Publicatie
05-09-2017

Aansprakelijkheid van de doorlener voor ondergeschikten

Op 14 juli jl. heeft de Hoge Raad een arrest gewezen over de aansprakelijkheid van een doorlener voor schade die is veroorzaakt door een ondergeschikte (zie HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1345 (JMV/Zurich)). Uit de uitspraak volgt dat alle bij de doorleenconstructie betrokken ‘werkgevers’ aan aansprakelijkheid voor onrechtmatige gedragingen van een werknemer/ondergeschikte bloot staan.  

De zaak JMV/Zurich
In de zaak die tot de uitspraak van de Hoge Raad leidde, had ProRail opdracht gegeven aan BAM om onderhoudswerkzaamheden te verrichten aan het spoor. BAM had voor die werkzaamheden gebruikgemaakt van de veiligheidsdiensten van JMV. JMV had hiertoe een werktreinbegeleider, die in dienst was bij bedrijf A, ter beschikking gesteld aan BAM. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden is een trein tegen een wissel aangereden, omdat de werktreinbegeleider niet had gezien dat de wissel niet in de juiste stand stond. De schade aan de wissel is door de aansprakelijkheidsverzekeraar van BAM aan ProRail vergoed. De verzekeraar van BAM tracht de schade op JMV te verhalen.

De verzekeraar heeft zijn vordering op JMV gebaseerd op wanprestatie (art. 6:74 BW), wat ook mogelijk is als de schade is veroorzaakt door een onrechtmatige gedraging van een werknemer of hulppersoon (art. 6:76 BW), en op art. 6:170 BW, op grond waarvan een partij aansprakelijk is voor de schade die door een fout van zijn ondergeschikte aan een derde is toegebracht. Het hof heeft JMV voor de volledige schade die was ontstaan als gevolg van de fout van de werktreinbegeleider aansprakelijk gehouden op grond van art. 6:170 BW. Tegen dat oordeel is JMV in cassatie opgekomen.

Vereisten art. 6:170 BW
Voor aansprakelijkheid op grond van art. 6:170 BW is vereist dat (i) de ondergeschikte onrechtmatig heeft gehandeld in de zin van art. 6:162 BW; (ii) sprake is van een ondergeschiktheidsverhouding; en (iii) een functioneel verband bestaat tussen de fout van de ondergeschikte en de taak die hem is opgedragen.

De Hoge Raad is van oordeel dat het hof in deze procedure - waarbij de werknemer zelf geen partij is - te eenvoudig heeft aangenomen dat de werktreinbegeleider onrechtmatig heeft gehandeld. De Hoge Raad geeft hierbij aan dat de rechter de onrechtmatigheid van het handelen van de werknemer in een op art. 6:170 BW gestoelde procedure niet anders dient te beoordelen dan indien de aansprakelijkheid van de werknemer zelf in het geding is. Om deze reden vernietigt de Hoge Raad de uitspraak van het hof.

Waar het echter aankomt op de vereisten van de ondergeschiktheidsverhouding en het functioneel verband stelt de Hoge Raad geen hoge eisen. Het feit dat JMV zeggenschap had over de vraag of en op welke momenten de werktreinbegeleider werkzaamheden voor BAM diende uit te voeren, acht de Hoge Raad al voldoende voor het aannemen van een ondergeschiktheidsverhouding tussen JMV en de werktreinbegeleider. Ten aanzien van het functioneel verband had het hof geoordeeld dat de kans op de fout was vergroot doordat de werktreinbegeleider door JMV aan BAM ter beschikking is gesteld en JMV voldoende zeggenschap had over de gedragingen waarin de fout was gelegen (zie hiervoor). De Hoge Raad liet dit oordeel in stand.

Aansprakelijkheid van alle ‘werkgevers’ in doorleenconstructie
In deze zaak zal JMV uiteindelijk vermoedelijk aan aansprakelijkheid ontsnappen, omdat de Hoge Raad ten aanzien van het eerste vereiste van art. 6:170 BW (een fout van de ondergeschikte) casseert. Belangwekkender is echter dat de Hoge Raad in deze uitspraak zijn eerder ingezette trend doorzet dat voor aansprakelijkheid op grond van art. 6:170 BW de hoedanigheid van de ‘werkgever’ niet zozeer van belang is. Zowel de formele werkgever, als de in- of uitlenende (materiële) werkgever is vatbaar voor aansprakelijkheid. De gedachte hierachter is dat de benadeelde partij geen nadeel zou moeten ondervinden van onduidelijkheid over de identiteit van de aansprakelijke partij als gevolg van complexe situaties van in-, uit- en doorlening.

Voor de verschillende betrokken ‘werkgevers’ is het dus aan te raden dat zij onderling afspraken maken over de schadeverdeling in geval van aansprakelijkheid zodat duidelijk is door wie en in welke mate aansprakelijkheidsrisico’s worden gedragen. Voorts is het van belang om zorg te dragen voor een afdoende aansprakelijkheidsverzekering. 

5-9-2017