Bestuur en toezicht
De Eerste Kamer heeft op 31 mei 2011 het wetsvoorstel “Wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van regels over bestuur en toezicht in naamloze en besloten vennootschappen” aangenomen. Zie hier de tekst van het wetsvoorstel en de bijbehorende toelichting. Dit voorstel zal naar verwachting op 1 juli 2012 in werking treden. Het wetsvoorstel voert de zogenaamde “one-tier board” in, wijzigt de aansprakelijkheidsregeling van art. 2:9 BW en bevat een nieuwe tegenstrijdig belang regeling. Wij zetten hierna op hoofdlijnen dit wetsvoorstel uiteen.
One-tier board
Het wetsvoorstel biedt na invoering de mogelijkheid voor een vennootschap om naast de huidige “two-tier board” (bestaande uit directie en raad van commissarissen) een zogenaamde “one-tier board” te implementeren. Daarmee wordt in Nederland het monistische stelsel geïntroduceerd. In een “one-tier board” hebben uitvoerende bestuurders en niet-uitvoerende bestuurders zitting. De niet-uitvoerende bestuurders houden toezicht. Wanneer het structuurregime van toepassing is, moet het toezicht verplicht worden afgezonderd in een raad van commissarissen.
Aan enkel de niet-uitvoerende bestuurder kunnen bepaalde taken worden toebedeeld, zoals het vaststellen van de bezoldiging van uitvoerende bestuurders, het houden van toezicht op de taakuitoefening van de uitvoerende bestuurders en het doen van (bindende) voordrachten voor de benoeming van bestuurders. Het is mogelijk om bij of krachtens de statuten de taken aan bepaalde bestuurders toe te delen. De taakverdeling kan ook in een bestuursreglement worden vastgelegd.
Aansprakelijkheid ex. art. 2:9 BW
Bij het vervullen van de bestuurstaken dient het bestuur zich te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Dit wordt vastgelegd in de wet. Op grond van de heersende leer in de rechtspraak (HR 10 januari 1997, NJ 1997/360, Staleman/Van der Ven) kon een bestuurder op grond van art. 2:9 BW aansprakelijk worden gehouden als hem een ernstig verwijt treft. Of daar sprake van is, hangt af van de omstandigheden van het geval. Het begrip “ernstig verwijt” wordt met het wetsvoorstel in art. 2:9 BW verankerd. Overeenkomstig dit aangepaste artikel is er sprake van collectief bestuur. Dit leidt tot hoofdelijke aansprakelijkheid in geval van onbehoorlijk bestuur, tenzij aan een bestuurder, mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken, geen ernstig verwijt kan worden gemaakt. Voor deze uitzondering is ook vereist dat de bestuurder niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van het onbehoorlijk bestuur af te wenden. Een bestuurder die constateert dat het bij de taakvervulling van een andere bestuurder verkeerd gaat, is aldus gehouden in te grijpen. Dit geldt ook voor niet-uitvoerende bestuurders in een “one-tier board”. Een belangrijk verschil tussen niet-uitvoerende bestuurders en commissarissen is dat algemene bestuurders in een one-tier board meer betrokken zullen zijn bij het algemene beleid van de vennootschap dan commissarissen in een two-tier board. Algemene bestuurders zijn immers net als uitvoerende bestuurders direct verantwoordelijk voor de besluitvorming over de algemene beleidslijnen. Dit betekent dat het aansprakelijkheidsrisico voor algemene bestuurders groter zal zijn dan het risico voor commissarissen.
Tegenstrijdig belang-regeling
Het wetsvoorstel introduceert ook een nieuwe regeling ingeval van tegenstrijdig belang. De huidige regeling, gericht op vertegenwoordiging, verdwijnt en wordt vervangen door een regeling die ziet op besluitvorming. Bestuurders (en commissarissen) nemen niet deel aan de besluitvorming als zij een tegenstrijdig belang hebben bij een bepaald onderwerp. Dit kan een direct of indirect persoonlijk belang zijn. Als sprake is van een tegenstrijdig belang, dan zal in eerste instantie de raad van commissarissen (bij besluiten van het bestuur) bevoegd zijn en daarna de algemene vergadering van aandeelhouders.
Onder de huidige recht leidt schending van de tegenstrijdig belang regeling tot een ongeldige rechtshandeling waardoor ook de wederpartij (de derde) wordt getroffen, omdat de bestuurder niet vertegenwoordigingsbevoegd was. Onder het nieuwe recht kan een belanghebbende (bijvoorbeeld een minderheidsaandeelhouder) enkel de vernietiging van het besluit vorderen, omdat hij meent dat de belangen van de vennootschap door de rechtshandeling (overeenkomst) zijn geschaad. De vennootschap heeft vervolgens een actie op grond van art. 2:9 of art. 6:162 BW jegens de bestuurder. De verrichte rechtshandeling blijft echter in beginstel intact, wat de rechtszekerheid ten goede komt.
De voor de inwerkingtreding in strijd met de tegenstrijdig belang regeling (en dus onbevoegd) aangegane rechtshandelingen kunnen na invoering van het wetsvoorstel nog worden bekrachtigd.
Dit wetsvoorstel kan dus voor u verstrekkende gevolgen hebben, maar ook mogelijkheden bieden.
Klik hier om terug te keren naar alle nieuwsberichten.