zijn partijen overeengekomen dat verhuurder en financiers geen gebruikmaken van huuruitzettingen en geen aanspraak maken op bank- en/of concerngaranties als partijen zich aan het Steunakkoord verbinden en dit ook naleven, tenzij dit noodzakelijk is om de belangen van verhuurders en financiers te beschermen. Hoe dit ‘noodzakelijkheidscriterium’ in de praktijk moet worden uitgelegd is de vraag. Het Steunakkoord is daar niet duidelijk over. Onzes inziens zou de verhuurder of de financier die bijvoorbeeld als gevolg van de tijdelijke huuropschorting zelf echt in de problemen komt, wel aanspraak kunnen maken op een bank- en/of concerngarantie en eventueel ontruiming van het gehuurde kunnen vorderen (waarbij het niet zeker is of de ontruiming in deze onzekere tijd ook echt zal worden toegewezen).

Terug naar boven
10. BEDRIJFSRUIMTE - Mag een grote internationale retailer ook zijn huurbetaling stopzetten of opschorten?

Het Steunakkoord geeft vanwege de complexiteit geen specifieke regeling voor internationale retailers, retailers met vestigingen en formules in het buitenland en retailers met een internationale aandeelhouder. In het Steunakkoord is opgenomen dat voor die retailers maatwerkafspraken moeten worden gemaakt, die alleen worden aangegaan bij een constructieve opstelling van de retailer. Deze retailers kunnen dus in ieder geval niet zomaar hun huurbetalingen stopzetten of opschorten.

Terug naar boven
11. BEDRIJFSRUIMTE - Moet de huurder na de periode van opschorting zijn huur alsnog betalen?

Het Steunakkoord geldt (vooralsnog) voor een periode van drie maanden (april, mei en juni 2020). Uit de evaluatie die heeft plaatsgevonden, waarvan de resultaten op 3 juni 2020 zijn gedeeld, volgt dat huurders en verhuurders bij het maken van de afspraken in de basis zijn uitgegaan van de volgende opzet

  • voor de maanden april en mei 2020 is 50% van de huur kwijtgescholden;
  • voor de maand juni 2020 is 50% doorgeschoven naar 2021.

Hierbij is opgemerkt dat afspraken tussen huurders en verhuurders altijd maatwerk blijven en daarom niet als algemene regel zal gelden voor alle partijen. In veel gevallen zijn dus ook aanvullende/alternatieve (maatwerk)afspraken gemaakt tussen de huurder en verhuurder. Of de huurder zijn huur na de periode van opschorting alsnog moet betalen hangt dus af van de positie van partijen en zal in onderling overleg tussen huurder en verhuurder moeten worden bepaald. 

Terug naar boven
12. BEDRIJFSRUIMTE - Zijn het ‘Corona- en Steunakkoord’ bindend?

De gemaakte afspraken in het kader van het ‘Corona-akkoord’ en het Steunakkoord zijn niet bindend zijn voor alle verhuurders en huurders in Nederland. Wij kunnen ons echter voorstellen dat als verhuurders en/of huurders niet handelen in lijn met deze richtlijnen, de rechter in een juridische procedure in het kader van de redelijkheid en billijkheid desalniettemin in lijn met deze richtlijnen zou kunnen oordelen.

Kortom; op het moment dat te verwachten is dat de huurpenningen niet betaald kunnen worden, is het verstandig dat de huurder met de verhuurder in overleg treedt over de mogelijkheid om tijdelijke betalingsafspraken te maken. Het ligt voor de hand dat daarbij in lijn met de richtlijnen van het Steunakkoord wordt gehandeld. Als er nieuwe betalingsafspraken worden gemaakt, is het van belang dat de afspraken over uitstel van de huurbetaling goed worden vastgelegd. Duidelijk moet in ieder geval zijn de begin- en de einddatum van het uitstel van de huurbetaling. Ook kan worden gedacht aan het verstrekken van zekerheden voor de nakoming van de nieuwe betalingsafspraken.

Uiteraard kunnen wij u adviseren bij het maken en vastleggen van afspraken en voorwaarden over uitstel van de huurbetaling.

Terug naar boven

Zorg

De overheid heeft verschillende maatregelen getroffen. Hier treft u een overzicht aan van veelgestelde vragen en antwoorden met betrekking tot Zorg.

Wij zullen deze pagina, als er ontwikkelingen zijn, regelmatig updaten (laatste update: 30-07-2020).

Voor vragen en/of meer informatie kunt u contact opnemen met Karen Top.

1. Mag ik niet-BIG geregistreerden of gepensioneerde zorgverleners inzetten bij het bieden van zorg?

De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft in een nieuwsbericht van 16 maart 2020 bekend gemaakt dat zij zorgverleners in deze unieke situatie van de coronacrisis de ruimte biedt om de zorg op afwijkende manieren te organiseren, als dit nodig is om de kwaliteit en de continuïteit van de zorg te waarborgen. De IGJ verwijst in dat verband naar het advies van de KNMG over dit onderwerp. Vooralsnog heeft de IGJ geen nieuwsbericht geplaatst waaruit blijkt dat zij haar visie hierin in de loop der maanden heeft gewijzigd.

De personeelstekorten in de zorg door de noodzaak om COVID-19 te bestrijden, brengen volgens de KNMG met zich mee dat ‘artsen of geneeskundig-specialisten-niet-praktiserend’ die nog over voldoende recente kennis en vaardigheid beschikken onder bepaalde voorwaarden ingezet kunnen worden. De KNMG stelt daarbij onder meer als voorwaarden dat alleen een niet meer of nog niet- BIG geregistreerd persoon wordt ingezet als het echt noodzakelijk is vanwege een tekort aan zorgpersoneel en dan bij voorkeur een zorgverlener die recente praktijkervaring heeft. Ook moet de niet-geregistreerde persoon zoveel mogelijk worden ingezet voor niet-complexe zorg. Daarnaast mag de ervaring van de arts/geneeskundig specialist-niet-praktiserend niet ouder dan tien jaar zijn en moet zijn vaardigheid nog aanwezig zijn of met eenvoudige training en instructie weer voldoende kunnen worden.

Wel raadt de IGJ aan om alle keuzes die worden gemaakt goed te documenteren. In een later stadium van de Coronacrisis kan een goede dossieropbouw van belang zijn voor de zorgaanbieder om aan te tonen dat er goede zorg is geleverd. Dit wil zeggen dat er is gehandeld conform het leveren van zorg ‘zoals professionals die plegen te bieden’.

Terug naar boven
2. Kan ik in de wijkverpleging een ‘helpende’ (MBO niveau 2) inzetten gedurende de coronacrisis?

