Publicatie
20-02-2018

Kabinet kondigt wetsvoorstel aan voor het afschaffen van verpandingsverboden

In de rechtspraak verschijnt met enige regelmaat een uitspraak over verpandingsverboden; de vraag of een vordering al dan niet kan worden verpand houdt de juridische praktijk flink bezig. Daar zou in de toekomst maar zo verandering in kunnen komen. Het kabinet wil namelijk een einde maken aan verpandingsverboden. Hiervoor zal dit voorjaar nog een wetsvoorstel verschijnen. Maar voordat het zover is: hoe zat het ook alweer met de verbintenisrechtelijke en goederenrechtelijke werking van het verpandingsverbod?

Het verpandingsverbod
Veel bedrijven nemen in hun algemene (inkoop)voorwaarden een beding op waarin een verpandingsverbod is geformuleerd. Het beding bepaalt dan dat de schuldeiser de vorderingen op het betreffende bedrijf niet mag/kan verpanden aan een ander, zoals bijvoorbeeld een bank. Bedrijven nemen een dergelijk verpandingsverbod vaak op omdat zij zich niet geconfronteerd willen zien met onbekende schuldeisers.

Voor de schuldeisers daarentegen is een verpandingsverbod een grote belemmering. Zij kunnen deze vorderingen namelijk, als zekerheid voor de terugbetaling van de financiering, niet meer in onderpand geven aan de bank. Doordat banken minder zekerheid hebben, zijn zij genegen minder financiering te verstrekken. Het komt ook voor dat – ter beperking van het risico voor de bank – een hogere rente betaald moet worden.

Wetsvoorstel
Kort geleden heeft het kabinet aangekondigd een einde te willen maken aan verpandingsverboden. Op deze wijze wil het kabinet de kredietverlening aan bedrijven extra stimuleren, waardoor er meer ruimte komt voor investeringen, innovatie en groei. Het kabinet komt hiermee tegemoet aan de breed gedragen wens van het bedrijfsleven en het bankwezen. Bovendien wordt hiermee aangesloten bij landen als Duitsland en Frankrijk, waar geen verpandingsverboden gelden, hetgeen de concurrentie bevordert.

In het voorjaar komt minister Dekker (Rechtsbescherming) met een wetsvoorstel. Tot die tijd zal er echter nog veelvuldig geprocedeerd worden over verpandingsverboden. Die procedures hebben betrekking op de vraag of de vordering, ondanks een verpandingsverbod, wellicht tóch verpand is. Dit heeft te maken met de verbintenisrechtelijke en goederenrechtelijke werking van het verpandingsverbod. Hoe zat dat ook alweer?

Verbintenisrechtelijke werking en goederenrechtelijke werking
De vraag of een vordering, ondanks het verpandingsverbod toch verpand is, hangt af van de vraag of een beding alleen verbintenisrechtelijke werking of ook goederenrechtelijke werking (in de zin van artikel 3:83 lid 2 BW) heeft. Een beding met verbintenisrechtelijke werking staat niet aan een rechtsgeldige verpanding in de weg, terwijl een beding met goederenrechtelijke werking dat wel doet. Wij lichten dat verder toe.

  • Verbintenisrechtelijke werking: indien het beding verbintenisrechtelijke werking heeft, mag de vordering door de schuldeiser niet worden verpand. De vordering op zichzelf is nog wel voor verpanding vatbaar, maar als de schuldeiser dit doet, wanpresteert zij. Een verbintenisrechtelijk beding is dus veeleer gericht op de schuldeiser.
  • Goederenrechtelijke werking: indien het beding goederenrechtelijke werking heeft, kan de vordering door de schuldeiser niet worden verpand. Een goederenrechtelijk beding heeft directe invloed op de kwaliteit van de vordering; deze is niet meer vatbaar voor verpanding. Een goederenrechtelijk beding is dus gericht op de vordering.

Coface/Intergamma
Wanneer is nu sprake van een goederenrechtelijk of verbintenisrechtelijk beding? Deze vraag kwam aan de orde in het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2014 (NJ 2015/167, Coface/Intergamma).

Volgens de Hoge Raad dient dit te worden bepaald aan de hand van de uitleg van de overeenkomst tussen partijen. Omdat het een beding betreft dat naar zijn aard mede bestemd is om de rechtspositie van derden te beïnvloeden die de bedoeling van de contracterende partijen niet kennen, en dat ertoe strekt hun rechtspositie op uniforme wijze te regelen, dient het beding te worden uitgelegd naar objectieve maatstaven, met inachtneming van de Haviltex-maatstaf.

Bij die uitleg heeft de Hoge Raad een belangrijk uitgangspunt geformuleerd:

“Als uitgangspunt bij de uitleg van bedingen die de overdraagbaarheid van een vorderingsrecht uitsluiten, moet worden aangenomen dat zij uitsluitend verbintenisrechtelijke werking hebben, tenzij uit de – naar objectieve maatstaven uit te leggen – formulering daarvan blijkt dat daarmee goederenrechtelijke werking als bedoeld in art. 3:83 lid 2 BW is beoogd.”

Dat betekent dat aan de taalkundige betekenis van de tekst van het beding, gelezen in het licht van de strekking daarvan, doorslaggevende betekenis toekomt. Indien er wordt gesproken van niet kunnen overdragen, dan is er al gauw sprake van een beding met goederenrechtelijke werking; is er sprake van niet mogen of zullen overdragen, dan zal er over het algemeen sprake zijn van een beding met verbintenisrechtelijke werking.

Slot
Omdat aan de hand van de tekst van het beding niet altijd direct kan worden afgeleid of het verpandingsverbod wel of geen goederenrechtelijke werking heeft, wordt hierover vaak geprocedeerd. Met de invoering van het nieuwe wetsvoorstel zullen dergelijke procedures op den duur waarschijnlijk tot het verleden gaan behoren.


20-2-2018