Publicatie
12-07-2008

Verkeersboete tijdens werk

Op 13 juni jl. heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de vraag of een werkgever de verkeersboetes die werknemers bij de uitoefening van hun werkzaamheden oplopen dient te betalen. Het ging in deze zaak om een medewerker van TNT Post die bij een dienstrit 61 km per uur had gereden bij een maximum snelheid van 50 km per uur.

Volgens de Wet Administratiefrechtelijke Handhaving Verkeersvoorschriften worden verkeersboetes opgelegd aan de kentekenhouder (eigenaar) van de auto. Dat is bij dienstauto’s dus de werkgever.

Het hof ‘s-Gravenhage had eerder in deze zaak beslist dat een werkgever de boete dient te betalen en deze niet op de werknemer kan verhalen, tenzij sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Bij een overschrijding van de maximumsnelheid van 10 km per uur of meer was volgens het hof in zijn algemeenheid sprake van opzet bij de werknemer. Volgens het hof kon de werkgever boetes voor de overschrijding van de maximumsnelheid met minder dan 10 km per uur dus niet op de werknemer verhalen, behoudens bijzondere omstandigheden.

De Hoge Raad oordeelt anders. Verkeersboetes dienen voor rekening van de overtreder te komen, ongeacht of deze worden veroorzaakt in zijn eigen auto, in de auto van zijn werkgever of in een leaseauto. De werkgever zal de boete op grond van de Wet Administratiefrechtelijke Handhaving Verkeersvoorschriften nog wel moeten betalen, maar zal deze boete kunnen verhalen op de werknemer. De Hoge Raad merkt overigens nog op dat bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat de boete voor rekening van de werkgever dient te komen, bijvoorbeeld indien de werkgever het begaan van de overtreding heeft bevorderd.

Dit betekent dat een werknemer zelf verantwoordelijk is voor snelheidsovertredingen begaan in de uitoefening van zijn werkzaamheden. De werkgever mag de boete voor die snelheidsovertreding verhalen op de werknemer.

12-07-2008