Specifiek in verband met het tekort aan verzorgenden in de wijkverpleging steunt de beroepsvereniging van verzorgenden en verpleegkundigen (V&VN) de tijdelijke inzet van zogenaamde ‘helpenden’ (Mbo-niveau 2) ter ondersteuning van verzorgenden bij tekorten in wijkverplegingsteams. Ook zorgverzekeraars Nederland heeft aangegeven de inzet van helpenden tijdelijk en tot 1 september 2020 te steunen. Dit betekent dat de zorg die binnen deze periode is verleend door helpenden in beginsel door verzekeraars wordt vergoed, mits is voldaan aan bepaalde voorwaarden.

De tijdelijke steun voor de inzet van helpenden geldt alleen voor gecontracteerde zorgaanbieders, de helpende moet bevoegd en bekwaam zijn conform het opleidingscurriculum helpende zorg en welzijn niveau 2 en de helpende moet worden begeleid door een achterwacht/begeleider (Mbo- niveau 4) en eindverantwoordelijke (Mbo- niveau 5/6). De zorgaanbieder moet melding maken bij de zorgverzekeraar van het voornemen van de inzet van helpenden. Op de websites van zorgverzekeraars is te vinden hoe de melding gedaan kan worden. Een aantal zorgverzekeraars (a.s.r., Eno en ONVZ) vragen niet om een melding.  

Terug naar boven
3. Wat zijn de mogelijkheden voor het leveren van zorg op afstand?

De maatregelen die zijn genomen vanwege COVID-19, maken het soms lastig om zorgconsulten in ziekenhuizen, verpleeghuizen en GGZ-instellingen te laten plaatsvinden.

De NZa heeft om die reden vanaf 1 maart de regelgeving voor face-to-face consulten tijdelijk verruimd. Ziekenhuizen kunnen een eerste consult met een patiënt in de medisch-specialistische zorg hiermee dus ook op afstand laten plaatsvinden, ook als niet precies aan de voorwaarden in zorgcontracten met verzekeraars is voldaan. De NZa roept verzekeraars uitdrukkelijk op om belemmeringen in contracten op dit punt op te schorten. Dit betekent dat iedere zorgverlener nu digitaal of telefonisch een consult kan laten plaatsvinden en dit consult bij de zorgverzekeraar kan declareren. Deze uitzondering geldt tot het moment dat de landelijke richtlijnen/adviezen van de overheid en het Rijksoverheid voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) niet meer van toepassing zijn. Na beëindiging van de speciale maatregelen van het RIVM geldt een overgangstermijn van een week.

Op 17 juli 2020 heeft de NZa bekend gemaakt dat de tijdelijke verruimingen voor digitale zorg tot in elk geval 31 december 2020 van kracht zullen blijven. Er wordt momenteel overleg gevoerd over deze tijdelijke verruiming in 2021 structureel in te voeren en de mogelijkheid om zorg op afstand in 2021 nader te reguleren, bijvoorbeeld voor logopedie en huisartsenposten.

Er zijn zorgverzekeraars die richtlijnen hebben opgesteld over de zorg op afstand tijdens de coronacrisis. Dit is van belang voor de vraag onder welke voorwaarden zorgverzekeraars bereid zijn om zorg op afstand te vergoeden. Zo heeft Zorgverzekeraars Nederland ten aanzien van paramedische zorg aangegeven dat zij WhatsApp en FaceTime niet als veilige applicaties aanmerkt voor het uitvoeren van videoconsulten (zie ook onze Q&A Privacy voor veel gestelde vragen over COVID-19 en Privacy).

Terug naar boven
4. In hoeverre mag een zorgverlener op grond van de wet afwijken en andere of niet-goedgekeurde medicijnen gebruiken bij de zorgverlening?

De IGJ geeft ziekenhuizen tijdelijk toestemming om op de intensive care een sedatiemiddel (slaapmiddel) voor dieren te gebruiken dat dezelfde werkzame stof heeft als vergelijkbare sedatiemiddelen voor mensen (propofol). Daarnaast mogen fabrikanten, groothandelaren en apotheekhoudenden sinds 27 maart 2020 tijdelijk alternatieven, afkomstig uit andere lidstaten of, indien commercieel niet beschikbaar in andere lidstaten, uit het Verenigd Koninkrijk of uit één van de MRA-landen (Australië, Canada, Israël, Japan, Nieuw-Zeeland, Zwitserland of de Verenigde Staten) afleveren aan artsen.

Het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen en de IGJ hebben de veiligheid en de kwaliteit voor gebruik bij mensen gegarandeerd. De goedgekeurde sedatiemiddelen bevatten geen hulpstoffen waar mensen niet tegen kunnen, ook niet bij langdurig gebruik. Partijen hoeven vooraf geen individuele toestemming te vragen bij de inspectie en ook geen artsenverklaringenadministratie bij te houden.

Terug naar boven
5. Wie is er verantwoordelijk voor het gebruik van niet-reguliere geneesmiddelen?

De IGJ merkt op haar website op dat het eindverantwoordelijkheid is van de zorgaanbieder om binnen de beroepsgroep een zorgvuldige en verantwoorde afweging te maken tussen de verschillende risico’s die het gebruik van een alternatief medisch hulpmiddel met zich meebrengt, en de verantwoordelijkheid om zorg te verlenen. Richtlijnen op dit vlak zijn er - vanwege de onbekendheid met deze situatie - nog nauwelijks. Beroepsgroepen zullen dus goed overleg moeten voeren binnen de eigen beroepsgroep bij schaarste aan medische hulpmiddelen om zo een in zekere zin acute ‘professionele standaard’ te realiseren. Medische hulpmiddelen met een CE-markering beschikken over de juiste kwaliteitswaarborgen voor de beoogde toepassing. Bij producten zonder CE-markering of voor een andere toepassing is dit niet beoordeeld. Hier is dus een acute beoordeling van zorgaanbieders nodig. Wederom verdient het aanbeveling om de gemaakte keuzes en motivering daarvan waar mogelijk goed te documenteren.

Terug naar boven
6. En hoe zit het met de opslag van medicijnen?

De IGJ heeft de regelgeving omtrent opslag van geneesmiddelen sinds 7 april 2020 tijdelijk versoepeld. De Geneesmiddelenwet is erg strikt over het opslaan van medicijnen; als deze geen etiket met de naam van een patiënt hebben, mogen deze alleen in een apotheek worden bewaard. Dit is problematisch, aangezien er tijdelijke coronaklinieken (zonder apotheek) worden opgericht om coronapatiënten te kunnen behandelen. De IGJ heeft om die reden op 7 april 2020 bekend gemaakt dat het in deze situaties onder voorwaarden tijdelijk wordt toegestaan om medicijnen buiten een apotheek op te slaan.

Terug naar boven
7. Moet ik mijn subsidieaanvraag in de zorg verantwoorden zoals vóór de coronacrisis het geval was?

