Vernietiging van arbitrale vonnissen: welke termijn geldt?

Aangemaakt: 05 oktober 2026

Vernietiging van arbitrale vonnissen: welke termijn geldt?

English version below.
 
Inleiding
Op 4 augustus 2026 wees het gerechtshof Den Haag een arrest waarin de ontvankelijkheid en termijnen in verband met de vernietiging van een arbitraal vonnis centraal stonden (ECLI:NL:GHDHA:2026:2472). Drie joint ventures van een Indiase en een Soedanese onderneming (hierna: “Progressive c.s.”) voerden wegwerkzaamheden uit voor het Tanzaniaanse wegenagentschap Tanroads. Op de overeenkomsten voor deze werkzaamheden was Tanzaniaans recht van toepassing. Partijen kwamen daarnaast overeen dat eventuele geschillen middels UNCITRAL-arbitrage zouden worden beslecht, met Den Haag als plaats van arbitrage. 

Tussen partijen ontstond een geschil, dat ertoe leidde dat Tanroads Progressive c.s. wegstuurde van de werklocaties en bij banken in India verschillende bankgaranties inriep.  Partijen legden dit geschil voor aan een scheidsgerecht. Progressive c.s. vorderden onder meer vrijgave van bankgaranties. Tanroads stelde verschillende tegenvorderingen in. Op 28 september 2022 werd het arbitraal eindvonnis gewezen. Progressive c.s. werden daarin veroordeeld tot betaling aan Tanroads van ongeveer USD 5,6 miljoen aan schadevergoeding en USD 2,9 miljoen aan kosten. Op verzoek van Progressive c.s. corrigeerde het scheidsgerecht op 5 december 2022 enkele rekenfouten in een aanvullend arbitraal vonnis (hierna: “Addendum”).

Progressive c.s. vorderden daarna bij het Gerechtshof Den Haag vernietiging van zowel het arbitraal vonnis als het Addendum. Kort samengevat, voerden zij aan:
 
  1. dat het scheidsgerecht niet had beslist op één van de vorderingen, waardoor het zich niet aan zijn opdracht hield (art. 1065 lid 1 onder c Rv) en 
  2. dat het arbitraal vonnis vanwege de inhoud en wijze van totstandkoming in strijd was met de openbare orde, onder meer doordat (i) het scheidsgerecht bij de bepaling van de verschuldigde bedragen niet onafhankelijk en niet onpartijdig zou zijn geweest en (ii) het oordeel van het scheidsgerecht in strijd met toepasselijk Tanzaniaans dwingend recht zou zijn (art. 1065 lid 1, onder e, Rv).

Tanroads deed primair een beroep op niet-ontvankelijkheid. Subsidiair voerde Tanroads inhoudelijk verweer tegen de opgeworpen vernietigingsgronden. 

Ontvankelijkheid
Voor vernietiging van een arbitraal vonnis wegens het niet beslissen op een vordering geldt een bijzondere voorwaarde. Op grond van art. 1065 lid 6 Rv moet het scheidsgerecht eerst zijn verzocht om het arbitraal vonnis aan te vullen. Vernietiging is pas mogelijk nadat een aanvullend vonnis is gewezen of het verzoek om aanvulling geheel of gedeeltelijk is afgewezen. Progressive c.s. hadden wel verzocht om verbetering van kennelijke fouten (art. 1060 Rv), maar niet om aanvulling van het vonnis (art. 1061 Rv). Het hof verklaarde hen daarom niet-ontvankelijk met betrekking tot deze vernietigingsgrond. Het onderscheid tussen verbetering en aanvulling was dus beslissend.

De verlengingsgrond van art. 1065 lid 7 Rv geldt niet voor alle vernietigingsgronden
Voor de beoordeling van de overige vernietigingsgronden was van belang dat een vordering tot vernietiging moet worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van verzending van het arbitraal vonnis. In deze zaak was die termijn al verstreken. Progressive c.s. beriepen zich echter op art. 1065 lid 7 Rv. Op grond daarvan wordt de termijn voor indiening van de vernietigingsvordering verlengd tot drie maanden na verzending van een aanvullend vonnis of de mededeling van afwijzing van een verzoek tot aanvulling. Deze verlengingsgrond is van overeenkomstige toepassing op het verzoek tot verbetering van een kennelijke fout op grond van art. 1060 Rv. 

