Publicatie
26-10-2018

Wetsvoorstel opheffing verpandingsverboden

Naar Nederlands recht geldt het uitgangspunt dat vorderingsrechten overdraagbaar en verpandbaar zijn. In het huidige art. 3:83 lid 2 BW heeft de wetgever het expliciet mogelijk gemaakt van dit uitgangspunt af te wijken door partijen de vrijheid te geven de overdraagbaarheid van vorderingen door middel van een beding uit te sluiten. In het voorliggende voorstel “wet opheffing verpandingsverboden” wordt de vrijheid van partijen om een dergelijk beding overeen te komen beperkt.

Huidige praktijk
Schuldenaren kunnen met hun schuldeisers afspreken dat een schuldeiser zijn vordering op de schuldenaar niet overdraagt of verpandt. Een dergelijke afspraak is in het voordeel van de schuldenaar, aangezien de schuldenaar dan weet aan wie hij moet betalen. Op deze manier wordt het risico op betalingen aan het verkeerde adres verkleind. Bovendien wordt de schuldenaar niet zomaar met een nieuwe, onbekende, schuldeiser geconfronteerd. In de praktijk wordt van deze mogelijkheid veel gebruikgemaakt; dergelijke bedingen ziet men vaak terug in overeenkomsten en algemene voorwaarden. De keerzijde is dat de schuldeiser in zijn financieringsbehoefte wordt beperkt. De schuldeiser kan deze vorderingen immers niet meer tot zekerheid van krediet overdragen of verpanden. Om de schuldeiser tegemoet te komen in zijn financieringsmogelijkheden is het voorstel geïntroduceerd om dergelijke afspraken te verbieden.

Inhoud wetsvoorstel
Het wetsvoorstel verbiedt alleen de bedingen waarbij de overdraagbaarheid of verpandbaarheid wordt uitgesloten ten aanzien van:

  • geldvorderingen op naam;
  • die tussen ondernemingen in het zakelijk verkeer zijn verkregen;
  • die financiering tot doel hebben.

Alleen van deze handelsvorderingen kan de overdraagbaarheid of verpandbaarheid niet meer worden uitgesloten. Geldvorderingen van particulieren of het saldo op betaal- en spaarrekeningen vallen hier dus buiten. Zo wordt enerzijds een aanzienlijke verruiming gecreëerd van de mogelijkheden om zakelijke geldvorderingen op naam voor financieringsdoeleinden te kunnen verpanden of over te dragen, maar blijft anderzijds een inbreuk op de contractsvrijheid van partijen enigszins beperkt.

Als gevolg van opheffing van het verbod tot overdracht of verpanding kan het voor de schuldenaar bij deze specifieke categorie vorderingen onduidelijk zijn wie de schuldeiser is aan wie de schuldenaar moet betalen. Om de schuldenaar toch een duidelijk betalingsadres te garanderen, moet de schuldenaar voortaan schriftelijk op de hoogte worden gesteld aan wie hij bevrijdend dient te betalen.

Consequentie
Indien partijen toch een verbod tot overdraagbaarheid of verpanding bedingen ten aanzien van deze specifieke categorie, heeft dit tot gevolg dat dit beding nietig is. Nietigheid leidt ertoe dat het beding nooit heeft bestaan. De nietigheid heeft onmiddellijke werking, hetgeen wil zeggen dat het beding nooit heeft bestaan vanaf het moment van inwerkingtreding van deze nieuwe wet. Wanneer dat precies zal zijn, is voorlopig nog niet bekend.

26-10-2018