Besluit versoepeling subsidieregels uitbraak COVID-19
Op 7 april 2020 heeft de Minister van VWS besloten om de regels voor het verantwoorden van subsidies te versoepelen, om (subsidie ontvangende) instellingen en organisaties te ontlasten. De versoepeling geldt onder meer voor organisaties die subsidies ontvangen voor activiteiten op het terrein van gezondheidsbescherming, gezondheidszorg en gezondheidsbevordering. Denk hierbij ook aan abortusklinieken, screeningsorganisaties en de Stichting Nationaal Programma Grieppreventie.

Door de vrijstelling is het subsidieontvangers vanwege de uitbraak van het Corona-virus toegestaan om hun aanvraag tot subsidievaststelling uiterlijk drie maanden later in te dienen dan normaal gesproken. Dit betekent dat de aanvraag 3 maanden na de wettelijke termijn van 22 weken na afloop van de activiteit waarvoor subsidie is verleend, of na afloop van het boekjaar waarvoor de subsidie is verleend (artikel 7.2, eerste lid, onderdeel a of b van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS) moet worden ingediend.

Bovendien hoeven bepaalde recente subsidies niet te worden verantwoord met een rapport van feitelijke bevindingen. Normaliter moet in een dergelijk rapport door de subsidieontvanger worden onderbouwd dat de verplichtingen voor de subsidie zijn nageleefd. Voor subsidies als bedoeld in artikel 1.5, onderdeel b, van de Kaderregeling, die € 125.000 of meer bedragen en zijn verleend ten behoeve van 2019 of waarbij de subsidieperiode eindigt in het eerste of tweede kwartaal van 2020, hoeft dit niet meer.

Terug naar boven
8. Op basis van welke regeling kan ik de extra kosten die zijn gemaakt en mogelijk nog zullen worden gemaakt als gevolg van de coronacrisis in de langdurige zorg vergoed krijgen?

Zorgaanbieders in de langdurige zorg hebben zich maximaal moeten richten op noodzakelijke en veilige zorg en hoge kosten moeten maken. De NZa heeft om die reden de Beleidsregel BR/REG-20158 SARS-CoV-2 virus opgesteld die met terugwerkende kracht geldt van 1 maart 2020 tot 31 mei 2021. In de vernieuwde beleidsregel BR/REG 20158a SARS-CoV-2 virus is deze termijn vervolgens verlengd, maar voor hoelang verschilt per sector. De compensatie wordt voor de intramurale gehandicaptenzorg inclusief extramurale dagbesteding, en de intramurale ggz verlengd tot 1 augustus 2020. De intramurale ouderenzorg kan tot 1 september 2020 compensatie krijgen. Voor de overige onderdelen van de langdurige zorg eindigt de compensatie 1 juli 2020.

Met de beleidsregel SARS-CoV-2 virus (BR/REG-20158b) heeft de NZa de compensatieregeling voor de langdurige zorg bovendien uitgebreid naar aanbieders die mondzorg bieden aan Wlz-cliënten. Deze maatregel heeft betrekking op de periode 1 maart tot 1 juli 2020.

Tot slot is noemenswaardig de Beleidsregel SARS-CoV-2 virus: fase 3 - BR/REG-20160, op grond waarvan zorgaanbieders in de langdurige zorg maatwerkafspraken kunnen maken met zorgkantoren indien zij in de tweede helft van 2020 nog niet op volle kracht omzet kunnen draaien zoals vóór de uitbraak van het virus.

Terug naar boven
9. Hoe kan voor een vermindering van inkomsten in de langdurige zorg compensatie worden verkregen en hoe wordt de hoogte van compensatie berekend?

Op grond van de (gewijzigde) Wlz Beleidsregels kan een zorgaanbieder die valt onder de reikwijdte van de Wet langdurige zorg een verzoek indienen tot vergoeding van omzetverlies en extra kosten.

De NZa stelt een ‘herschikkingsformulier 2020’ ter beschikking, waarin het verzoek om de vergoeding van extra kosten is vastgelegd. Op het herschikkingsformulier kunnen de zorgaanbieder en het zorgkantoor gegevens weergeven op basis waarvan de omzetderving kan worden berekend. In artikel 4 lid 2 van de Wlz Beleidsregel is bepaald hoe de omzetderving wordt vastgesteld.

Op het herschikkingsformulier kan de zorgaanbieder ook de extra materiële kosten die als gevolg van COVID-19 moesten worden gemaakt opnemen. In artikel 5 lid 2 sub c van de Wlz Beleidsregel is een lijst opgenomen van materiële kostenposten die – als deze zijn gemaakt vanaf 1 maart 2020 - in elk geval voor vergoeding in aanmerking komen. Denk hierbij aan extra persoonlijke beschermingsmiddelen om besmetting onder zorgpersoneel en kruisbesmetting tussen zorgpersoneel en bewoners te voorkomen, of aan extra kosten die zijn gemaakt met het doel om het contact tussen familie en verwanten te vergroten en zo de kwaliteit van leven te verhogen. Voor zover een kostenpost niet in de Wlz Beleidsregel wordt genoemd, maar wel samenhangt met de uitbraak van COVID-19, is het mogelijk dat deze voor vergoeding in aanmerking komt. In dat geval moet overeenstemming bestaan tussen de zorgaanbieder en het zorgkantoor.

Voor de toerekening van de vergoeding van omzetderving en de financiering van extra gemaakte kosten wordt een verdeelsleutel gehanteerd. De omzetderving wordt niet afzonderlijk vastgesteld, maar is onderdeel van de totale productieafspraak zoals bedoeld in de Beleidsregel budgettair kader Wlz 2020. Het totaalbedrag van de gemaakte kosten zal als voorlopige mutatie SARS-CoV-2 worden verwerkt in de aanvaardbare kosten 2020 en in het sluittarief worden opgenomen.

Een ingevuld herschikkingsformulier moet vóór 1 november 2020 bij de NZa worden ingediend. Formulieren ingediend na 31 oktober 2020 worden niet meer meegenomen in de herschikkingsronde; deze kosten zullen moeten worden opgegeven in de nacalculatie-opgave over het jaar 2020. Ook daarvoor stelt de NZa en specifiek formulier ter beschikking, waarin de kosten staan vermeld die als omzetderving of als extra gemaakte kosten als gevolg van COVID-19 in aanmerking komen.

Een aanvraag om vergoeding van extra gemaakte kosten kan uitsluitend tweezijdig bij de NZa worden ingediend. Dit betekent dat bij het zorgkantoor en de zorgaanbieder daarover overeenstemming moet bestaan.

Terug naar boven
10. Wat kan een zorgaanbieder die niet werkzaam is in de langdurige zorg doen, als er extra maatregelen zijn genomen vanwege het coronavirus?

Sinds 15 mei 2020 kunnen zorgaanbieders die zorg leveren die vergoed wordt vanuit de basisverzekering of een aanvullende verzekering gefaseerd een maandelijkse continuïteitsbijdrage aanvragen. Zorgverzekeraars Nederland heeft dit op 1 mei 2020 bekend gemaakt. Het doen van een aanvraag is mogelijk via de Uitvraagmodule in het Zorginkoopportaal van VECOZO. Zorgaanbieders die nog niet bij VEZOCO zijn aangesloten en wel een aanvraag willen indienen wordt aangeraden om aanmelding en autorisatie zo snel mogelijk te regelen.

