Publicatie
10-04-2018

Het beginsel van concentratie van klachten in het accountancytuchtrecht

Bij de inwerkingtreding van de Wet toezicht accountantsorganisaties heeft de wetgever overwogen dat een aantal gebeurtenissen het algehele vertrouwen in accountants ernstig heeft ondergraven. Het beoogde doel van de wetgeving is dan ook herstel van het vertrouwen in de accountant, door middel van toezicht op zowel accountantsorganisaties als individuele accountants. De wetgever benadrukte daarbij het publieke belang en de grote maatschappelijke waarde bij het handhaven van de kwaliteit van de goede beroepsuitoefening. Voor het functioneren van de economie is (de waarde die wordt toegekend aan) het objectieve oordeel van een accountant van groot belang. Zonder vertrouwen in dat oordeel verliest de kernfunctie van een accountant, zijnde het toevoegen van zekerheid in het maatschappelijk verkeer, zijn waarde.

Het toezicht op het functioneren op accountants vindt onder meer plaats door tuchtrechtelijke toetsing van handelen en nalaten van accountants door de Accountantskamer te Zwolle. Op grond van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) kan eenieder bij een vermoeden van - kort gezegd – tuchtrechtelijk laakbaar handelen door een accountant een klacht indienen bij de Accountantskamer. Een eventueel hoger beroep gericht tegen het oordeel van de Accountantskamer wordt behandeld door het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb). Een klacht moet worden ingediend binnen drie jaar nadat is geconstateerd dat het handelen of nalaten van de accountant in strijd is met de beroepsregels voor accountants.

Uit de wetsgeschiedenis en jurisprudentie volgt dat “eenieder” ruim opgevat moet worden. Er worden geen eisen gesteld aan of beperkingen gelegd op de hoedanigheid van de klager. Er is dan ook geen expliciete bepaling waaruit blijkt dat de klager een rechtstreeks belang moet hebben. Tevens is het voor de beoordeling van een klacht irrelevant of de klager op de hoogte was van de gebreken in de handelwijze van de accountant in kwestie. De kennis die een klager heeft, staat los van de zelfstandige verantwoordelijkheid die de accountant heeft onder het wettelijk tuchtrecht.

Onder omstandigheden kan het zo zijn dat een klager weliswaar bekend is met de feiten en omstandigheden waarop hij in eerste instantie de klachten baseert, maar dat later blijkt dat die feiten en omstandigheden nog aanleiding geven tot andere klachten. De accountant wordt dan geconfronteerd met twee klachtprocedures ten aanzien van hetzelfde feitencomplex. De Accountantskamer heeft in een uitspraak van 25 november 2016 (ECLI:NL:TACAKN:2016:111) bepaald dat in dat geval de klager niet-ontvankelijk is. De Accountantskamer overweegt dat het niet verenigbaar is met de eisen van een behoorlijke procesorde, wanneer een klager een klacht die haar grondslag vindt in een bepaald feitencomplex bij de tuchtrechter indient, terwijl dat feitencomplex reeds ten tijde van een eerdere door deze klager ingediende klacht bij hem bekend was of kon zijn. De klachten tegen een accountant moeten zoveel mogelijk tegelijk in één klachtprocedure aan de Accountantskamer worden voorgelegd. Omdat de twee klachtprocedures hetzelfde feitencomplex betreffen, oordeelt de Accountantskamer dat op grond van het beginsel van concentratie van klachten de klager de klachten in één tuchtprocedure had moeten samenbrengen. De Accountantskamer verklaart de klacht als strijdig met een behoorlijke tuchtprocesorde niet-ontvankelijk. De klager gaat in hoger beroep bij het CBb. Bij het beginsel van concentratie van klachten gaat het er namelijk niet om of beide klachtprocedures hetzelfde feitencomplex betreffen maar of de klachten in de twee procedures betrekking hebben op dezelfde gedragingen van de accountant, aldus de klager.

In de uitspraak van 4 april 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:99) oordeelt het CBb dat – anders dan de Accountantskamer – de beginselen van een behoorlijke (tucht)procesorde niet met zich zouden brengen dat een klager gehouden is zijn klachten zoveel mogelijk in één keer naar voren te brengen. Het is weliswaar wenselijk dat een klager zijn klachten tegen een accountant zoveel mogelijk bundelt, maar een verplichting daartoe blijkt niet uit de wet of uit andere beginselen van behoorlijke (tucht)procesorde. In een concreet geval kunnen zich specifieke omstandigheden voordoen, waarin er wel belemmeringen bestaan voor het indienen van een opvolgende klacht, maar daarvan was in deze kwestie geen sprake. Omdat de tweede ingediende klacht nog niet inhoudelijk was beoordeeld door de Accountantskamer wordt de zaak door het CBb terugverwezen naar de Accountantskamer voor een inhoudelijke beoordeling.

De uitspraak van het CBb is begrijpelijk in het licht van de jurisprudentie en wetsgeschiedenis inzake het doel en strekking van het accountancytuchtrecht. De Wtra dient een belangrijk maatschappelijk doel, namelijk het creëren van vertrouwen in het objectieve oordeel van een accountant. Gebrek aan vertrouwen, gerechtvaardigd of niet, leidt tot disfunctioneren van de kapitaalmarkt. Het kader dat het College schetst voor het klachtrecht is in lijn met deze gedachtegang. In eerste instantie moet “eenieder” op grond van artikel 22 Wtra het recht hebben om te klagen. In bepaalde gevallen blijkt pas later dat eenzelfde feitencomplex aanleiding geeft tot aanvullende klachten. Het is dan niet wenselijk om de klager ten aanzien van die aanvullende klachten niet-ontvankelijk te verklaren.


10-4-2018