Progressive c.s. meenden dat deze verlengingsgrond van toepassing was omdat zij een verzoek tot verbetering van kennelijke fouten had gedaan. Het hof oordeelde echter dat deze verlengingsgrond alleen geldt voor zover een vernietigingsgrond verband houdt met de kennelijke fout waarop het verbeteringsverzoek van Progressive c.s. betrekking had. De (nog openstaande) vernietigingsgronden van Progressive c.s. hielden geen verband met die fouten, aldus het hof. Voor die gronden bleef daarom de gewone termijn van drie maanden gelden, die inmiddels was verstreken. Dit oordeel lijkt ons begrijpelijk. Uit art. 1065 lid 7 Rv volgt dat deze verlengingsgrond geldt voor “de in het vorige lid bedoelde vordering tot vernietiging”. Die in het vorige lid bedoelde vordering tot vernietiging ziet op de vernietigingsvordering vanwege het feit dat het scheidsgerecht heeft nagelaten uitspraak te doen op één of meer vorderingen, die wordt ingesteld nadat een aanvullend vonnis is gewezen of een verzoek tot aanvulling geheel of gedeeltelijk is afgewezen. Uit die formulering kan onzes inziens worden afgeleid dat de wetgever niet heeft bedoeld dat deze verlengingsgrond ook geldt voor vernietigingsvorderingen die op andere vernietigingsgronden worden gebaseerd. De wijze waarop art. 1065 lid 7 Rv deze verlengingsgrond van overeenkomstige toepassing verklaart op de verbetering van kennelijke fouten, lijkt meerdere interpretaties mogelijk te maken. Het lijkt ons echter verdedigbaar dat ditzelfde geldt voor een verbeteringsverzoek. Wij vinden namelijk dat het niet voor de hand ligt dat een verzoek tot verbetering de termijn voor alle vernietigingsgronden zou verlengen, terwijl een verzoek tot aanvulling alleen de termijn voor vernietiging in verband met die aanvulling zou verlengen.

Betekenis voor de praktijk
Wanneer een partij vernietiging van een arbitraal vonnis wil vorderen, is het belangrijk om goed op de termijnen te letten. Een vernietigingsvordering moet in principe binnen drie maanden worden ingesteld. Die termijn kan verlengd worden wanneer om aanvulling van het arbitraal vonnis of verbetering van kennelijke fouten is verzocht. Die verlenging ziet echter alleen op (eenvoudig gezegd) de vernietigingsgronden in verband met de verzochte aanvulling of verbetering. Voor vernietiging op basis van eventuele andere gronden blijft de termijn van drie maanden gelden. Dat kan ertoe leiden dat al een vernietigingsvordering moet worden ingesteld met betrekking tot die andere gronden, terwijl de behandeling van een verzoek tot aanvulling of verbetering van het arbitraal vonnis nog loopt. 



Setting aside arbitral awards: which time limit applies?

Introduction
On 4 August 2026, the Court of Appeal of The Hague rendered a judgment on the admissibility (ontvankelijkheid) and time limits in connection with the setting aside of an arbitral award (ECLI:NL:GHDHA:2026:2472). Three joint ventures of an Indian and a Sudanese company (hereinafter: "Progressive et al.") carried out road construction works for the Tanzanian road agency Tanroads. Tanzanian law was applicable to the contracts for these works. The parties further agreed that any disputes would be resolved by means of UNCITRAL arbitration, with The Hague as the seat of arbitration.

A dispute arose between the parties, which led to Tanroads removing Progressive et al. from the work sites and calling on various bank guarantees with banks in India. The parties referred this dispute to an arbitral tribunal. Progressive et al. claimed, inter alia, the release of bank guarantees. Tanroads filed various counterclaims. The final arbitral award was rendered on 28 September 2022. Progressive et al. were ordered to pay Tanroads approximately USD 5.6 million in damages and USD 2.9 million in costs. At the request of Progressive et al., on 5 December 2022 the arbitral tribunal corrected several computational errors in a supplementary arbitral award (hereinafter: the "Addendum").

