
Op 13 december 2024 heeft de Raad van de Europese Unie zijn standpunt gepubliceerd over de belangrijkste elementen van een richtlijnvoorstel tot harmonisatie van bepaalde aspecten van het insolventierecht (zie richtlijnvoorstel 2022/0408 (COD) hierna: “Richtlijn”).
Het doel van het voorstel is om het insolventierecht binnen de Europese Unie op bepaalde onderdelen te harmoniseren. De huidige insolventiewetten van de verschillende lidstaten verschillen momenteel van elkaar, waardoor het voor (buitenlandse) investeerders lastig is om de gevolgen van een eventuele insolventieprocedure te overzien.
De Europese Commissie heeft in 2022 als initiatiefnemer een richtlijnvoorstel opgesteld. Dit richtlijnvoorstel is op 7 december 2022 toegezonden aan het Europees Parlement en de Europese Raad. Vervolgens is het voorstel in consultatie gegaan. Daarna heeft de Raad zijn standpunt gepubliceerd over het richtlijnvoorstel. Dit standpunt van de Raad betreft een ’algemene oriëntatie’. Dit is een belangrijke stap in het wetgevingsproces die ervoor kan zorgen dat sneller tot besluitvorming wordt gekomen. In dit blog zullen we de belangrijkste door de Raad voorgestelde veranderingen in het richtlijnvoorstel bespreken. Als het richtlijnvoorstel tot wet wordt aangenomen dan zal dit ook gevolgen hebben voor de Nederlandse insolventieprocedures. Ook deze veranderingen worden besproken in dit blog.
Belang van harmonisatie
De Europese wetgever vindt harmonisatie van de nationale insolventieregelingen binnen de EU van groot belang voor het investeringsklimaat in de EU. Dat zou ervoor moeten zorgen dat internationale investeerders eenvoudiger de risico’s van hun investeringen kunnen inschatten binnen de EU. De Europese wetgever verwacht dat dit een positief effect zal hebben op grensoverschrijdende investeringen.
Het standpunt van de Raad is toegespitst op drie de belangrijkste onderdelen van het richtlijnvoorstel, namelijk; (i) maatregelen ter bescherming van de insolvente boedel, (ii) transparantieverplichtingen voor banken met betrekking tot de activa van de boedel en (iii) de plichten van bestuurders bij insolventie.
(i) Vorderingen tot nietigverklaring ter bescherming van de boedel
De Europese Commissie wil tot EU-brede minimumvoorschriften komen die beletten dat schuldenaren de waarde verminderen nadat een onderneming insolvent is verklaard, ten koste van de schuldeisers. In het richtlijnvoorstel is daarom een vordering tot nietigverklaring opgenomen, waarmee onder voorwaarden transacties die de schuldenaar vóór het ingaan van de faillissementsprocedure heeft verricht en die de schuldeisers benadelen, kunnen worden vernietigd. In het richtlijnvoorstel van de Commissie was de termijn waarin deze transacties konden vernietigd tot vier jaar voorafgaand aan de aanvraag van de insolventieprocedure. Raad stelt in haar ‘algemene oriëntatie’ een kortere termijn van twee jaar voor.
In het Nederlandse recht kennen we deze vordering al: de faillissementspaulina (art. 42 e.v. Fw). De curator kan daarmee onder voorwaarden rechtshandelingen die door de schuldenaar vóór het faillissement zijn verricht, vernietigen indien er vermogensbestanddelen in het zicht van faillissement aan de boedel zijn onttrokken. Het is daarbij aan de curator om te bewijzen of aan de wettelijke voorwaarden voor vernietiging is voldaan. Wel wordt de curator daarbij geholpen door wettelijke bewijsvermoedens (artikel 43 Fw). Het richtlijnvoorstel lijkt in grote lijnen op artikel 42 e.v. Fw. Toch zijn er ook verschillen. Het richtlijnvoorstel bevat bijvoorbeeld een bewijsvermoeden indien de wederpartij ‘nauw verbonden’ is met de schuldenaar (art. 8 Richtlijn). Vooralsnog is het onduidelijk wanneer daarvan sprake zou zijn. Het is daarmee nog niet duidelijk of dit in lijn is met het het Nederlandse recht waarin bepaalde ‘nauwverbonden partijen’ specifiek zijn benoemd (zoals echtgenoot en kinderen). De bewijsvermoedens naar Nederlandse recht gaan, anders dan het richtlijnvoorstel, slechts terug tot rechtshandelingen verricht binnen één jaar voor de faillietverklaring. Deze beperking is in het richtlijnvoorstel niet opgenomen.


