Publicatie
01-02-2022

Kifid ziet over het hoofd dat consument wel degelijk schade lijdt

Op 25 januari 2022 heeft de Geschillencommissie van het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (het Kifid) een uitspraak gedaan in een geschil tussen een consument, die zich liet bijstaan door de Stichting Geldbelangen, en ABN AMRO over (onder meer) het berekenen het bedrag dat de bank aan de consument moet terugbetalen wegens te veel betaalde rente op het doorlopend krediet.

De consument heeft zich op het standpunt gesteld dat rekening zou moeten worden gehouden met het “rente op rente-effect”. De consument is van mening dat indien hij minder rente zou hebben betaald, hij dat bedrag zou hebben aangewend om extra af te lossen waardoor het uitstaande bedrag van de lening lager zou zijn geweest. De bank stelt zich op het standpunt dat slechts de onverschuldigd betaalde rente (zonder het rente op rente-effect) moet worden terugbetaald.

De Geschillencommissie volgt de eerder door de Commissie van Beroep gehanteerde (en door de bank bepleite) wijze van berekening van het nadeel. Volgens de Commissie van Beroep zou geen sprake zijn van schade, als gevolg waarvan de Geschillencommissie ook in onderhavig geschil tot de conclusie komt dat de consument geen recht heeft op een vergoeding van rente op rente, maar enkel op terugbetaling van het bedrag aan te veel betaalde rente.

De Geschillencommissie ziet daarvoor geen wettelijke grondslag. Anders dan de Geschillencommissie meen ik dat wel degelijk een wettelijke grondslag bestaat om de door de consument geleden schade te vergoeden. De bank is immers vanaf het moment van ontvangst van de rentebetalingen “verrijkt” en de consument “verarmd”. Anders gezegd, de bank is ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van de consument (artikel 6:212 BW).

Een dergelijke vordering kan ook naast een vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling worden ingesteld. De bank dient de consument dan vervolgens in de positie te brengen alsof de ongerechtvaardigde verrijking niet heeft plaatsgevonden. De Geschillencommissie lijkt in navolging van de Commissie van Beroep geen ruimte te zien voor een inflatiecorrectie vanaf het moment van verarming van de consument, terwijl de wet daar wel degelijk ruimte voor biedt.

Anders dan het leerstuk van onverschuldigde betaling, dat slechts ruimte laat voor vergoeding van wettelijke rente vanaf het aangaan van de overeenkomst als komt vast te staan dat sprake is van kwader trouw, biedt (bijvoorbeeld) het leerstuk van ongerechtvaardigde wel degelijk ruimte voor vergoeding van het waardeverlies door betaling van de wettelijke rente vanaf het moment van de verarming; feitelijk het moment van betaling van de te veel betaalde rente. Daarnaast is niet uitgesloten dat de consument wel degelijk de rentebetaling zou hebben aangewend voor extra aflossingen, omdat de consument veelal, zo begrijp ik, een vast maandbedrag betaalde.

Met andere woorden: een verlaging van de rente leidt automatisch tot verhoging van het bedrag dat in mindering zou worden gebracht op de schuld. Het is voldoende dat een goede kans bestaat dat de consument zijn schuld zou hebben verminderd en minder rente zou hebben betaald. Meer hoeft de consument niet aan te tonen. Die (hypothetische) situatie dient te worden vergeleken met de situatie waarin de consument vandaag de dag verkeert. Het verschil is de schade die de consument heeft geleden.

Kortom, de consument heeft niet enkel recht op terugbetaling van de te veel betaalde rente en de wettelijke rente vanaf de ingebrekestelling. Ondanks dat de consument of de Stichting Geldbelangen dit niet heeft aangevoerd, had de Geschillencommissie de stellingen van de consument welwillender moeten uitleggen. De consument heeft wel degelijk recht op vergoeding van schade en voor vergoeding daarvan bestaan meerdere wettelijke grondslagen. Er bestaat geen enkele reden om de consument verarmd achter te laten, noch voor de Geschillencommissie noch voor de bank.

Betrokken advocaten

Expertises

Litigation