
Inleiding
Leefgebieden van dieren en planten staan steeds vaker onder druk door menselijke activiteiten en externe invloeden. Het behoud van plant- en diersoorten is dan ook een belangrijk aandachtspunt binnen de huidige wetgeving. De Omgevingswet biedt verschillende juridische instrumenten om flora en fauna effectief te beschermen. Deze regels en maatregelen dragen bij aan het bevorderen van biodiversiteit – een thema dat zowel ecologisch als juridisch steeds urgenter wordt. De recente discussies rond de bescherming en het eventueel afschieten van de wolf in Nederland[1] of de aanwezigheid van beschermde soorten binnen of in de nabijheid van beoogde woningbouwlocaties[2] illustreren hoe actueel en complex soortenbescherming is, waarbij ecologische belangen, veiligheid, maatschappelijke opgaves en juridische kaders samenkomen.
Maar hoe werkt het soortenbeschermingsrecht precies? Wanneer is een vergunning verplicht? En hoe kun je voorkomen dat een vergunning nodig is voor een woningbouwproject? Moet je altijd bang zijn om de nieuwe zorgplicht te overtreden? En hoe werkt het soortenbeschermingsrecht door in ruimtelijke besluiten, zoals een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)? In deze serie beantwoorden we deze vragen (en meer!) en zetten we kort de basics van het soortenbeschermingsrecht in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (dus bijvoorbeeld die woningbouwlocaties) op een rij. In dit tweede deel: de specifieke zorgplicht bij het verrichten van een flora- en fauna-activiteit.
Specifieke zorgplicht
Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold in Nederland de plicht om voldoende zorg in acht te nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.[3] Onder de Omgevingswet is gekozen voor een algemene zorgplicht[4] en een aantal specifieke zorgplichten die concreter zijn[5]. De algemene zorgplicht is niet van toepassing als er een specifieke zorgplicht geldt,[6] waaronder de zorgplicht voor flora- en fauna-activiteiten als geregeld in artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving (“Bal”).[7] Deze specifieke zorgplicht sluit inhoudelijk aan bij de zorgplicht die onder het oude recht gold[8] en bepaalt dat iedereen (burgers, ondernemers of overheid) die een flora- en fauna-activiteit uitvoert negatieve gevolgen moet voorkomen, beperken of ongedaan maken. De zorgplicht geldt dus niet alleen voor activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is vereist, maar voor álle activiteiten die mogelijk negatieve effecten kunnen hebben voor in het wild levende dieren of planten. Ook hun directe leefomgeving, foerageergebied, rust- en voortplantingsplaats en plaatsen voor het grootbrengen van jongen worden door de specifieke zorgplicht beschermd.[9] De zorgplicht biedt ook bescherming aan soorten waarvoor geen ‘strikte bescherming’ in de zin van specifieke soortenbeschermingskaders van toepassing is. Dit betekent dat een overtreding van de zorgplicht nog steeds aan de orde kan zijn, ook als is vastgesteld dat er geen sprake is van een overtreding van de omgevingsvergunningplicht.[10]
Let op! De definitie van flora- en fauna-activiteit is ruim. Een flora- en fauna-activiteit wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Door de brede formulering van flora- en fauna-activiteit is het bij nagenoeg alle activiteiten in de leefomgeving nodig om te controleren of er soorten aanwezig zijn, en welke soorten dat zijn. Het is zelden van tevoren uit te sluiten dat een activiteit onder deze definitie valt. |
Voorafgaand aan het verrichten van de flora- en fauna-activiteit geldt op grond van de zorgplicht de verplichting om na te gaan of er aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van dieren, planten of hun habitats.[11] Ook moet worden nagaan wat de kwetsbaarheid is van de dieren, planten of habitats en wat de mogelijke gevolgen zijn van het verrichten van de activiteit. Hiervoor is in de meeste gevallen – net als bij de omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit - ecologisch onderzoek vereist (zie deel 1). In dit kader is het bepalend of alle zorg is betracht die in redelijkheid had mogen worden verwacht om op de hoogte te (kunnen) zijn van de aanwezigheid van soorten. Daadwerkelijke wetenschap van de aanwezigheid is niet vereist.[12] Het gaat steeds om dingen die iemand in redelijkheid kan weten, doen of nalaten. Er is niet beoogd om extreme eisen te stellen.[13]
Als er aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van dieren, planten of hun habitats moet beoordeeld worden of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten.[14] Als de negatieve gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, mag de activiteit in beginsel niet worden uitgevoerd.[15] Alleen als het achterwege laten van de activiteit die nadelige gevolgen kan hebben redelijkerwijs niet kan worden gevergd, kan de activiteit toch worden verricht. Maar dan moeten wel alle noodzakelijke maatregelen worden getroffen om nadelige gevolgen alsnog te voorkomen. [16] En bij het verrichten van de activiteit moet men steeds alert zijn op het daadwerkelijk achterwege blijven van negatieve gevolgen.[17] Tijdens het verrichten van de flora- en fauna-activiteit vindt dan ook monitoring plaats: er moet worden nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben.[18] Als nadelige gevolgen niet te voorkomen zijn, moeten maatregelen worden getroffen om deze gevolgen zoveel mogelijk te beperken of - voor zover toch schade optreedt - ongedaan te maken.[19]