De continuïteitsbijdrage vindt zijn grondslag in de zogenaamde ’Beleidsregel continuïteitsbijdrage en meerkosten in verband met de uitbraak van het SARS-CoV-2 Virus BR/REG-20157’ van de NZa (“de Beleidsregel”). De Beleidsregel is bedoeld voor alle zorgaanbieders (met of zonder zorgcontract) die zorg verlenen die op dit moment valt onder de basisverzekering of de aanvullende zorgverzekering (voorwaarden 2020). De Beleidsregel geldt niet voor de langdurige zorg (zie vraag 9) en ook niet voor zorgkosten in verband met de zorg die aan coronapatiënten wordt geleverd. Daarvoor gelden andere regelingen. De continuïteitsbijdrage is een toeslag waarmee zorgaanbieders onderdekking van ‘doorlopende kosten’ die een direct gevolg is van COVID-19 vergoed kunnen krijgen. Denk bij doorlopende kosten aan loonkosten; kosten voor vastgoed en gebouw gebonden kosten en overige vaste lasten. De Beleidsregel zal in beginsel tot uiterlijk 31 december 2021 van kracht zijn en op basis van de Beleidsregel kunnen zorgverzekeraars afspraken maken met zorgaanbieders.

Terug naar boven
11. Wat houdt de continuïteitsbijdrage voor zorgaanbieders die niet werkzaam zijn in de langdurige zorg in?

Van 15 mei 2020 tot uiterlijk 14 juli 2020 konden zorgaanbieders die zorg leveren die vergoed wordt vanuit de basisverzekering of een aanvullende verzekering gefaseerd een maandelijkse continuïteitsbijdrage aanvragen.

De continuïteitsbijdrage vindt zijn grondslag in de zogenaamde ’Beleidsregel continuïteitsbijdrage en meerkosten in verband met de uitbraak van het SARS-CoV-2 Virus BR/REG-20157’ van de NZa. Deze beleidsregel is bedoeld voor alle zorgaanbieders (met of zonder zorgcontract) die zorg verlenen die op dit moment valt onder de basisverzekering of de aanvullende zorgverzekering (voorwaarden 2020). De beleidsregel geldt niet voor de langdurige zorg (zie vraag 8) en ook niet voor zorgkosten in verband met de zorg die aan coronapatiënten wordt geleverd. Daarvoor gelden andere regelingen. De continuïteitsbijdrage is een toeslag waarmee zorgaanbieders onderdekking van ‘doorlopende kosten’ die een direct gevolg is van COVID-19 vergoed kunnen krijgen. Denk bij doorlopende kosten aan loonkosten; kosten voor vastgoed en gebouw gebonden kosten en overige vaste lasten. Deze beleidsregel zal in beginsel tot uiterlijk 31 december 2021 van kracht zijn en op basis daarvan kunnen zorgverzekeraars afspraken maken met zorgaanbieders. Dit is voor de periode maart-mei 2020 ook gebeurd in de zogenaamde ZN-regeling (zie de hiernavolgende vraag).

Terug naar boven
12. Hoe wordt de continuïteitsbijdrage bepaald en wanneer komt een zorgaanbieder daarvoor in aanmerking?

De continuïteitsbijdrage-regeling (“de ZN-Regeling”) die Zorgverzekeraars Nederland op 1 mei 2020 bekend heeft gemaakt en die per 15 mei gefaseerd kon worden aangevraagd is een voorbeeld van een uitwerking van de Beleidsregel. De ZN-regeling ziet op de periode maart tot en met juni 2020.

In de ZN-Regeling staat dat zorgaanbieders met een jaarlijkse omzet lager dan 10 miljoen euro in aanmerking komen voor een continuïteitsbijdrage dat wordt bepaald aan de hand van de jaarlijkse omzet van de betreffende zorgaanbieder. Daarvan wordt een percentage genomen om de vergoeding te berekenen. Welk percentage daadwerkelijk geldt is afhankelijk van de sector en betreft tussen de 75% en 87% van de omzet. De extra omzet die zorgaanbieders naar verwachting komende maanden zullen gaan draaien, omdat zij de niet-verleende reguliere zorg van afgelopen maanden waarschijnlijk zullen gaan inhalen (‘inhaalzorg’ genoemd) wordt vervolgens volgens een lager percentage vergoed, om dubbele vergoedingen te voorkomen.

Daarnaast mag voor het deel van de omzet waarvoor een continuïteitsbijdrage wordt ontvangen niet ook aanspraak worden gemaakt op een Rijksregeling in het kader van de coronacrisis, zoals de NOW-regeling (zie ook onze Q&A Arbeidsrecht). Het is het idee dat de zorgaanbieders die daarvoor in aanmerking komen eerst een beroep doen op de continuïteitsbijdrageregeling en slechts voor het resterende deel van de omzet, of als de zorgaanbieder überhaupt niet in aanmerking komt voor de continuïteitsbijdrage.

Terug naar boven
13. Wanneer wordt de continuïteitsbijdrage uitgekeerd en vastgesteld?

De eerste uitbetaling op basis van de ZN-Regeling vindt plaats in de maand mei (over de maanden maart en april) en vervolgens elke maand over de voorgaande maand zolang de regeling van kracht is. Er geldt een minimum drempelbedrag van €50,- alvorens tot uitkering zal worden overgegaan. Medio 2021 zal de continuïteitsbijdrage definitief worden vastgesteld en vindt ook de definitieve afrekening plaats.

Het is mogelijk dat u in aanmerking kon komen voor zowel een financiële regeling van de Rijksoverheid, als voor de continuïteitsbijdrage. Het ontvangen van financiële steun van de Rijksoverheid kan () invloed hebben gehad op de (hoogte van de) aanspraak op een financiële regeling van de Rijksoverheid. 

Terug naar boven

COVID-19 heeft een grote impact op ons dagelijkse leven, maar ook op de bedrijfsvoering van ondernemingen en organisaties.

De overheid heeft verschillende maatregelen getroffen. Hier treft u een overzicht aan van veelgestelde vragen en antwoorden met betrekking tot de Werktijdverkorting/ Overbrugging van Werkbehoud (NOW).

Wij zullen deze pagina, als er ontwikkelingen zijn, regelmatig updaten (laatste update 18 september 2020).

Voor vragen en/of meer informatie kunt u contact opnemen met Joyce Snijder en Karlijn van der Heijden.

1. Wat is de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor behoud van Werkgelegenheid (NOW)?

De NOW is een tijdelijke noodmaatregel voor werkgevers die te maken hebben met een omzetverlies van tenminste 20%. Zij kunnen een tegemoetkoming vragen in de loonkosten om vast en flexibel personeel door te betalen. 