Progressive et al. subsequently applied to the Court of Appeal of The Hague for the setting aside of both the arbitral award and the Addendum. In summary, they argued that:

  1. the arbitral tribunal had failed to decide on one of the claims, thereby not complying with its mandate (Article 1065(1)(c) of the Dutch Code of Civil Procedure (DCCP)); and
  2. that the arbitral award, by reason of its content and the manner in which it was made, was contrary to public policy, inter alia because (a) the arbitral tribunal had not been independent and impartial in determining the amounts due, and (b) the arbitral tribunal's decision was contrary to applicable mandatory Tanzanian law (Article 1065(1)(e) DCCP).

Tanroads primarily raised a plea of inadmissibility. In the alternative, Tanroads contested the grounds for setting aside the arbitral award on the merits.

Admissibility
A special condition applies to setting aside an arbitral award on the ground that the tribunal failed to decide on a claim. Pursuant to Article 1065(6) DCCP, the arbitral tribunal must first have been requested to supplement the arbitral award. Setting aside is only possible after a supplementary award has been rendered or the request for supplementation has been wholly or partially refused. Progressive et al. had requested the correction of manifest errors (Article 1060 DCCP), however had not requested supplementation of the award (Article 1061 DCCP). The Court of Appeal therefore declared them inadmissible in respect of this ground for setting aside. The distinction between correction and supplementation was thus decisive.

The extension ground of Article 1065(7) DCCP does not apply to all grounds for setting aside an arbitral award
For the assessment of the remaining grounds for setting aside, it was relevant that an application for setting aside must be filed within three months of the date on which the arbitral award was sent. In this case, that time limit had already expired. Progressive et al. relied, however, on Article 1065(7) DCCP. Pursuant to that provision, the time limit for filing the application for setting aside is extended to three months after the sending of a supplementary award or the notification of the refusal of a request for supplementation. This extension ground applies mutatis mutandis to a request for the correction of a manifest error pursuant to Article 1060 DCCP.

Progressive et al. took the view that this extension ground applied because they had made a request for the correction of manifest errors. The Court of Appeal held, however, that this extension ground applies only insofar as a ground for setting aside is related to the manifest error to which Progressive et al.'s request for correction related. The (still outstanding) grounds for setting aside relied upon by Progressive et al. were not related to those errors, the Court of Appeal held. Accordingly, the ordinary time limit of three months continued to apply to those grounds, and that time limit had by then expired. This ruling appears to us to be understandable. It follows from Article 1065(7) DCCP that this extension ground applies to "the application for setting aside referred to in the preceding paragraph". The application for setting aside referred to in that preceding paragraph concerns the application for setting aside on the ground that the arbitral tribunal has failed to render a decision on one or more claims, which is filed after a supplementary award has been rendered or a request for supplementation has been wholly or partially refused. In our view, it can be inferred from that wording that the legislature did not intend this extension ground to also apply to applications for setting aside based on other grounds. The manner in which Article 1065(7) DCCP declares this extension ground to apply mutatis mutandis to the correction of manifest errors appears to allow for more than one interpretation. It seems to us, however, that it is arguable that the same applies to a request for correction. In our view, it would not be logical for a request for correction to extend the time limit for all grounds for setting aside, whilst a request for supplementation would only extend the time limit for setting aside in connection with that supplementation.

Significance for practice
Where a party wishes to apply for the setting aside of an arbitral award, it is important to pay close attention to the applicable time limits. An application for setting aside must in principle be filed within three months. That time limit may be extended where supplementation of the arbitral award or correction of manifest errors has been requested. That extension, however, relates only to (put simply) the grounds for setting aside related to the supplementation or correction sought. For setting aside on the basis of any other grounds, the three-month time limit continues to apply. This may result in an application for setting aside having to be filed in respect of those other grounds whilst proceedings on a request for supplementation or correction of the arbitral award are still pending.

 

Meer gerelateerde updates