Publicatie
03-05-2012

Showroommodellen vallen niet onder het fiscaal bodem(voor)recht

Goed nieuws voor financieringspartijen met een stil pandrecht op bodemzaken: de Hoge Raad heeft met haar uitspraak van 9 december 2011 een einde gemaakt aan de langlopende discussie over de vraag of een showroommodel een “bodemzaak” is. Volgens de Hoge Raad is het antwoord op die vraag ‘nee’, showroommodellen zijn géén bodemzaken. Zo verscheen ook in een artikel van Mr. Vermaire in het tijdschrift financiering, zekerheden en insolventierechtpraktijk.

Op grond van art. 21 jo 22 lid 3 Invorderingswet valt een bodemzaak onder het bodem(voor)recht van de fiscus. Dit bodem(voor)recht houdt in dat de fiscus met voorrang op de eigenaar of stille pandhouder haar vorderingen op de belastingschuldige op de opbrengst van de bodemzaak kan verhalen. Voor eigenaren en stille pandhouders van roerende zaken is het daarom van belang om te weten of een zaak een bodemzaak is en of daar dus het risico bestaat dat die zaak mogelijk door de fiscus wordt aangewend voor het verhaal van fiscale vorderingen1

Bodemzaken zijn zaken die zich bevinden op de “bodem” van de belastingschuldige. Onder de bodem wordt verstaan het perceel (of de percelen) waarover de belastingschuldige onafhankelijk van derden de vrije beschikkingsmacht heeft (dus waartoe deze zonder hulp of toestemming toegang toe heeft). Om als bodemzaak te worden aangemerkt moet de zaak ook in één van de drie categorieën bodemzaken van de Invorderingswet vallen, bijvoorbeeld de categorie dat de zaak dient ‘tot stoffering’ van een gebouw met eventueel het daarbij behorende (bedrijven)terrein. “Tot stoffering” is volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad “al hetgeen strekt tot een enigszins duurzaam gebruik van het gebouw overeenkomstig zijn bestemming waardoor het gebouw tevens beter aan die bestemming beantwoordt”. Al lange tijd is duidelijk dat op basis van deze definitie inventaris en machines wél en voorraden géén bodemzaken zijn. De vraag was echter of het showroommodel moet worden aangemerkt als “stoffering” en daardoor als bodemzaak. De lagere rechtspraak gaf een verdeeld beeld. De rechtbank Utrecht, Amsterdam en Zutphen oordeelden in uitspraken van 6 oktober 2004, 27 augustus 2008, respectievelijk 17 maart 2010 dat showroomkeukens, slaapkamermeubilair, respectievelijk bubbelbaden in een showroom bodemzaken waren. Het Hof Amsterdam kwam op 14 juli 2009 echter tot de conclusie dat  slaapkamermeubilair in een showroom juist geen bodemzaak is.

De Hoge Raad heeft met haar uitspraak van 9 december 2011 een einde gemaakt aan deze onduidelijkheid. Volgens de Hoge Raad heeft het Hof Amsterdam (in haar uitspraak van 14 juli 2009) terecht showroommodellen niet als bodemzaak aangemerkt. Showroommodellen – of zij nu ooit verkocht worden of niet – behoren tot de handelswaar voor de bedrijfsactiviteit waarvoor het gebouw juist dient. Bovendien plegen ze met zekere regelmaat te worden vervangen door aan de mode van het moment of aan de eisen des tijds beantwoordende nieuwe modellen. Om die reden strekken showroommodellen niet tot een enigszins duurzaam gebruik van de winkel of showroom waarin zij zijn opgesteld en vormen zij geen stoffering in de zin van art. 22 lid 3 Iw, zo oordeelde de Hoge Raad.

Voor financieringspartijen met een stil pandrecht op showroommodellen is dit goed nieuws, want dit betekent dat de fiscus zich niet met voorrang kan verhalen op de opbrengsten van de verkoop van stil verpande showroommodellen. Deze uitspraak laat daarnaast ook geen ruimte meer voor discussies en regelingen met de fiscus en/of curatoren over de kwalificatie van showroommodellen en de verdeling van de opbrengsten daarvan.

1 Voor de leesbaarheid zal hierna enkel gesproken worden over de stil pandhouder van showroommodellen. Echter, een en ander is mutadis mutandis van toepassing op de eigenaar van showroommodellen die zich op de bodem van een derde bevinden, indien deze eigendom in fiscaal juridische zin niet kwalificeert als reële eigendom.

03-05-2012

Betrokken advocaten

Expertises