Terug naar boven
2. Wanneer kunnen werkgevers de NOW aanvragen?

Het eerste tijdvak van de NOW, de NOW 1.0, voorziet in een subsidie voor loonkosten in de periode van 1 maart tot en met 31 mei 2020 en kon tot 5 juni 2020 worden aangevraagd. In het tweede tijdvak van de NOW, de NOW 2.0, kan vanaf 6 juli 2020 een tegemoetkoming in de loonkosten worden aangevraagd voor de loonkosten in de periode van 1 juni tot en met 30 september 2020.

Terug naar boven
3. Wat zijn de voorwaarden voor aanspraak op de NOW?

Een voorwaarde voor aanspraak op de NOW is dat er sprake is van omzetdaling van minimaal 20%. In de NOW 1.0 moet sprake zijn van omzetdaling van ten minste 20% over een aaneengesloten periode van 3 kalendermaanden die start op 1 maart, 1 april of 1 mei 2020. In de NOW 2.0 gaat het om een periode van 4 maanden die start op 1 juni, 1 juli of 1 augustus 2020. 

Uitgangspunt is dat de omzetdaling in deze periode het gevolg is van buitengewone omstandigheden die buiten het normale ondernemersrisico vallen, zoals de maatregelen die de overheid heeft genomen vanwege de uitbraak van het COVID-19 virus. Een werkgever hoeft niet aan te tonen in welke mate de buitengewone omstandigheden bijdragen aan de omzetdaling van ten minste 20%.

Terug naar boven
4. Wat zijn de verplichtingen voor de werkgever?

Aan de werkgever aan wie subsidie wordt verleend worden verschillende verplichtingen opgelegd. In de NOW 1.0 en 2.0 gelden onder andere de volgende verplichtingen:

  • de verplichting om de loonsom zoveel mogelijk gelijk te houden;
  • de verplichting om na 17 maart 2020 gedurende het tijdvak waarover subsidie is verleend geen toestemming voor ontslag wegens bedrijfseconomische redenen bij het UWV aan te vragen;
  • de verplichting om de subsidie uitsluitend aan te wenden voor de betaling van de loonkosten; en
  • de verplichting om de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging, of bij het ontbreken daarvan de werknemers, te informeren over de subsidieverlening.

In aanvulling hierop bestaat in de NOW 2.0 de inspanningsverplichting voor werkgevers om werknemers te stimuleren een ontwikkeladvies aan te vragen of scholing te volgen voor behoud van werk.

Verder mag de werkgever onder de NOW 2.0 over 2020, tot en met de aandeelhoudersvergadering in 2021, geen i) winstuitkering aan aandeelhouders doen, ii) geen bonussen toekennen aan het bestuur en/of de directie en iii) geen eigen aandelen inkopen als een voorschot op de subsidie is verstrekt van ten minste EUR 100.000,- of het vast te stellen subsidiebedrag ten minste EUR 125.000,- bedraagt.

Terug naar boven
5. Hoe hoog is de tegemoetkoming in de loonkosten?

De hoogte van de tegemoetkoming in de loonkosten is afhankelijk van de terugval in omzet en bedraagt maximaal 90% van de loonsom. Ter illustratie worden op de website van de Rijksoverheid de volgende voorbeelden gegeven over de relatie tussen omzetdaling en hoogte van de tegemoetkoming:

  • als 100% van de omzet wegvalt, bedraagt de tegemoetkoming 90% van de loonsom van een werkgever;
  • als 50% van de omzet wegvalt, bedraagt de tegemoetkoming 45% van de loonsom van een werkgever; en als 25% van de omzet wegvalt, bedraagt de tegemoetkoming 22,5% van de loonsom van een werkgever.

Terug naar boven
6. Wat wordt onder ‘omzet’ in de NOW verstaan?

Onder ‘omzet’ wordt in de NOW verstaan de netto omzet uit artikel 2:377 lid 6 BW, waarbij ten aanzien van correcties aansluiting wordt gezocht bij de voor 1 maart 2020 vastgestelde jaarrekening van de werkgever, mits deze conform de wet- en regelgeving is opgesteld. Voor sommige werkgevers is het normale omzetbegrip niet goed toepasbaar. Dit is bijvoorbeeld het geval bij scholen, culturele instellingen en non-profit organisaties. Daarom worden de baten en subsidies ook naar rato aan de betreffende perioden toegerekend voor de bepaling van de omzetdaling.

Terug naar boven
7. Hoe wordt de omzetdaling vastgesteld?

De omzetdaling wordt in de NOW 1.0 vastgesteld door het verschil tussen de referentie-omzet en de omzet in de periode van 3 kalendermaanden die start op 1 maart, 1 april of 1 mei 2020 te delen door de referentie-omzet. De referentie-omzet is de omzet over het kalenderjaar 2019 gedeeld door 4.

Rekenvoorbeeld: Een werkgever had een omzet in het kalenderjaar 2019 van € 1.200.000. In de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020 (in dit voorbeeld de periode waarover de werkgever heeft aangegeven dat hij zijn omzetdaling berekend wil hebben) is zijn omzet € 210.000 en dus gemiddeld € 70.000 per maand. In dit geval is de omzetdaling:

(€1.200.000/4)- € 210.000 = 0,30 = 30%
(€1.200.000/4)

In de NOW 2.0 wordt de omzetdaling in beginsel berekend door het verschil tussen de referentie-omzet en de omzet over een viermaands periode die start op 1 juni, 1 juli of 1 augustus 2020, te delen door de referentie-omzet. De referentie-omzet is de omzet over het kalenderjaar 2019 gedeeld door 3.

In de NOW 2.0 bedraagt de referentie-omzet bij afstoting van een onderdeel of activiteit in de periode 2 januari 2019 tot en met 1 februari 2020, de omzet vanaf de eerste volledige kalendermaand vanaf de afstoting van het onderdeel of de activiteit tot en met 29 februari 2020, gedeeld door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen, vermenigvuldigd met vier.

Zowel in de NOW 1.0 als de NOW 2.0 geldt dat als de bedrijfsuitoefening na 1 januari 2019 is aangevangen of de werkgever na 1 januari 2019 een overname heeft gedaan, de referentie-omzet wordt gebaseerd op de omzet die is gerealiseerd vanaf de aanvang van de bedrijfsuitoefening of vanaf de overname tot en met 29 februari 2020. De omzet in die maanden wordt gedeeld door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen en vermenigvuldigd met drie (NOW 1.0) of vier (NOW 2.0).

Het kan voorkomen dat de gebruikte tijdvakken voor 2019 niet representatief zijn. Een correctie daarvoor is buiten het bovenstaande niet mogelijk. Dit kan voor bedrijven nadelig uitpakken, zoals voor bedrijven die in de maanden in de subsidieperiode normaliter hun omzetpiek hebben en voor snelgroeiende bedrijven.

Terug naar boven
8. Hoe wordt de omzetdaling vastgesteld in concerns?

