Publicatie
16-04-2018

De kosten van een enquêteonderzoek

Het enquêterecht biedt een breed inzetbaar en effectief middel om een onderzoek te doen instellen naar het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon. Een enquêteverzoek kan over het algemeen zonder al te hoge kosten worden ingediend. De kosten van een eenmaal bevolen enquêteonderzoek kunnen wel omvangrijk zijn. De Ondernemingskamer stelt bij het bevelen van een enquêteonderzoek weliswaar een maximaal bedrag aan onderzoekskosten vast, in de praktijk blijkt het onderzoek echter vaak omvangrijker - en dus kostbaarder - te zijn dan aanvankelijk gedacht. Onderzoekers zien zich dan ook geregeld genoodzaakt om de Ondernemingskamer in de loop van het onderzoek te vragen om een verhoging van het onderzoeksbudget.

De onderzoekskosten komen op grond van de wet voor rekening van de rechtspersoon. Nu veelal op voorhand niet is te overzien welke kosten een enquêteonderzoek met zich zal brengen, blijken bestuurders en commissarissen - die sinds 1 januari 2013 namens de rechtspersoon zelf om een enquête kunnen verzoeken - enigszins terughoudend te zijn in het gebruik van dit middel. Zij vrezen voor te hoog oplopende kosten. Hoewel begrijpelijk, is deze vrees niet geheel terecht. De wet biedt de rechtspersoon namelijk de mogelijkheid om de Ondernemingskamer te verzoeken de onderzoekskosten geheel of gedeeltelijk te mogen verhalen op een bestuurder, een commissaris of een ander die in dienst is van de rechtspersoon. Bovendien heeft de Hoge Raad zeer recent - op 13 april 2018 - uitgemaakt dat de rechtspersoon ook kan verzoeken de kosten te verhalen op een feitelijk beleidsbepaler. Hieronder volgt een nadere toelichting op de mogelijkheid van een rechtspersoon om de onderzoekskosten op een ander te verhalen.

Artikel 2:354 en de strekking van deze bepaling
De Ondernemingskamer kan een dergelijk verzoek toewijzen, indien uit het verslag blijkt dat de desbetreffende bestuurder, commissaris of werknemer verantwoordelijk is voor een onjuist beleid of onbevredigende gang van zaken van de rechtspersoon. Reeds in 1996 heeft de Hoge Raad overwogen dat deze wettelijke regeling ertoe strekt om verhaal van onderzoekskosten mogelijk te maken ten laste van de individuele persoon die in de sfeer van de rechtspersoon is opgetreden en voor het slecht functioneren van de rechtspersoon verantwoordelijk wordt gehouden (ECLI:NL:HR:1996:AD2594).

De Hoge Raad in de Meavita-enquête (18 november 2016)
Daarnaast heeft de Hoge Raad op 18 november 2016 in de Meavita-enquête beslist dat de Ondernemingskamer bij haar beslissing op een kostenverzoek van de vennootschap alle omstandigheden van het geval dient te betrekken. Uit de overwegingen van de Ondernemingskamer ten aanzien van de desbetreffende functionaris moet blijken dat hij verantwoordelijk is voor het onjuiste beleid of de onbevredigende gang van zaken van de rechtspersoon, hetgeen inhoudt dat hem persoonlijk van de onjuistheid of van dat beleid of van de onbevredigende gang van zaken een verwijt kan worden gemaakt.

De Hoge Raad in de Leaderland-enquête (13 april 2018)
Zoals gezegd, heeft de Hoge Raad zeer recent - namelijk op 13 april 2018 - een volgend belangwekkend arrest gewezen over de mogelijkheid van de vennootschap om de gemaakte onderzoekskosten op een ander te verhalen. De Hoge Raad heeft in dit arrest overwogen dat uit de wetsgeschiedenis niet blijkt dat de wetgever heeft beoogd verhaal van onderzoekskosten ten laste van personen die geen formele verantwoordelijkheid droegen, uit te sluiten. Voorts strookt het volgens de Hoge Raad met de strekking van de wet om de wettelijke regeling aangaande het verhaal van onderzoekskosten van toepassing te achten op alle personen die in de sfeer van de rechtspersoon zijn opgetreden en verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor het slecht functioneren van de rechtspersoon, ook zonder dat zij een formele verantwoordelijkheid droegen. Met andere woorden: de Ondernemingskamer kan op verzoek van de rechtspersoon bepalen dat de onderzoekskosten verhaald kunnen worden op feitelijk beleidsbepalers.

Daarnaast heeft de Hoge Raad in dit arrest verduidelijkt dat een kostenveroordeling strekt tot vergoeding van schade van de rechtspersoon die bestaat in het betalen van de kosten van het onderzoek, alsmede dat indien de Ondernemingskamer oordeelt dat kosten voor het geheel op ieder van twee of meer personen kunnen worden verhaald, die personen krachtens artikel 6:6 lid 2 BW hoofdelijk zijn verbonden. Ook bevestigt de Hoge Raad dat het dictum van een beslissing van de Ondernemingskamer waarin een verzoek tot verhaal van onderzoekskosten op de voet van artikel 2:354 BW is toegewezen, een veroordeling tot betaling van die onderzoekskosten kan inhouden.


16-4-2018

Betrokken advocaten