Publicatie
08-10-2018

Toetsing handelwijze accountant/interim-bestuurder

Op 11 september jl. heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (''CBb'') in hoger beroep geoordeeld over een klacht die was ingediend tegen een registeraccountant, die door de Ondernemingskamer was benoemd als interim-bestuurder van een boerenbedrijf. De accountant werd verweten dat hij als interim-bestuurder tuchtrechtelijk verwijtbaar zou hebben gehandeld.

Als de oprichter van een boerenbedrijf in 2002 overlijdt staan zijn twee zonen klaar om het bedrijf over te nemen. Een logische stap, aangezien zij al actief waren in de agrarische sector met onder meer de bouw van stallen en de productie van veevoeding. De broers besluiten alle bedrijfsactiviteit samen te voegen in een nieuw bedrijf, waarvan zij gezamenlijk de directie gaan voeren. Die samenwerking verloopt niet goed en eindigt uiteindelijk in de procedure bij de Ondernemingskamer met benoeming van de accountant als interim-bestuurder. De Ondernemingskamer oordeelde dat het conflict tussen de broers verdere samenwerking onmogelijk maakte en dat overname van het bedrijf door een derde noodzakelijk was.

De accountant heeft, ter voorbereiding van de verkoop van het bedrijf, met diverse gegadigden contact opgenomen. Er werden twee serieuze biedingen uitgebracht: een bieding van 15,5 miljoen euro en een bieding van 15,55 miljoen euro. De accountant accepteerde de hoogste bieding. Voor de effectuering van de verkoop werd bij de accountant bekend dat een zogenaamde 'side deal' was gesloten met de potentiële koper, waardoor een van de broers de eerste vijf jaar na de verkoop een kwart van de winst zou ontvangen. Daardoor zouden de beide broers niet in gelijke mate in de opbrengst van het bedrijf delen. De accountant heeft bezwaar gemaakt tegen deze afspraken, is op de acceptatie van het eerste bod teruggekomen en heeft daarna de onderhandelingen voortgezet. Die onderhandelingen resulteerden uiteindelijk niet tot overeenstemming over de verkoop, waarna het bedrijf failliet werd verklaard.

De bij de side deal betrokken broer dient een klacht bij de Accountantskamer in tegen de accountant. Hij klaagt over het feit dat de accountant ten onrechte is teruggekomen op de bieding en dat de accountant ondeskundig en onzorgvuldig zou hebben gehandeld. De Accountantskamer wijst de klacht af en oordeelt dat een door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder bij de invulling van zijn taak de nodige beoordelingsruimte toekomt. Er is sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen indien de door de accountant verrichte handelingen met enige afstand bekeken als onjuist dienen te worden gekwalificeerd. De Accountantskamer sluit daarmee aan bij de civielrechtelijke jurisprudentie over onbehoorlijk bestuur. Een bestuurder kan pas worden aangesproken als geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden op dezelfde wijze als de aangesproken bestuurder zou hebben gehandeld. Aan de hand van een toetsing van de feiten en omstandigheden komt de Accountantskamer tot het oordeel dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen geen sprake is.

De broer stelt beroep in bij het CBb. Het CBb toetst de handelwijze van de accountant aan de voor hem geldende tuchtrechtelijke normen. Toetsing aan de civielrechtelijke normen is voorbehouden aan de civiele rechter, aldus het CBb. Het oordeel van de Accountantskamer, te weten dat de accountant (ook) als OK-bestuurder optreedt in ‘de uitoefening van zijn beroep’, laat het CBb in stand. Dit betekent dat de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (''VGBA'') van toepassing is. Het CBb oordeelt vervolgens dat de accountant als door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder heeft opgetreden en hij heeft geen specifieke vaktechnische werkzaamheden uitgevoerd. Dat betekent dat de toetsingsruimte voor de tuchtrechter beperkt is. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is geen sprake, aldus het CBb. Het terugkomen op de bieding met het doel om een aanpassing van de eerder bereikte overeenstemming te bewerkstelligen, getuigt niet van onzorgvuldig, ondeskundig of onprofessioneel handelen. Het CBb stelt vast dat de Accountantskamer de klacht terecht ongegrond heeft verklaard.

Deze uitspraak laat zien dat een als interim-bestuurder aangestelde accountant wordt geacht op te treden in “de uitoefening van zijn beroep” met als gevolg dat de fundamentele beginselen van de VGBA van toepassing zijn. Daarbij geldt wel dat de toetsingsruimte van de tuchtrechter in dit geval beperkt is, nu er geen specifieke vaktechnische werkzaamheden zijn uitgevoerd. Het toetsen van het handelen van de accountant als interim-bestuurder is voorbehouden aan de civiele rechter.

De uitspraak is hier te raadplegen.



8-10-2018