De subsidie wordt per loonheffingsnummer aangevraagd. De omzetdaling wordt in beginsel op concernniveau vastgesteld. Bij de berekening van de omzetdaling op concernniveau geldt voor internationale concerns met Nederlandse en buitenlandse dochters dat de omzetdaling van de rechtspersonen in de groep die geen Nederlands SV-loon hebben niet wordt meegeteld.

Onder voorwaarden mag de omzetdaling op het niveau van een rechtspersoon binnen het concern worden berekend (zie vraag 9). Verschillende rechtspersonen van één concern moeten wel over dezelfde periode de omzetdaling berekenen.

Terug naar boven
9. Wanneer mag de omzetdaling op het niveau van de subsidievragende rechtspersoon worden berekend in plaats van op concernniveau?

De omzetdaling mag op het niveau van de subsidievragende rechtspersoon worden berekend als:

  • De subsidieaanvraag is gedaan op of na 5 mei 2020;
  • De omzetdaling van de groep minder dan 20% bedraagt in de periode waarover de omzetdaling wordt berekend;   
  • De afzonderlijke entiteit eigen rechtspersoonlijkheid heeft.
  • De activiteiten van de rechtspersoon die NOW aanvraagt niet voor ten minste 50% uit het intra-concern ter beschikking stellen van arbeidskrachten (er is geen sprake van een personeels-bv) bestaan;
  • De andere rechtspersonen of vennootschappen binnen de groep geen opdrachten of projecten uitvoeren die ten koste kunnen gaan van de subsidievragende rechtspersoon;
  • De rechtspersoon met 20 werknemers of meer in overeenstemming handelt met een akkoord over werkbehoud, dat is gesloten met de ‘belanghebbende verenigingen van werknemers’. De belanghebbende verenigingen van werknemers zijn doorgaans vakbonden die bij de cao betrokken zijn. Bij gebreke hiervan wordt een akkoord met andere vertegenwoordiging van werknemers nageleefd. De rechtspersoon met minder dan 20 werknemers heeft een akkoord met een vertegenwoordiging van werknemers; en
  • Het groepshoofd of de moedermaatschappij voorafgaand aan de aanvraag verklaart dat:
    • over 2020 geen dividenden aan aandeelhouders zullen worden uitgekeerd;
    • over 2020 geen winstuitkeringen aan derden buiten de groep zullen worden uitgekeerd;
    • over 2020 geen bonussen en/of winstdelingen aan de Raad van Bestuur, bestuur en directie van het concern en de subsidievragende rechtspersoon zullen worden uitgekeerd; en
    • geen eigen aandelen zullen worden ingekocht door rechtspersonen binnen de groep tot en met de datum van de aandeelhoudersvergadering waarin de jaarrekening in 2021 wordt vastgesteld.

Als een ondernemer verplicht is dividend uit te keren op grond van een vaststellingsverklaring met de Belastingdienst of een wettelijke plicht vanuit belastingwetgeving dan blijft dit toegestaan. Naast de bovenstaande vereisten geldt een aantal controlewaarborgen voor de berekening van de omzetdaling op het niveau van de subsidievragende rechtspersoon. Bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie moet aangetoond worden dat aan de voorwaarden en waarborgen is voldaan.

Terug naar boven
10. Hoe wordt de loonsom vastgesteld?

Voor de loonsom worden gegevens uit de loonaangifte bij de Belastingdienst gebruikt in de referentiemaand. Deze neemt UWV automatisch over. UWV neemt hierbij als grondslag het zogenaamde socialeverzekeringsloon. Indien sprake is van een aangiftetijdvak van vier weken, wordt de loonsom in dat aangiftetijdvak verhoogd met 8,33 %. De loonsom wordt verminderd met dertiende maand uitkeringen en vakantiebijslag. Het loon per werknemer is gemaximeerd tot € 9.538,- per maand. Dit is twee keer het maximum dagloon. Loon boven dit bedrag wordt niet gecompenseerd.

Voor de NOW 1.0 is januari 2020 in beginsel de referentiemaand. Voor de NOW 2.0 is de referentiemaand in beginsel maart 2020.

Bij de berekening van de subsidie wordt de loonsom vermenigvuldigd met het aantal maanden in de subsidieperiode, te weten drie maanden in de NOW 1.0 en vier maanden in de NOW 2.0. Verder wordt de loonsom vermeerderd met een forfaitaire opslag voor werkgeverslasten (zoals werkgeverpremies en werkgeverbijdragen aan pensioen en de opbouw aan vakantiebijslag). De forfaitaire opslag bedraagt 30% in de NOW 1.0 en 40% in de NOW 2.0.

In de NOW 1.0 geldt dat indien de loonsom in de subsidieperiode van 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020 hoger is dan driemaal de loonsom in de referentiemaand, de subsidie bij vaststelling wordt verhoogd met een tegemoetkoming over dat verschil vermeerderd met de forfaitaire opslag en vermenigvuldigd met de omzetdaling en de maximale tegemoetkoming van 90%. Hierbij wordt de hoogte van de loonsom in de maanden april en mei altijd gemaximeerd op het niveau van maart. Dit is gunstig voor seizoenbedrijven, die in januari veel minder personeel in dienst hebben en een lage, niet representatieve loonsom hadden ten opzicht van de subsidieperiode maart, april en mei 2020, bijvoorbeeld als gevolg van seizoensarbeid.

De NOW 2.0 voorziet niet in een dergelijke regeling.

Terug naar boven
11. Wanneer betaalt UWV de subsidie uit?

UWV beslist binnen 13 weken na ontvangst van de volledige aanvraag tot subsidieverlening, maar streeft ernaar om binnen 2 à 4 weken na ontvangst van de volledige aanvraag een voorschot te betalen. Indien de subsidie wordt verleend keert het UWV een voorschot uit gelijk aan 80% van de subsidie. Het voorschot werd in de NOW 1.0 betaald in ten hoogste drie termijnen. In de NOW 2.0 wordt het voorschot betaald in ten hoogste twee termijnen.

Terug naar boven
12. Wanneer wordt de subsidie vastgesteld?

De werkgever vraagt binnen 26 weken na 6 oktober 2020 (NOW 1.0) of 15 november 2020 (NOW 2.0) de vaststelling van de subsidie aan middels een daarvoor ontworpen formulier op www.uwv.nl. Daarbij dient de werkgever een definitieve opgave van het omzetverlies in. Afhankelijk van de hoogte van het voorschot en het definitieve subsidiebedrag moet daar mogelijk een accountantsverklaring of een verklaring van een deskundige derde bij (zie vraag 13).

Vervolgens stelt de Minister binnen 52 weken de definitieve subsidie vast. Op basis van de dan beschikbare gegevens over de omzetdaling, loonsom etc. wordt vastgesteld of het voorschot in de praktijk te ruim of te beperkt is geweest. Daarbij zal nabetaling of terugvordering aan de orde kunnen zijn.

Terug naar boven
13. Is een accountantsverklaring of een verklaring van een derde vereist?

In bepaalde gevallen moet een accountantsverklaring of een verklaring van een derde worden overgelegd bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie. In dat geval vraagt de werkgever binnen 38 weken na de in vraag 12 genoemde data de vaststelling van de subsidie aan middels een daarvoor ontworpen formulier.

Een accountantsverklaring is nodig bij een voorschot vanaf €100.000,- of een definitieve subsidie vanaf €125.000,-. Een verklaring van een derde die het omzetverlies bevestigt is vereist bij een voorschot boven de €20.000,- of een subsidie boven de €25.000,-. Zo’n verklaring kan bijvoorbeeld worden afgegeven door een administratiekantoor, belastingadviseur, accountant of brancheorganisatie. Op de website van de Rijksoverheid vindt u de derdenverklaring zoals deze door de Minister als bijlage van de NOW-1 regeling is vastgesteld.

Terug naar boven
14. Wat is het gevolg voor de hoogte van de subsidie als de loonsom over de subsidieperiode lager is dan driemaal de loonsom in de referentiemaand waarop het voorschot is gebaseerd?

Als de loonsom over de subsidieperiode lager is dan driemaal (NOW 1.0) of viermaal (NOW 2.0) de loonsom in de referentiemaand, wordt de hoogte van de subsidie verminderd met dat verschil dat is vermeerderd met de forfaitaire opslag en vervolgens vermenigvuldigd met de maximale tegemoetkoming van 90%. Dit kan leiden tot een terugvordering. Het verschil tussen de subsidieverlening vooraf (en het voorschot) en de subsidievaststelling na afloop van de subsidieperiode is groter naarmate de omzetdaling kleiner is.

Rekenvoorbeeld NOW 1.0:  Bij een omzetdaling van 50% en een loonsom van EUR 1.000.000 in januari wordt de subsidie bij de aanvraag (voorschot) als volgt berekend:

50% (omzetdaling) x EUR 1.000.000 (loonsom januari) x 3 (maanden) x 130% (forfaitaire opslag) x 90% (maximale tegemoetkoming) = EUR 1.755.000. Het voorschot bedraagt 80% van dit bedrag, te weten EUR 1.404.000,.

Als bij de vaststelling van de subsidie na de subsidieperiode blijkt dat de loonsom over maart, april en mei 2020 slechts EUR 2.000.000 bedraagt wordt de verlaging van subsidie als volgt berekend:

De loonsom over maart, april, mei is met EUR 1.000.000 verlaagd. Dit komt in de regeling overeen met (EUR 1.000.000 x 1.3=) EUR 1.300.000 aan loonkosten inclusief forfaitaire opslag. Deze loonkosten hebben met een subsidiepercentage van 90% volgens het kabinet tot een bedrag van (EUR 1.300.000 x 0,9 =) EUR 1.170.000 aan subsidie geleid. Daarom wordt de subsidie verlaagd met EUR 1.170.000. Het uiteindelijke subsidiebedrag is dus (EUR 1.755.000- EUR 1.170.000= EUR 585.000.

De subsidie wordt dus verlaagd met 90% van de loonsom vermeerderd met de forfaitaire opslag voor werkgeverslasten. Dit terwijl de bij de aanvraag berekende subsidie over dat stuk van de loonsom maar 50% van 90% van de loonsom vermeerderd met de forfaitaire opslag voor werkgeverslasten bedroeg.

Terug naar boven
15. Mag een werkgever die NOW aanvraagt ook ontslag aanvragen voor werknemers of de arbeidsovereenkomst anderszins beëindigen?

De werkgever committeert zich bij de aanvraag van NOW geen ontslag wegens bedrijfseconomische redenen bij het UWV aan te vragen voor zijn werknemers gedurende de periode waarover hij de subsidie ontvangt. Indien toch toestemming voor ontslag wegens bedrijfseconomische redenen wordt aangevraagd en deze aanvraag niet binnen 5 werkdagen wordt ingetrokken, wordt de subsidie verlaagd. In de NOW 1.0 geldt dit niet voor ontslagaanvragen die zijn ingediend tot en met 17 maart 2020. De werkgever was toen nog niet bekend met de NOW. In de NOW 1.0 wordt de subsidie verlaagd met het loon van de werknemers voor wie ontslag is aangevraagd, vermeerderd met 50% (de ‘ontslagboete’) en 30% (forfaitaire opslag) en vermenigvuldigd met 90% (maximale tegemoetkoming). Dit kan leiden tot een terugvordering. De berekening van de verlaging is op de ontslagboete na, gelijk aan de berekening van de verlaging van de subsidie bij een lager loonsom, zoals beschreven in vraag 14. In de NOW 2.0 vervalt de hierboven genoemde ontslagboete van 50%.

Voor de verlaging van de subsidie is niet relevant of het UWV de ontslagaanvraag van de werkgever uiteindelijk toe- of afwijst.

Andere gronden voor beëindiging van een arbeidsovereenkomst en andere manieren van beëindiging (zoals de opzegging tijdens de proeftijd, het sluiten van een vaststellingsovereenkomst of het niet opnieuw aangaan van een contract voor bepaalde tijd) worden voor zover bekend niet belet of beboet. Wel heeft iedere arbeidsovereenkomst die eindigt in de subsidieperiode gevolgen voor de hoogte van de uiteindelijke loonsom in de subsidieperiode en is daarmee van invloed de hoogte van de definitieve subsidie. Zie voor een berekening van de gevolgen daarvan vraag 14.

Terug naar boven
16. Wat zijn de gevolgen van het aanvragen van collectief ontslag voor de hoogte van de subsidie?

Doet de werkgever in de periode 30 mei 2020 tot en met 30 september 2020 een melding zoals bedoeld in de WMCO en dient hij in de periode van 1 juni en 30 september 2020 20 of meer ontslagaanvragen per WMCO-werkgebied in wegens bedrijfseconomische redenen, dan vindt een korting plaats van 5 % op het totale subsidiebedrag. Een werkgever kan deze korting op twee manieren voorkomen. 1) Als de werkgever over iedere melding met de belanghebbende vakbonden of met een vertegenwoordiging van werknemers als er geen belanghebbende vakbond is, overeenstemming bereikt over de noodzaak van het aantal te vervallen arbeidsplaatsen, wordt de korting van 5 % niet toegepast. 2) Als het niet is gelukt overeenstemming te bereiken, wordt de subsidie ook niet gekort indien de werkgever samen met de belanghebbende vakbonden of met een vertegenwoordiging van werknemers als er geen belanghebbende vakbond is, gezamenlijk een door de Stichting van de Arbeid in te richten commissie heeft verzocht te beoordelen of het voorgestelde aantal te vervallen arbeidsplaatsen noodzakelijk is en de werkgever dit verzoek op het moment van aanvragen van de vaststelling van de subsidie niet heeft ingetrokken.

Terug naar boven
17. Moet de werkgever het loon van oproepkrachten volledig doorbetalen om aanspraak te kunnen maken op de NOW?

De wetgever verwacht van de werkgever dat deze zich inspant om de loonsom zoveel mogelijk gelijk te houden en oproepkrachten ook zoveel mogelijk doorbetaalt. Een verlaging van de loonsom, bijvoorbeeld door het niet volledig doorbetalen van oproepkrachten, kan leiden tot een (sterkere) verlaging van de subsidie, zoals uitgelegd in vraag 14. Dit kan leiden tot een terugvordering. De NOW stimuleert de werkgever daarmee om in de situatie waar geen loondoorbetalingsverplichting bestaat op grond van de wet, toch coulance halve het loon door te betalen.

Terug naar boven
18. Voorziet de NOW ook in tegemoetkoming in de loonkosten van flexwerkers?

De tegemoetkomingsregeling voorziet in ondersteuning in de vorm van tegemoetkoming in de loonkosten van vaste werknemers en werknemers met een flexibel contract voor zover zij in dienst blijven gedurende de aanvraagperiode en loon ontvangen.

Loon dat is betaald aan flexwerkers wordt meegeteld in het bepalen van de hoogte van de loonsom over de subsidieperiode (zie vraag 14, 15 en 16). Loon van ingeleend personeel telt niet mee in de loonsom van het bedrijf waar werkzaamheden worden verricht, maar vallen onder de aanspraak van hun formele werkgever.

Terug naar boven
19. Kunnen uitzendwerkgevers en payrollwerkgevers aanspraak maken op de NOW?

Ja, de NOW is ook toegankelijk voor uitzendwerkgevers en payrollwerkgevers. Voor deze werkgevers gelden dezelfde voorwaarden als voor reguliere werkgevers.

Terug naar boven
20. Hoe ziet de NOW 3.0 er op hoofdlijnen uit?

Het derde steun- en herstelpakket is bekendgemaakt. De NOW is vanaf 1 oktober 2020 verlengd met drie tijdvakken van drie maanden. De steun van NOW 3.0 is opgedeeld in drie tijdvakken van drie maanden met elk andere voorwaarden. Het eerste tijdvak loopt 1 oktober tot en met 31 december 2020, het tweede tijdvak van 1 januari 2021 tot en met 31 maart 2021 en het derde tijdvak van 1 april 2021 tot en met 30 juni 2021

Terug naar boven
21. Wat zijn de voorwaarden per tijdvak?

Voorwaarde voor het eerste tijdvak is, gelijk aan NOW 1.0 en NOW 2.0, een terugval in de omzet van 20%. Vanaf het tweede tijdvak is de NOW toegankelijk voor bedrijven die 30% of meer omzetverlies lijden.

Terug naar boven
22. Blijven de vergoedingspercentages gelijk?

Het vergoedingspercentage van 90% onder de NOW 1.0 en 2.0 wordt verlaagd naar 80%. Van de 90% loonsomsubsidie wordt in het eerste tijdvak 10% gereserveerd voor omscholing. Effectief ontvangt de werkgever dus 80% subsidie voor de loonkosten. In het tweede tijdvak ontvangt de werkgever 70% subsidie en in het derde tijdvak nog maar 60%.

In het derde tijdvak zal bovendien het maximaal te vergoeden loon per werknemer – meer in lijn met de reguliere sociale zekerheid - worden verlaagd naar maximaal één keer het dagloon. 

Terug naar boven
23. Mogen werknemers onder NOW 3.0 ontslagen worden?

Bedrijven die als gevolg van de crisis langdurig omzetverlies lijden, moeten hun bedrijfsvoering kunnen aanpassen. Naast de middelen voor de overgang naar werk middels het aanvullend sociaal pakket, biedt het kabinet werkgevers daarom de ruimte een gedeelte van de loonsom te laten dalen zonder dat dit tot uiting komt in een verlaging van de subsidie bij de subsidievaststelling. Het vrijstellingspercentage voor de loonsom loopt op van 10% in het eerste tijdvak, naar 15% in het tweede tijdvak tot 20% in het derde tijdvak. De ontslagboete komt daarmee te vervallen.

Hoe de loonsom daalt, kan de werkgever in overleg met de werknemers(vertegenwoordiging) bepalen, bijvoorbeeld via een natuurlijk verloop, ontslag of een vrijwillig loonoffer. In het laatste geval blijft onverminderd gelden dat arbeidsvoorwaarden niet eenzijdig door de werkgever kunnen worden aangepast. 

In de NOW 3.0 is een nieuwe inspanningsverplichting opgenomen voor de werkgever om werknemers zo snel en soepel mogelijk aan nieuw werk te helpen op het moment dat een werkgever noodsteun ontvangt en gebruik maakt van de ruimte voor loonsomdaling door werknemers te ontslaan. De werkgever is verplicht om in het tijdvak waarin hij subsidie heeft aangevraagd contact op te nemen met UWV via de UWV telefoon NOW als hij gedurende dat subsidietijdvak voor een of meer werknemers een ontslagaanvraag wegens bedrijfseconomische redenen indient bij UWV. Voldoet de werkgever hier niet aan, dan wordt de subsidie met 5% gekort.

Terug naar boven
24. Hoe zien de voorwaarden er puntsgewijs per tijdvak uit?

Tijdvak 1

  • Subsidie voor loonkosten: oktober t/m december 2020
  • Subsidiepercentage van loonkosten: 80% (+10% omscholing)
  • Terugval in omzet: 20%
  • Loonsom mag dalen met: 10%
  • Maximum: 2x dagloon = € 9.538

Tijdvak 2


  • Subsidie voor loonkosten: januari t/m maart 2021
  • Subsidiepercentage van loonkosten: 70%
  • Terugval in omzet: 30%
  • Loonsom mag dalen met: 15%
  • Maximum: 2x dagloon = € 9.538

Tijdvak 3

  • Subsidie voor loonkosten: april t/m juni 2021
  • Subsidiepercentage van loonkosten: 60%
  • Terugval in omzet: 30%
  • Loonsom mag dalen met: 20%
  • Maximum: dagloon = € 4.769
Terug naar boven
25. Wanneer kan NOW 3.0 worden aangevraagd?

Een aanvraag voor het eerste tijdvak dat loopt van 1 oktober tot en met 31 december 2020 kan vanaf 16 november 2020 worden gedaan. Voor elk tijdvak kan een werkgever besluiten om wel of geen aanvraag te doen, zowel werkgevers die tijdens NOW 1.0 en 2.0 al een aanvraag hebben ingediend als voor werkgevers die niet eerder een aanvraag hebben ingediend.

De vaststelling van de subsidie vindt na afloop van de drie tijdvakken plaats, vanaf de zomer van 2021. Gelijk aan de NOW 1.0 en 2.0 ontvangt de werkgever een voorschot van 80% van het subsidiebedrag. 

Terug naar boven